De voorzitter blikt terug

i 7 december 2020 door

Dat 2020 de geschiedenisboeken in zal gaan als het coronajaar, dat moge duidelijk zijn. Wat valt er over het bijna afgelopen jaar te zeggen vanuit het perspectief van onze Banningvereniging? Het onderstaande is niet bedoeld als jaaroverzicht maar als persoonlijke impressie.

Corona en Milieu

Aan het begin van het coronajaar (21 februari) kon de tweede Banninglezing in de Rode Hoed op het nippertje worden uitgesproken door de directeur van Urgenda, Marjan Minnesma. Vervolgens maakte de coronacrisis inclusief lockdown aan iedereen nog eens duidelijk hoe groot de impact van ons ‘normale’ leven op onze leefomgeving is. Wat werd de lucht plotseling schoon… Natuurlijk kwam de vraag op of we het coronavirus mede over ons hebben afgeroepen door onze levensstijl: de wijze waarop we het milieu exploiteren. Moeten we niet veel groener, gezonder en bewuster gaan leven?

Zoals de Banningvereniging in een brief aan de verkiezingsprogramma-commissie al geschreven had: de klimaatcrisis is niet alleen een technisch maar ook een moreel vraagstuk. Tegelijk kan de klimaatcrisis niet alleen overwonnen worden door een betere individuele levensstijl. Stevig ingrijpen van overheidswege blijft een must. In zijn boek Een beter milieu begint niet bij jezelf doet auteur Jaap Tielbeke een dringend beroep op de politiek. De ecologische crisis is allesomvattend en gecompliceerd. Het is een mythe dat we allemaal even schuldig zouden zijn aan klimaatverandering. Vleesloze dagen en vliegschaamte zijn natuurlijk prima, maar mogen de politiek niet weerhouden van nieuwe, strenge regelgeving. Ook kunnen we ons niet de klimaatcrisis uit innoveren door alleen te speculeren op slimme technologie. Er is politieke actie nodig, en wel nu.

De discussie over de aan KLM te stellen eisen bij financiële steun na de uitbraak van de coronapandemie zijn wat dat betreft illustratief voor wat ons na de landelijke verkiezingen van 2021 te wachten staat: beantwoording van de vraag hoe hard de eisen zijn die de overheid gaat stellen bij de uitvoering van de Nederlandse Klimaatwet en Europese Green New Deal. Goed dat we als Banningvereniging besloten hebben om het huidige jaarthema – klimaatpolitiek – verder te behandelen in de eerste helft van 2021!

Corona en Overheid

Het blijft opvallend hoe de overheid in 2020 een comeback maakte, in ieder geval het overheidsimago flink werd opgepoetst. Zelfs rechts lijkt de overheid weer voorzichtig te omarmen. In tijden van crisis leert men zijn vrienden kennen en iedereen weet weer hoe belangrijk een goed functionerende overheid is. Om de regie in handen te nemen; noodzakelijke maatregelen te treffen om de samenleving in rudimentaire vorm voort te laten bestaan; om offers te vragen op grond van solidariteit. Een betrouwbare, transparante, goed werkende, communicatieve overheid is van levensbelang.

Helaas voedde de onzekerheid omtrent de uitkomsten van de coronamaatregelen, zeker tijdens de tweede lockdown, een scherp en bij vlagen buitengewoon gepolariseerd debat. Tevens voedde het bij een aantal landgenoten een fundamenteel wantrouwen jegens instituties. Corona leek ons eerst dichter bij elkaar te brengen, maar bracht vervolgens ook de bestaande maatschappelijke kloven en tegenstellingen nog eens pijnlijk aan het licht (rijk/arm, jong/oud, zwart/wit, gelovig/seculier). In een gepolariseerd maatschappelijk klimaat is het te hopen dat politici niet alleen tegenstellingen publiek uitvergroten, maar ook zoeken naar gezamenlijke oplossingsrichtingen, en dat niet alleen buiten het zicht van de camera.

Dat we overigens niet al ons vertrouwen op de overheid moeten stellen bleek tijdens de parlementaire verhoren rond de uiterst pijnlijke Toeslagenaffaire. Een voorbeeld van volstrekt doorgeschoten overheidshandelen waarin politici en ambtenaren de verantwoordelijkheid achteraf graag naar elkaar afschuiven. En dan zwijg ik nog maar over het onthutsende onvermogen bij zowel het Nederlandse kabinet als bij Europese politici om te komen tot een humane oplossing van de vluchtelingencrisis, in het bijzonder op Lesbos. Het gaat dus niet alleen over meer of minderheid overheid maar ook over de vraag wat een ‘goede’ overheid in morele zin betekent.

Corona en zingeving

In het PvdA concept-verkiezingsprogramma staat een mooie passage over het belang van de door corona zo zwaar getroffen kunst en cultuur: kunst en cultuur gaan over wie we zijn, over de verhalen die we elkaar vertellen en wat we dromen. Ook maken ze zaken bespreekbaar. Kunst en cultuur vormen een betekenis-gevende activiteit in een samenleving waarin dit jaar veel mensen geconfronteerd werden met eenzaamheid, verlies en gevoelens van zinloosheid. Dat laatste zeker ook onder jongeren. Het onderstreept weer eens het grote belang van een perspectief in het leven. Het geeft ook het grote belang aan van ontmoetingen, iets voor een ander kunnen doen, betekenisvolle contacten. Juist in een tijd waarin we veel van die contacten moeten missen worden we ons weer zeer bewust van het grote belang ervan. De mens is een sociaal wezen dat alleen in verbinding met anderen tot volle ontplooiing kan komen (Willem Banning). De ‘allenige mens’ verpietert snel (Dirk de Wachter).

Het onderstreept ook het grote belang van levensbeschouwelijke verbanden. In alle diversiteit stellen zij de vraag naar zin en betekenis van het leven. En pogen die vraag te beantwoorden in het licht van een specifieke traditie. Hopelijk zonder daarbij anderen en hun antwoorden uit te sluiten. Van het grote belang van samenbindende verhalen, rituelen en symbolen zijn we ons weer sterker bewust geworden. Dat is winst in een jaar dat verder grote verliezen kent.

Ten slotte

Het boek dat eind 2019 over onze Banningvereniging verscheen heet: Geloven in het ideaal. Aan ons de opdracht om ook in 2021 in het ideaal te blijven geloven en daarover met elkaar en de samenleving in dialoog te treden. Open en verdraagzaam, maar ook vanuit de overtuiging dat het ideaal van een vrije, rechtvaardige, humane en duurzame samenleving nog heel wat arbeid vergt.

Over perspectief gesproken: 2021 wordt hopelijk het jaar van een goed werkend vaccin. Wereldwijd, ook in landen die minder kapitaalkrachtig dan Europa en Amerika kunnen inkopen op de markt van vaccinaties. Ook hier is de vraag: hoe kan een goede overheid er zorg voor dragen dat we met elkaar de juiste keuzes maken. Het gaat dan niet alleen over de feitelijke verdeling van geld en goederen, maar ook over de vraag of die verdeling moreel houdbaar is.

Een Nederlands verkiezingsjaar wordt 2021 ook. Met hopelijk een goed resultaat voor links. Bovenal wordt komend jaar een jaar waarin we elkaar weer ‘levend’ gaan ontmoeten. Zoomen heeft zo z’n voordelen, maar er gaat niets boven echte ontmoetingen van aangezicht tot aangezicht. Zelfs als dat nog even op anderhalve meter dient te geschieden.

De school is niet van de staat. Pleidooi voor artikel 23

i 11 november 2020 door

In het debat over de vrijheid van onderwijs lijkt het vooral te gaan over de vraag of we wel of geen scholen op levensbeschouwelijke grondslag willen. Veel wezenlijker achterliggende kwesties komen daardoor veel te weinig aan de orde. Zoals de vraag: “Van wie is eigenlijk de school?”

In het vroege voorjaar van 1902 woedde op de pagina’s van socialistisch dagblad Het Volk een verhit debat tussen dichteres Henriëtte Roland Holst en Pieter Jelles Troelstra, voorman van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Waar Roland Holst pleitte tegen de subsidiëring van het bijzonder onderwijs en alle kinderen verplicht naar door de staat ingerichte en betaalde scholen wilde sturen, vond zij Troelstra op haar weg. Naar diens overtuiging betrad Roland Holst een vervaarlijk aflopend pad: ‘Vandaag de school, morgen de kerk, overmorgen de vereniging’. Een gepikeerde reactie van Roland Holst, die Troelstra toevoegde dat zij toch geen ‘onverdraagzame fanatieker’ was, mocht niet baten. ‘Wie zelf kinderen heeft’, hield hij de ongewild kinderloze dichteres voor, ‘moet zich maar eens afvragen of hij gedwongen wil worden, zijne kinderen naar een school te zenden, waar een geest heerscht die hij verderfelijk vindt’. Dit debat uit de vroege twintigste eeuw lijkt in grote trekken wel op de discussie zoals die vandaag de dag opnieuw over de vrijheid van onderwijs wordt gevoerd.

Nu is dat debat niet nieuw. Sinds in 1917 in de Nederlandse grondwet werd vastgelegd dat burgers vrij zijn een eigen school te stichten, deze vervolgens te funderen op een levensbeschouwelijke, religieuze of onderwijskundige grondslag en alle scholen aanspraak kunnen maken op gelijke financiering, is er een maatschappelijk gesprek gaande over de vraag of dit nog wel wenselijk is. Dat debat wordt echter al te vaak versmald tot de vraag of onderwijs op levensbeschouwelijke of religieuze grondslag nog wel van deze tijd is. En dat is jammer, omdat een goed begrip van de vrijheid van onderwijs zoals we die kennen een belangrijke basis kan zijn om een aantal fundamentele problemen aan te pakken waar het onderwijs in Nederland vandaag de dag mee te kampen heeft.

Eisen van deugdelijkheid

De vrijheid van onderwijs wordt geregeld in artikel 23 van de Grondwet. Daarin is als eerste vastgelegd dat het onderwijs ‘een voorwerp’ is van ‘aanhoudende zorg der regering’. Hierop wordt in zeven opvolgende onderdelen de vrijheid van onderwijs vrij precies omschreven. Het geven van onderwijs is vrij, met dien verstande dat iedere school onderworpen is aan toezicht door de overheid, ook waar het gaat om de bekwaamheid van de onderwijsgevenden. Openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij wet geregeld en in iedere gemeente dient het openbaar onderwijs goed toegankelijk te zijn. Alle scholen dienen te voldoen aan eisen van deugdelijkheid, waarbij een zekere mate van vrijheid wordt toegekend aan het bijzonder onderwijs. De eisen van deugdelijkheid worden echter voor alle scholen die uit algemene middelen gefinancierd worden in wet- en regelgeving zo vastgelegd, dat ze voor zowel openbare als bijzondere scholen even afdoende worden gewaarborgd. Pas hierna is opgenomen dat het bijzonder onderwijs dat aan alle in de wet te stellen voorwaarden voldoet, op dezelfde wijze als het openbare onderwijs gesubsidieerd wordt. Het artikel sluit af met de opdracht aan de regering jaarlijks verslag te doen van de staat van het onderwijs aan de Staten-Generaal.

De opeenvolging van onderdelen van artikel 23 is niet willekeurig. Als lid van de commissie die de precieze formulering van de vrijheid van onderwijs moest voorbereiden, hamerde Troelstra op de deugdelijkheid van al het onderwijs. Het was naar zijn overtuiging wezenlijk dat de overheid kon bepalen wat precies de randvoorwaarden van goed onderwijs waren. Op welke grondslag dat onderwijs vervolgens gefundeerd werd en op welke manier leerlingen zich de voorgeschreven kennis eigen maakten, dat was de vrijheid van de school. Als er derhalve burgers waren die naast het goed toegankelijke en uit algemene middelen gefinancierde openbaar onderwijs in hun gemeente een bijzondere school wilden stichten – bijvoorbeeld een school op levensbeschouwelijke of onderwijskundige grondslag – dan moest dat kunnen, mits werd voldaan aan een aantal randvoorwaarden. De financiering van het bijzonder onderwijs was en is dan ook altijd voorwaardelijk.

Ongemakkelijk gesprek

In het debat over de vrijheid van onderwijs lijkt de kennis van het betreffende grondwetsartikel en de geschiedenis ervan niet altijd bij alle deelnemers paraat. Dat de overheid op tal van manieren voorwaarden kan stellen waaraan scholen moeten voldoen en daarop ook toezicht kan houden via de onderwijsinspectie, is een gegeven dat in het soms heetgebakerde debat wat verloren lijkt te gaan. Daarvoor zijn twee oorzaken aan te wijzen, die elkaar bovendien versterken.

Ten eerste is het maatschappelijk gesprek over de publieke rol van religie en levensbeschouwing er de afgelopen jaren niet gemakkelijker op geworden. Nadat Nederland vanaf de jaren 1960 in rap tempo ontkerkelijkte en het vlechtwerk van organisaties op religieuze grondslag uiteenrafelde, is een maatschappelijk zelfbeeld ontstaan van een moderne, seculiere samenleving. Daarin is uiteraard wel plaats voor godsdienst en levensovertuiging, maar die plaats is duidelijk afgebakend binnen het privédomein. Een al te geprononceerde maatschappelijke rol van religie past niet bij dat zelfbeeld. Ten tweede wordt goed burgerschap vooral begrepen als de mate waarin mensen bereid zijn een betrekkelijk algemeen omschreven set normen en waarden te onderschrijven. De vraag naar de uitkomst van het democratisch gesprek wordt daarmee belangrijker dan de kwaliteit van dat gesprek zelf.

Als het dan vervolgens gaat over de vrijheid van onderwijs versterken het ongemak met de publieke rol van religie en een specifieke opvatting van goed burgerschap elkaar. Onderwijs op levensbeschouwelijke grondslag past dan niet alleen maar moeilijk in het beeld van het ontkerkelijkte Nederland, het schuurt bovendien met de conceptie van modern burgerschap als het onderschrijven van een aantal vooraf vaststaande, min of meer algemeen gedeelde waarden. Die kunnen immers, in theorie en praktijk, botsen op religieuze voorstellingen en ideeën.

Segregatie

In de discussie over de vrijheid van onderwijs ontstaat zodoende een tegenstelling tussen onderwijs op religieuze grondslag enerzijds en op niet-religieuze grondslag anderzijds. Die tegenstelling is in de Grondwet echter nergens als zodanig terug te vinden. Daarin gaat het om openbaar onderwijs enerzijds en bijzonder onderwijs anderzijds. Dat bijzonder onderwijs kan vervolgens katholiek, protestants of islamitisch zijn, maar ook montessori- of daltononderwijs. De gedachte dat vooral onderwijs op religieuze grondslag niet in een moderne samenleving past – onder meer omdat het onvoldoende bij zou dragen aan goede burgerschapsvorming – kleurt in hoge mate de discussie. Juist scholen op religieuze grondslag zouden kinderen op sluiten in ‘parallelle samenlevingen’ en hen onvoldoende toerusten voor de ‘moderne Nederlandse samenleving’. Het is echter de vraag waar die opvattingen precies op gebaseerd zijn.

Als het gaat om segregatie, signaleert de onderwijsinspectie in haar jaarlijkse rapportage over de staat van het onderwijs een al jaren groeiend probleem. Voor de kansen van kinderen op een goede schoolloopbaan, worden het inkomen en vooral het opleidingsniveau van de ouders steeds bepalender. Dat heeft zowel te maken met de mogelijkheid van hoogopgeleide en goed verdienende ouders te investeren in de ontwikkeling van hun kinderen, als met een verschil in mobiliteit. Onderwijssegregatie, zo stellen onderzoekers, is niet zelden een afgeleide van woonsegregatie. En waar het wat meer kapitaalkrachtige en goed opgeleide ouders nog wel lukt om kinderen iets verder van huis op een betere school te krijgen, is dat voor ouders met een smallere beurs die bovendien minder gemakkelijk hun weg vinden in het woud van keuzemogelijkheden en regelgeving vaak lastiger. Wat daarbij opvalt, is dat uit opvolgende jaargangen van de Staat van het onderwijs blijkt dat juist het onderwijs op levensbeschouwelijke grondslag naar verhouding het minst bijdraagt aan segregatie naar inkomen en opleidingsniveau. En dus juist het minst bijdraagt aan de vorming van die gevreesde parallelle samenlevingen.

Ook de gedachte dat een religieuze grondslag de gewenste burgerschapsvorming in de weg zou staan is moeilijk hard te maken. Het is een gegeven dat Nederlandse kinderen in internationaal vergelijkend onderzoek gemiddeld genomen niet goed scoren als het gaat om burgerschapsvaardigheden. De vraag in hoeverre dat mede veroorzaakt wordt door het feit dat ongeveer zeventig procent van de Nederlandse kinderen in de basisschoolleeftijd een bijzondere school bezoekt, is moeilijk te beantwoorden. Verschillende deskundigen betogen juist het tegendeel. In haar recente proefschrift over burgerschapsvorming in het islamitisch onderwijs kwam Marietje Beemsterboer tot de conclusie dat het islamitisch onderwijs in brede zin juist relatief goed scoort als het gaat om burgerschapsvorming. En in zijn pamflet Het Wilhelmus voorbij stelde onderwijskundige Bram Eidhof dat vooral de politieke verlegenheid in het omschrijven van heldere eindtermen en randvoorwaarden bijdraagt aan een matige ontwikkeling van het burgerschapsonderwijs.

Vraag is vervolgens of kinderen in het bijzonder onderwijs in potentie niet juist kunnen leren vanuit een eigen overtuiging deel te nemen aan het maatschappelijk gesprek en mede daardoor democratische vaardigheden trainen in plaats van voetstoots de uitkomst van dat gesprek te onderschrijven.

Eigenaarschap

Die laatste gedachte raakt aan de meest problematische kant van het hedendaagse debat over de vrijheid van onderwijs. Die vrijheid is niet zozeer de vrijheid van kerken of levensbeschouwelijke organisaties om scholen op eigen grondslag te stichten, maar van burgers om zich binnen grenzen te onttrekken aan de invloed van de staat. De vrijheid van onderwijs en de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs gaat, zoals Herman Tjeenk Willink onlangs in een scherpzinnig essay opmerkte, vooral om de erkenning dat de publieke ruimte niet slechts van de overheid is, maar vooral ook van de burger. Als het gaat om fundamentele vragen over de inrichting van zowel ons eigen leven als om de inrichting van de samenleving als geheel, zijn het uiteindelijk individuele burgers die het heft in eigen hand kunnen nemen. En dan niet alleen omdat zij, zoals Troelstra al stelde, hun kinderen niet naar een school willen sturen waar onderwijs gegeven wordt vanuit een mensbeeld dat ze niet delen, maar vooral ook omdat ze zelf medeverantwoordelijk willen zijn voor de verbinding tussen wat kinderen van huis uit meekrijgen en wat hen op school wordt aangeleerd.

Vanuit dat perspectief gaat de vraag naar de vrijheid van onderwijs vooral om de vraag naar eigenaarschap in het onderwijs. Van wie is eigenlijk de school? Juist die gedeelde verantwoordelijkheid van burger en overheid voor de inrichting van de publieke ruimte is de laatste jaren wat in het verdomhoekje terechtgekomen. Van betrokken burgers zijn mensen allengs meer klanten geworden, die een bepaalde dienst van de overheid afnemen. Maar onderwijs is geen dienst van de overheid aan zijn inwoners, maar een collectief goed waarvoor we met elkaar verantwoordelijkheid dragen. De ruimte om onderwijs binnen randvoorwaarden zelf vorm te geven maakt die verantwoordelijkheid ook tastbaar.

De wijze waarop we hieraan opnieuw vorm en inhoud geven zou in het maatschappelijk gesprek over de toekomst van de vrijheid van onderwijs meer centraal mogen staan. Nu komt dat nog altijd niet veel verder dan de heetgebakerde kift tussen voor- en tegenstanders van onderwijs op religieuze grondslag, een woordenstrijd waarin feiten en cijfers bovendien nogal eens het onderspit delven en waarin heel specifieke casussen soms worden veralgemeniseerd tot algemene problemen.

Het onderwijs in Nederland kampt ondertussen met de nodige problemen. Er is sprake van een aanzienlijk en groeiend tekort aan goed gekwalificeerde docenten. De ongelijkheid in kansen en uitkomsten neemt toe. Naar internationale maatstaven zijn Nederlandse kinderen minder geschoold in democratische vaardigheden. En uit recent onderzoek blijkt bovendien dat ook de relatief sterke taal- en rekenvaardigheden van Nederlandse kinderen gemiddeld genomen de laatste jaren zwakker worden. Dit alles noopt tot een fundamenteel debat over de organisatie, inrichting en financiering van ons onderwijs. Juist in dat debat zou de meerwaarde kunnen blijken van de vrijheid van onderwijs, tenminste wanneer de essentie daarvan voorop zou staan: dat de school in de eerste plaats een gemeenschap is waaraan leerlingen, docenten en ouders samen vorm en inhoud geven. Vanuit dat perspectief is de vrijheid van onderwijs niet alleen actueler, maar misschien ook wel belangrijker dan ooit tevoren.

Dit artikel verscheen afgelopen februari in VolZin. Magazine voor religie en samenleving.

CAS MUDDE: ‘THE TIMES THEY ARE A-CHANGIN’

i 2 november 2020 door en

De chef van de opinieredactie van The New York Times werd in juni ontslagen. Dat gebeurde nadat hij een opiniestuk plaatste van een Republikeinse senator. De senator bepleitte grootscheepse inzet van militairen om de orde te herstellen in Amerikaanse steden waar werd geprotesteerd tegen het politiegeweld tegen zwarte Amerikanen. Zwarte journalisten van de krant voelden zich bedreigd door het artikel, omdat zij door de federale troepen meerdere malen waren opgepakt en mishandeld. Achthonderd medewerkers van de krant eisten dat het dogma, dat de waarheid altijd ergens in het midden ligt, in de huidige politieke omstandigheden niet langer geldt. Het ontslag van deze chef leidde op de opiniepagina van de Volkskrant tot discussie over de vraag of deze krant een podium moet bieden aan columnisten die stem geven aan radicaal-rechtse ideeën.

Cas Mudde, politicoloog en internationaal erkend expert waar het gaat om radicaal-rechtse politiek, schrijft in zijn onlangs verschenen boek The far right today dat de Volkskrant en The New York Times meewerken aan het normaliseren van radicaal-rechtse ideeën door het vasthouden aan evenwicht, het aan beide zijden evenveel belang toekennen. In zijn boek onderzoekt hij ultra rechts en maakt hij onderscheid tussen extreem- en populistisch radicaal rechts. Vervolgens analyseert hij de respons van verschillende actoren op deze politieke bewegingen. Hij onderscheidt hoe gevestigde partijen, de media en bijvoorbeeld de vakbeweging op verschillende manieren reageren. Hij laat ook de gevolgen zien van het annexeren van radicaal rechtse ideeën.

De Nederlander Mudde geeft les aan de Universiteit van Georgia in Amerika en heeft een column in de Engelse krant The Guardian waarin hij schrijft over hoe radicaal rechts wereldwijd aan invloed heeft gewonnen door normalisering, in de media en door politici, van haar gedachtengoed. Hij schreef hierover in juni 2019 een artikel in het tijdschrift Socialisme&Democratie. Over deze kwestie en andere kwesties spreken we via Zoom met Mudde in de VS.

In uw laatste boek en in interviews stelt u dat onder andere de Volkskrant meewerkt aan het normaliseren van radicaal-rechtse xenofobie. De redactie van de Volkskrant zegt zelf haar lezers te willen informeren zodat zij zelfstandig tot meningsvorming kunnen komen. Is deze positie van de redactie houdbaar in deze tijd?
De reden dat ik de Volkskrant en The New York Times aanhaalde in mijn boek The far right today, is dat islamofobe stemmen niet alleen onderdeel zijn van de rechtse media zoals de Engelse The Times en in Nederland Elsevier, maar ook in kranten die zichzelf beschouwen als links en met name als anti-uiterst rechts. De Volkskrant heeft zich er altijd op voorgestaan dat ze een progressieve krant is. Het is hypocriet van de redactie en contraproductief om aan de ene kant een podium te geven aan uiterst rechts en aan de andere kant te zeggen dat uiterst rechts een grote bedreiging is voor de liberale democratie. Ik ben voor vrijheid van meningsuiting, maar ik vind niet dat uiterst rechts overal alles moet kunnen zeggen.

Derk Jan Eppink, nu lid van het Europese parlement voor Forum voor Democratie, schreef voor de Volkskrant. Martin Sommer schrijft er columns die in dezelfde lijn liggen. Wanneer de krant deze mensen een stem geeft, heeft dat niets te maken met een visie maar met mensen die een krant willen verkopen. Waarschijnlijk leeft het idee dat ze te links zijn en willen ze zo hun lezerspubliek uitbreiden. In het interview over mijn boek wilde de journalist steeds voorbeelden, want hij kon zich niet voorstellen wie er van de columnisten radicaal-rechtse stukken schreef. Op dit interview kreeg ik veel meer reacties dan andere interviews die ik heb gegeven. Wat voor mij het meest opmerkelijk was, was dat zoveel mensen niet konden zien dat er islamofobe en uiterst rechtse stemmen in de Volkskrant hebben gestaan.

Hoe verklaart u dat Volkskrantlezers niet herkennen wat rechtse journalistiek is?
Dat komt doordat Nederland verrechtst is op het gebied van opvattingen over moslims, maar ook omdat dat men anti-links is geworden. Dat is het effect van Fortuyn. Hij hamerde eindeloos op de linkse kerk en haar intolerantie. Als we het hebben over cancelcultuur dan begon Fortuyn daar al mee in 2001. Tegelijkertijd had hij het er eindeloos over hoe hij zelf werd gedemoniseerd.

Wat Trump hier in Amerika heeft gedaan sinds 2016, heeft Fortuyn in 2001 al gedaan in Nederland. Hij maakte islamofobie salonfähig. En vervolgens schoof dat steeds op, want ja, als het midden naar rechts schuift, dan moet uiterst rechts verder naar rechts schuiven. Als je ziet wat voor extreme dingen Wilders zegt over de islam en wat Baudet zegt over van alles, dat was twintig jaar geleden niet mogelijk. Maar dat hoeft niet zo door te gaan.

In veel westerse landen wordt Twitter gebruikt door ongeveer 2% van de bevolking en zo’n 80% van alle tweets wordt door 10% van de twittergebruikers verzonden. Veel journalisten wonen op twitter. Te veel journalisten herhalen wat op twitter staat als de mening van het volk. Politici reageren daar weer op. Er komt een kantelmoment, waarop men zich realiseert: dit is eigenlijk niet de zwijgende meerderheid, maar de stem van de schreeuwende minderheid.

In uw boek gaat een apart hoofdstuk over Gender. De Amsterdamse burgemeester Femke Halsema ligt constant onder vuur van De Telegraaf en op sociale media is zij onderwerp van vele haatberichten. Hoe verklaart u deze agressie?
Femke Halsema is de Hillary Clinton van Nederland. Wat ik daarmee bedoel is dat zij de personificatie is van de foute vrouw in de zin van dat ze succesvol, slim, uitgesproken en links is en uit Amsterdam komt. En over het algemeen staat ze voor wat ze zegt en krabbelt ze niet terug als er kritiek op haar is. Filosofe Kate Manne schrijft dat misogynie (vrouwenhaat) zich richt op vrouwen die hun plaats niet kennen. En dat zie je heel sterk bij Halsema, zij kent haar plaats als vrouw niet. Zelfs als zij erop wordt gewezen dat zij te ver is gegaan, neemt ze haar beslissingen niet terug. En dat is het allerergste voor de misogynist. Deze haat is niet nieuw, en niet exclusief voor uiterst rechts.

Hoe moet links reageren op die haatcampagne?
GroenLinks moet in ieder geval achter haar staan. Maar links moet haar daarbij niet ondermijnen door bijvoorbeeld te zeggen ”we staan volledig achter deze politica, maar wij zouden het anders hebben gedaan, ze heeft op zich gelijk”. Dat is geen verdediging. Haar afdoen als naïef, zeker door politici die de helft van haar politieke ervaring hebben, helpt niet. Misogynie is weer wijder verspreid geraakt. Hope not hate, een antiracistische organisatie in Londen, heeft net een onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat een kwart van de jonge mannen feminisme niet alleen als negatief ziet, maar als doorgeschoten. Dat is het sentiment waar Thierry Baudet zich op richt en daarom zitten er veel jonge mannelijke studenten bij zijn toespraken. Dat soort van nieuwe misogynie onder jongere mannen is iets wat potentieel heel gevaarlijk kan zijn, omdat deze mannen zich machteloos voelen tegenover machtige vrouwen. De jonge generatie mannen die in grote getallen opgroeit met vrouwen die succesvoller zijn op school, aan de universiteiten en later ook in hun eerste banen, in ieder geval tot het moederschap, zien zichzelf als een slachtoffer van doorgeschoten feminisme. En slachtoffers, mensen die denken dat ze slachtoffer zijn, kunnen daders van geweld worden.

Waardoor wordt deze manier van denken veroorzaakt?
We gaan er veel te veel van uit dat er één principe bestaat ter verklaring van de werkelijkheid. Het gebruikelijke discours is veel te monistisch. Dat geldt in Nederland voor autochtonen versus allochtonen. In heel veel zaken hebben beide groepen veel meer gemeen met elkaar dan dat ze verschillen. We moeten daarom naar een pluralistisch verhaal waarin we verschillende groepen en verschillende identiteiten betrekken. We hebben allerlei identiteiten en als je dat accepteert dan zie je dat je soms de tegenstander van iemand bent, maar in andere zaken een medestander van dezelfde persoon. Door het pluralisme te herkennen in de samenleving ontstaat er ruimte voor.

In de gesprekken over de Black Lives Matter-beweging spreekt men in Nederland voornamelijk over zwart en wit. Het gesprek gaat niet over meerdere identiteiten. Hoe kijkt u hier tegenaan?
Dat heb je hier in de VS ook. Het gaat hier veel meer over African-Americans dan over Hispanics. In Europa, maar ook in Amerika, werd tot voor kort heel weinig gesproken over zwarte belangen en zwarte groepen. Ik zie het gebruik van ‘zwart’ als een breekijzer voor erkenning van institutioneel racisme. Eén groot breekijzer in plaats van allemaal kleine naaldjes.

U woont en werkt al geruime tijd in de VS in Athens, Georgia. Hoe verklaart u de breedte van de Black Lives Matter-beweging in de VS (zwarten, witten, feministen, jongeren, moeders, huurders)? Hoe beleeft u dit en hoe leeft dit bij uw studenten?
De recente presidentscampagne van de Democraat Bernie Sanders was veel diverser dan zijn campagne in 2016. Hij heeft daar hard aan gewerkt. Maar hij verloor uiteindelijk toch op basis van de African-American-vote, en dat was primair de oudere zwarte stem. Binnen de zwarte beweging is er een duidelijke generationele kloof. De Black Lives Matter beweging op straat is een jongere en progressieve opstand. De demonstraties kwamen op een heel specifiek moment. Na enkele maanden waarin mensen thuis opgesloten zaten door het coronavirus en de straat op wilden. Maar ook op het moment dat de Sanders-campagne eindigde doordat Biden de Democratische kandidaat werd. Zij zagen Black Lives Matter deels als een voortzetting van hun strijd. Het is ook iets wat gegroeid is, het is de derde of vierde golf van dezelfde protesten.

In mijn collegestad Athens ben ik naar een paar demonstraties geweest en ik zag ontzettend veel jonge witte vrouwen en mannen met Black Lives Matter posters. Het is duidelijk dat BLM grote groepen aanspreekt. Dat heeft te maken met Trump en het is een verkiezingsjaar. Voor veel mensen kwam dit samen in de demonstraties. Je ziet nu wel frustratie bij zwarte activisten, onder andere in Portland, die vinden dat de demonstraties zijn gehackt door blanken, die er een antifascisme of anti-Trump beweging van maken. Tegelijkertijd wordt zo’n beetje iedereen die meedoet aan demonstraties tegen Trump als Black Lives Matter activist gezien.

In Nederland is ook een grote opleving geweest van de Black Lives Matter-beweging. Is dat te vergelijken met wat in de VS gebeurt?
De geschiedenis is heel anders. We praten hier over institutioneel racisme waarop de staat gefundeerd is. Dat is anders in Europa, ondanks dat men in verschillende Europese landen ook al minimaal 65 jaar discriminatie kent. Slavernij wordt in Europa als extern ervaren, terwijl dat in Amerika niet zo is. Als je in Amerika praat over slavernij dan is dat iets wat hier heeft plaatsgevonden. Je woont tussen de mensen wiens voorouders daar het slachtoffer van waren en wiens voorouders daar de daders van waren. In Nederland lijkt het veel abstracter. De VOC is heel wat anders dan The Confederacy. De zwarte beweging wordt hier ervaren als een onderdeel van de civil rights movement (de beweging die in de jaren 50 en 60 naar gelijke rechten voor zwarte Amerikanen streefde). Verder zijn de gediscrimineerde groepen in Europa procentueel veel kleiner. African-Americans vormen 13% van de bevolking, in mijn staat zelfs een derde van het aantal inwoners.

In Socialisme&Democratie van juni 2019 schreef u: ‘Waarden die na de oorlog het gezond verstand vertegenwoordigden en die gemeengoed waren onder Europeanen – voordat drie decennia neoliberale ideeën en politiek ze steeds verder uitholden. De enige weg omhoog voor de sociaal-democratie is ervoor te zorgen dat deze waarden weer een dominante plaats krijgen’. De ongelijkheid op het gebied van vermogen, gezondheid, onderwijs en wonen is de laatste jaren in Nederland enorm toegenomen. In een column in The Guardian ziet u kansen voor Biden door de COVID-19 crisis. ‘The times they are a-changin’, schrijft u daar. Ziet u ook in Nederland (en Europa) mogelijkheden voor links om meer macht te vergaren om de ongelijkheid terug te dringen?
Europa loopt mijlen achter op Amerika in progressieve politiek, dat komt deels omdat Amerika mijlen achterloopt op progressief beleid van Europa. In de VS strijden de progressieven voor dingen die normaal zijn in Europa. De medische zorg is het belangrijkste punt van de Sanders-beweging en dat is in Europa in de meeste landen al decennia beleid. Maar in Europa praat men nog steeds weinig over sociale en economische ongelijkheid, terwijl die ongelijkheid tegelijkertijd toeneemt.

Een electorale heropleving kan pas plaatsvinden wanneer sociaal-democraten de uitgangspunten van de neoliberale samenleving met succes aanvechten en daarvoor hun eigen ideeën van gelijkheid en solidariteit in de plaats weten te stellen. Het project voor herstel van de culturele hegemonie van sociaal-democratische ideeën vereist dat ook mensen van buiten de bestaande politieke partijen worden gemobiliseerd.

Ik denk dat er een nieuwe generatie linkse activisten is in de hele wereld, ook in Europa en Amerika, die primair opereert buiten de sociaaldemocratische partijen. Ik denk dat dat goed en belangrijk is. Momenteel is de meeste energie rond het thema milieu. Voor de sociaaldemocratie is het belangrijk om milieu met economische ongelijkheid te verbinden. Klimaatpolitiek moet vormgegeven worden door een ideologische visie te formuleren. Voor mij staat in een sociaaldemocratische visie altijd ongelijkheid centraal, met name economische ongelijkheid.

Ook sociaaldemocratische visies op multiculturalisme en Europa moeten nog grotendeels geformuleerd worden. Ik zie te weinig interessant denkwerk bij sociaaldemocraten. Maar, ook niet bij christendemocraten en liberalen. Die zijn gewoon aan de macht. Rutte geeft Nederland, laat staan Europa niet daadwerkelijk vorm. Hij duwt wat voort. Europa zit in een ideologisch vacuüm, dat deels wordt ingevuld door rechtse populisten. Terwijl de angst voor Poetin en Trump juist een nieuwe behoefte aan een sterker Europa creëert. Maar ik ben ook enigszins positief. Ik zie meer debat. Debatten over gelijkheid, over multiculturalisme en het gemak waarmee dat wordt herkend als kracht bijvoorbeeld, daar zijn de Amerikanen verder in. Als ik de VS en Europa vergelijk, dan zie ik geen AOC (Alexandria Ocasio-Cortez) in Nederland.

Dit interview verschijnt in Tijd en Taak, november 2020.

Banning Leergang Klimaatpolitiek: digitaal in april/mei 2021.

i 2 juni 2020 door

De Banning Leergang over sociaaldemocratische klimaatpolitiek wordt in verband met de maatregelen vanwege COVID-19 uitgesteld tot het voorjaar. In onderstaand overzicht zijn de nieuwe data ingevoegd. Omdat de maatregelen vooralsnog in stand zullen blijven, organiseren we de leergang dit jaar digitaal.

‘Het meest elementaire mensenrecht, is dat je je gerustgesteld en beschermd voelt’, schreef de Franse antropoloog en wetenschapsfilosoof Bruno Latour in zijn essay Waar kunnen we landen? over politiek in tijden van klimaatverandering. Juist dat gevoel van veiligheid en geborgenheid staat naar zijn analyse onder druk. De vraag hoe mensen in tijden dat de gevolgen van de opwarming van de aarde zowel zichtbaarder worden als zwaarder gaan wegen opnieuw gerustgesteld en beschermd kunnen worden, is voor een politieke stroming die ‘zekerheid’ centraal stelt urgenter dan ooit.

Tegelijkertijd is de weg naar een sociaaldemocratische klimaatpolitiek niet zonder hobbels. Want waar hebben we het eigenlijk over? Wat verstaan we onder ‘klimaat’? Wat kunnen we doen en zijn we daar niet al veel te laat mee? Hoe zorgen we ervoor dat klimaatpolitiek bestaande ongelijkheid niet nog verder vergroot? En hoe ontwikkelen we een klimaatpolitiek waarin mensen durven te geloven? Het zijn vragen die verder gaan dan het huidige debat over ‘duurzaamheid’. Dat enerzijds vooral gaat over wat we zelf kunnen doen en daarmee wat blijft steken in goede bedoelingen. En dat anderzijds nogal technisch van aard is, terwijl we toch vooral ook politieke – en dat wil zeggen: morele – keuzes moeten maken.

Met vier vooraanstaande sprekers gaan we op zoek naar antwoorden. Vanwege de voortdurende maatregelen vanwege Covid-19 is de leergang dit jaar digitaal. Deelname is daarom kosteloos, maar het aantal plaatsen is beperkt. De avonden beginnen om 19.00u en duren tot (ongeveer) 21.00u. Aanmelden kan alleen via e-mail: info@banningvereniging.nl. De leergang is erkend als officieel onderdeel van het scholingsaanbod van de Partij van de Arbeid, maar staat open voor iedere belangstellende. Ter voorbereiding worden telkens een of twee teksten aan deelnemers toegezonden.

Programma

Woensdag 7 april 2021: Onze aarde onder druk
Spreker: Heleen de Coninck, hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven en universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze was een van de auteurs van het in 2018 verschenen rapport van het IPCC over hoe de temperatuurstijging te beperken is tot maximaal anderhalve graad. Een uitvoerig interview met Heleen de Coninck is te vinden in het themanummer klimaatpolitiek van Tijd en Taak.

In de openingsbijeenkomst van de Banning Leergang 2020 verkennen we de problematiek met een van de vooraanstaande internationale experts op het gebied van klimaat, energie en innovatie. Hoe staan we ervoor, wat gebeurt er eigenlijk als we de opwarming van de aarde niet weten te beperken tot anderhalve graad, waar liggen risico’s en kansen. En op welke manier vinden we sociaaldemocratische antwoorden op de uitdagingen waar we voor staan?

Dinsdag 20 april 2021: Denken over het antropoceen
Spreker: René ten Bos, hoogleraar filosofie van de managementwetenschappen aan de Radboud Universiteit en tussen 2017 en 2019 denker des vaderlands. Ten Bos schreef in het drieluik Dwalen in het antropoceen, Het volk in de grot en Extinctie uitvoerig over zowel de complexiteit van het denken over het klimaat als over het politieke en maatschappelijke debat erover. Ten Bos pleit in zijn werk vooral voor het loslaten van voorbarige zekerheden. Hoe verhoudt zich dat tot de wens van politici hun kiezers een helder omlijnd toekomstperspectief te schetsen?

In de tweede bijeenkomst van de leergang verkennen we de complexiteit van het vraagstuk. In zijn werk trekt Ten Bos alles wat we weten of denken te weten in twijfel, opent hij al zoekend nieuwe perspectieven en schetst hij een beeld van een nieuwe, ondoorzichtige realiteit waarin we niet alleen moeten leren leven, maar die ons ook de vraag opdringt wie of wat ‘de mens’ eigenlijk is.

Maandag 3 mei 2021: Kiezen voor klimaatpolitiek
Spreker: Sarah de Lange, J.M. den Uyl-hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur. In haar onderzoek staan nieuwe breuklijnen in de samenleving centraal waar de sociaaldemocratie zich toe te verhouden heeft. Ook doet De Lange onderzoek naar de vraag hoe de sociaaldemocratie reageert op de opkomst en het succes van radicaalrechts-populistische partijen én groene en sociaalliberale partijen in Nederland en daarbuiten.

Op de derde avond staat de vraag centraal of een verbindende, sociaaldemocratische klimaatpolitiek eigenlijk wel mogelijk is. Is een electoraat te overtuigen van een dergelijke politiek, of is de (natuurlijke) achterban van de sociaaldemocratie daarvoor veel te verdeeld over het vraagstuk. Of liet de campagne van Frans Timmermans bij de Europese verkiezingen van 2019 zien dat een campagne die klimaatpolitiek centraal stelt juist wel succesvol kan zijn?

Maandag 17 mei 2021: Effectieve klimaatpolitiek
Zoals de laatste jaren gebruikelijk sluiten we de leergang af met een interview. Dit keer spreken we met Marjan Minnesma, directeur van Urgenda. In haar Banning Lezing liet ze in februari al zien langs welke lijnen een effectieve klimaatpolitiek te ontwikkelen valt. Met haar gaan we in gesprek over de (politieke) mogelijkheden en onmogelijkheden, over de verhouding tussen recht, maatschappelijk activisme en politiek en het belang van een snel en effectief politiek handelen.

Aanmelden voor de leergang kan voorlopig alleen via e-mail: info@banningvereniging.nl. Wacht niet te lang, want het aantal plaatsen is beperkt. Meer informatie? Neem gerust contact op met Maarten van den Bos via info@banningvereniging.nl. Let op! Waar de bijeenkomsten normaliter altijd op woensdag plaatsvinden, zij drie van de vier avonden deze keer op de dinsdag.

Zonder mensen gaat het niet. Reactie op Lodewijk Asscher

i 11 mei 2020 door

Essays, zo is wel eens opgemerkt, zijn eigenlijk een dikker soort brieven aan vrienden. Ik heb dat altijd wel een mooi uitgangspunt gevonden, al was het maar omdat elke proeve op schrift daarmee een uitnodiging is om ook terug te schrijven. Lodewijk Asscher publiceerde onlangs een prachtig essay over de toekomst na de corona-crisis. Het is een mooi stuk, dat inspireert en uitdaagt. Maar dat ook een onuitgesproken risico in zich draagt. Een reactie.

We staan voor een aantal fundamentele keuzes. Het tijdperk waarin ‘de markt het doel was, het individu de oplossing en de overheid het probleem’ loopt op zijn einde, schrijft Asscher. Oude recepten zijn uitgewerkt, nieuwe moeten nu geschreven worden. En met de uitbraak van de Corona-epidemie is dat alleen maar urgenter geworden. Het is zaak opnieuw na te denken over de wereld van morgen. Juist nu.

In de opening van zijn essay refereert Asscher aan de hoop en verwachting die na de Tweede Wereldoorlog de motor was achter de wederopbouw. Een periode die gedragen werd door de gedachte dat een betere wereld ook mogelijk was. Dat we met elkaar een nieuw begin kunnen maken. Het was dit gevoel van hoop en verwachting dat ook aan de basis stond van de nieuwe Partij van de Arbeid. De partij nam een grote diversiteit aan mensen en meningen in zicht op. Maar zij wisten zich, zo memoreerde dominee Willem Banning in zijn toespraak tot het stichtingscongres van de partij in februari 1946, verbonden door ‘de wil tot sociale gerechtigheid en vrijheid’ en ‘het vaste voornemen om samen een nieuw begin te maken’. [1]

Het is opvallend hoezeer – onbedoeld en onbewust waarschijnlijk – dezelfde thematiek opnieuw weerklinkt. Het socialisme, stelde Banning, wilde bouwen aan een samenleving waarin iedereen zich in gelijke mate zou kunnen ontplooien. Omdat het uitging van de persoonlijke waarde van ieder mens. Het was onverbrekelijk verbonden met de democratie en zag de diversiteit van de Nederlandse samenleving niet als een gevaar of zelfs een gegeven, maar als een bron van kracht en vooruitgang. Het erkende dat bezitsverhoudingen niet heilig zijn, maar dat daarin ingegrepen moet worden als dat voor het algemeen welzijn nodig is. Het is een lijn van denken die ook in het essay van Asscher terug te vinden is. Toch is er ook een verschil en over dat verschil gaat deze reactie. Want waar Banning zijn visie op de sociaaldemocratie grondvestte op een uitgewerkt beeld van mens en samenleving, is juist dat in het essay van Asscher nog wat onzichtbaar.

Besmettelijke ongelijkheid
De wereld staat voor een viertal crises: een gezondheidscrisis, een economische crisis, een sociale crisis en een klimaatcrisis. En de ene crisis het hoofd bieden zonder de andere te adresseren is als het monteren van één reservewiel op een auto waarvan vier banden lek zijn. Dan kom je dus niet verder. Bovendien ziet Asscher door de verschillende crises heen een belangrijke constante: de toenemende ongelijkheid in de wereld, die bovendien ‘besmettelijk’ is. ‘Landen en bedrijven concurreren nu met elkaar in een race naar beneden in belasting en bescherming.’

Asscher staat in die analyse niet alleen. De Franse econoom Thomas Piketty opende zijn recente boek Kapitaal en Idologie met de constatering dat ‘het ook heel moeilijk is om oplossingen te vinden voor de andere grote problemen waarmee de wereld zich geconfronteerd ziet, om te beginnen de klimaatverandering en de migratie, wanneer we er niet tegelijkertijd in slagen die ongelijkheid terug te dringen en tot een norm van rechtvaardigheid te komen die voor een grote meerderheid aanvaardbaar is’. Deze ongelijkheid was in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, zeker in West-Europa, enigszins teruggedrongen, maar is in de jaren tachtig en negentig opnieuw enorm toegenomen. [2]

Zonder een fundamentele correctie op de toenemende ongelijkheid – zowel in Nederland als in de wereld – zijn de enorme uitdagingen waar we voor staan dus niet op te lossen. En die oplossing is wel nodig. Want zonder basale vormen van bestaanszekerheid is het opbrengen van onderlinge solidariteit en samenwerking voor veel mensen een onmogelijke opgave. En zonder internationale solidariteit kan Europa niet functioneren als de unie die we in een steeds complexer wereld wel nodig hebben. En zonder de wetenschap dat we de overgang naar een schone energie- en warmtevoorziening samen zullen moeten maken, is die overgang, nodig om onze wereld van de ondergang te redden, per definitie onmogelijk.

Juist daarom komt Asscher terecht met een heel aantal grote en kleine maatregelen. Soms expliciet, soms wat meer terloops, maar telkens vanuit de wetenschap dat de politiek het verschil kan maken en dat een sterke overheid en actieve publieke sector niet het probleem zijn, maar het begin van elke oplossing.

En dat is mooi. Het is goed dat Asscher onderkend dat de machteloosheid van generaties politici – ervan overtuigd dat zich aanpassen aan dwingende economische en electorale omstandigheden het hoogst haalbare was – van eigen makelij geweest is. Wie de recente geschiedenis analyseert, kan niet tot een andere conclusie komen dan dat vooruitgang en voorspoed nooit vanzelfsprekend waren. Ze zijn altijd het resultaat van strijd, van hard werken, van de verbeeldingskracht nodig om te onderkennen dat wat nu is niet noodzakelijkerwijze morgen ook zo hoeft te zijn.

De uitkomst van die verbeeldingskracht is – in de kortst mogelijke samenvatting van Asschers essay – een nieuw sociaal contract tussen overheid en burger. En dat is hoog nodig. Maar een werkbaar contract vraagt twee tekenende partijen. En daar wringt de schoen – bij alle waardering – toch een beetje. Want waar er veel woorden zijn voor de overheid, daar komt de burger er toch wat bekaaid van af. Die mag zich wentelen in de collectief geboden bestaanszekerheid, kan zichzelf ontwikkelen en ontplooien, ademt schone lucht in een mooie wereld en heeft verder weinig klagen meer. Maar beschouwen we mensen dan niet toch nog te veel als consumenten van al het goede dat een sociaaldemocratisch gestuurde overheid hen te bieden heeft? En doen we hen daarmee dan niet tekort? Belangrijker: handhaven we dan niet het mensbeeld van de ideologische tegenstander? Kort en goed: waar blijft de burger, de inwoner, de mens in het sociaaldemocratisch perspectief op de toekomst?

Neoliberale mensbeelden
Asscher stelt met recht dat het dominante neoliberale denken van de afgelopen jaren geen oplossingen biedt voor de grote uitdagingen van vandaag en morgen. Even voorbijgaand aan het gegeven dat ik dat van harte met hem eens kan zijn, moeten we wel vaststellen dat het neoliberalisme meer was en is dan de gedachte dat ‘meer markt’ de oplossing is voor alle problemen. Wat we vandaag de dag aanduiden met het begrip ‘neoliberalisme’ was meer dan de economische paragraaf uit het verkiezingsprogramma van Reagan en Thatcher. De Franse filosoof Michel Foucault wees er in een nog altijd indrukwekkende serie lezingen uit 1979 al op dat er meer op het spel stond. Het ‘hedendaags’ of ‘modern’ liberalisme ging niet zozeer om het bevrijden van de economie van inmenging of bemoeienis van de overheid, maar om het opdringen van het model van de markteconomie aan alle onderdelen van het leven. Het was niet alleen een economische theorie, maar vooral ook een opvatting over mens en samenleving, met als essentie dat de markt het beste regulerende principe is voor alle intermenselijk verkeer. [3]

Die gedachte is de afgelopen dertig jaar zo dominant geworden, dat we haar te weinig herkennen als richtinggevend principe. We zijn er met elkaar zo van doordrongen geraakt dat alles een prijs heeft, dat we ons zelden nog afvragen wat ergens nu precies de waarde van is. Van vrijwel alles kennen we de prijs, omdat veel in onze samenleving een transactie geworden is. Een vraag van voor wat hoort wat. Het wordt pas problematisch als we de prijs niet kennen, want dan is het in de logica van vandaag de dag uiteindelijk ook niets waard. [4]

Een bijkomend probleem van dit transactie-denken is, zoals Asscher ook wel signaleert, dat we succes en falen zijn gaan zien als iets waarvoor mensen in essentie zelf verantwoordelijk zijn. We leven in een tijdperk van verantwoordelijkheid. [5] Of het nu gaat om geluk of tegenslag, succes of falen, uiteindelijk is het de schuld van mensen zelf. En hoewel we instinctief weten dat dit mensbeeld niet het onze is, heeft links het de afgelopen jaren meer bevestigd dan bijgesteld. Bijvoorbeeld door er, met de beste bedoelingen, voortdurend op te wijzen dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin de wetmatigheid dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor succes en falen niet opgaat. Economische omstandigheden, gezondheidsproblemen, sociale achterstanden. Van alles is er opgetuigd om achterstanden weg te werken. Maar de kern van het probleem werd daarmee niet opgelost. Want met het onderkennen dat sommige mensen op bepaalde momenten geen schuld hebben aan hun eigen ongeluk komt ook de erkenning dat dit normaliter wel het geval is. En zo blijft het beeld van de zelfredzame, mondige, moderne burger in stand. De ander is de regel bevestigende uitzondering.

Terwijl we diep in ons hart eigenlijk wel weten dat het anders is. Dat mensen inherent kwetsbaar zijn. Dat we het nooit alleen kunnen, maar altijd anderen nodig hebben. Steker nog, dat mensen eigenlijk pas echt zichzelf zijn in relatie tot anderen. Dat mensen niet aangezet hoeven te worden tot sociaal en maatschappelijk verantwoord gedrag, maar dat ze dat uit zichzelf al doen. Dat we geen participatieverklaring nodig hebben om erbij te willen horen, noch om mee te kunnen doen.

Wanneer de sociaaldemocratie al te zeer meegaat in het mantra van eigen verantwoordelijkheid en geen eigenstandige analyse weet te ontwikkelen van mens en samenleving is het nieuwe sociaal contract tussen overheid en burger niet in evenwicht. De zoektocht van de sociaaldemocratie naar nieuwe vormen en gedachten sinds de jaren tachtig werd bemoeilijkt door twee problemen. Ten eerste de al besproken gedachte dat grote economische en electorale bewegingen niet te keren vielen, als waren het natuurwetten waaraan het eigen denken slechts aangepast kon worden. Realiteitszin als mantra. Ten tweede een gebrekkig besef dat gemeenschap lange tijd een sociaaldemocratisch kernbegrip was en dat een nieuwe visie op de economische orde ook een nieuwe visie op de samenleving nodig heeft. Het ene, zo leerde de sociaaldemocratie al in de jaren dertig van onder andere Willem Banning, kan niet zonder het andere. Maar die lessen vervlogen in een tijd dat gemeenschap iets leek van burgerlijkheid, spruitjeslucht en paternalisme. [6]

Personalistisch socialisme
In 1995 hield Wim Kok onder de titel Wij laten niemand los een inmiddels beruchte rede over de toekomst van de sociaaldemocratie. Die ene bijzin over het afschudden van ideologische veren kleurde ten onrechte de receptie van de rede. Want als je de – overigens door Bram Peper geschreven – tekst naast het essay van Asscher legt, zie je opvallend veel overeenkomsten. In beide gevallen lees je een pleidooi voor een actieve en sterke publieke sector, voor bestaanszekerheid voor iedereen, voor een sterke overheid die het (ruimtelijk) aangezicht van Nederland mag en moet bepalen, voor Europese solidariteit en samenwerking. Maar ook in rede van Kok is de burger betrekkelijk ver weg. Ondanks een kritiek op doorgeschoten individualisme en consumentisme wordt de vraag wie we samen willen zijn niet gesteld. En dus ook niet beantwoord.

Het is natuurlijk een gerechtvaardigde vraag of politieke partijen zich moeten willen wagen aan een denken dat meer omvat dan de manier waarop zij het bestuur willen organiseren. Toch denk ik dat juist dit meer dan ooit nodig is. Politiek wordt steeds sterker vereenzelvigd met bestuur en belangenbehartiging, terwijl het toch ook gaat over de vraag hoe we met elkaar vormgeven aan de ordening van de samenleving? [7] Bovendien heeft het neoliberale transactie-denken ook zijn invloed op het democratisch bestel niet gemist. De Franse filosoof Marcel Gauchet constateerde eerder al een verschuiving in de ‘grondtoon’ van de democratie. Van de gezamenlijke uitoefening van politieke macht door burgers is zij steeds sterker verworden tot het waarborgen van de rechten en belangen van individuen. [8] Het is de bredere basis van een voor-wat-hoort-wat politiek waarin voor ieder deelbelang een eigen partij voorhanden is.

In zijn in de oorlogsjaren geschreven en na de bevrijding gepubliceerde schets van een personalistisch socialisme wees Banning er – in lijn met publicaties uit de jaren dertig – al op dat socialisme meer moest willen zijn dan een theorie over de economie en dat een democratisch-socialistische partij niet versmald moest worden tot een beweging voor arbeidersrechten en een hoger loon. In 1953 kwam Banning tot een aantal richtinggevende stellingen voor de toekomst van de sociaaldemocratie. Hij noemde twee essentiële uitgangspunten. Het eerste was dat ‘een reconstructie van de eigendoms- en sociale verhoudingen’ de kern van sociaaldemocratische politiek was en bleef. Ongelijkheid terugdringen, maar dan wel op alle denkbare vlakken. In inkomen, maar ook in toegang tot cultuur, werk en onderwijs. Zonder fundament van bestaanszekerheid kunnen mensen geen verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en de samenleving. In de tweede plaats kon ‘de socialistische beweging’ slechts dan ‘de concentratie van alle creatieve krachten op politiek terrein’ zijn, ‘indien zij volledig ernst maakt met het beginsel van geestelijke pluriformiteit’. De sociaaldemocratie moest zich willen laten voeden door verschillende overtuigingen en mensen met een brede waaier aan achtergronden waren welkom. En had vervolgens uit die waaier van opvattingen ook zelf een beeld te destilleren van de samenleving die haar voor ogen staat.

Beide uitgangspunten vonden elkaar in een personalistisch socialisme, dat uitging van de gedachte dat mensen altijd welbewust onderdeel wilden zijn van een gemeenschap, zich daardoor beschermd en gedragen weten, in alle verschillen iets van gezamenlijkheid en overeenkomst herkennen en daarom ook uit zichzelf bereid zijn zich voor diezelfde gemeenschap in te spannen. Juist dat beeld, van mensen die mits zij zich geborgen en gedragen weten, ten volle bereid zijn zich in te zetten voor hun lokale, nationale en ook internationale omgeving kan het rijke betoog van Asscher verder verdiepen. Want als de sociaaldemocratie niet in staat is zich los te maken van het mantra van de eigen verantwoordelijkheid, van het neoliberale transactie-denken dat aan alle intermenselijk verkeer een prijskaartje wil hangen, van het beeld van de calculerende burger die zich met liefde wentelt in de beschermende mantel van de overheid zolang hem dat noch wat kost noch beperkingen oplegt, dan zijn we nog weinig opgeschoten.

Morele vraagstukken
De Partij van de Arbeid moet niet alleen breken met de gedachte dat de tijd van de grote overheid gedaan is en dat we ons allemaal zullen moeten aanpassen aan de moderne tijd waarin de markt de maat van alle dingen is, maar juist ook met de gedachte dat morele vragen over mens en samenleving geen onderdeel zouden moeten zijn van het publieke en politieke debat. Een echte waardengedreven politiek gaat juist ook over die vraagstukken die meer omvatten dan inkomensverdeling en koopkrachtplaatjes.

Want juist die vragen dringen zich onmiskenbaar op. Ik noem, ter afronding, drie centrale belangrijke vraagstukken:

  1. Onzekerheid wordt steeds meer een gegeven. De geopolitieke situatie in de wereld en de fundamentele onvoorspelbaarheid van klimaatverandering maken dat we met elkaar een modus zullen moeten vinden om met een fundamenteel gevoel van onzekerheid om te gaan. Klimaatverandering vraagt om het zoeken naar radicaal nieuwe arrangementen. De overheid, op lokaal, nationaal en Europees verband, kan de onzekerheid die daarbij hoort altijd maar deels wegnemen. [9] Sociaaldemocratische politiek is nooit een politiek van illusies geweest en moet dat ook niet willen worden. Zoals Marjan Minnesma in haar recente Banning Lezing al liet zien, is klimaatpolitiek altijd ingewikkeld en onzeker. Het enige dat meer onzekerheid en gevaar genereert is echter niets doen. De kernvraag is dan ook hoe we mensen wapenen tegen onzekerheid. Die kan cynisch maken, een terugtrekken op eigen erf achter hoge hekken en muren veroorzaken, of juist aanzetten tot handelen. Tot een vol goede moed voortgaan op soms nog ongebaande paden. Daar is vertrouwen voor nodig. Vertrouwen dat we er bij tegenslag en teleurstelling samen voor willen staan.
  2. Het oplossen van publieke armoede vraagt een offer van private rijkdom. We zullen als mensen op ten minste twee samenhangende manieren ons leven moeten willen veranderen. De afgelopen jaren is steeds zichtbaarder geworden dat private rijkdom zich een op een vertaalt in publieke armoede. Dat betekent dat we allemaal, en dus niet alleen de rijke bovenlaag of het grote bedrijfsleven, bereid zullen moeten zijn bij te dragen aan de wederopbouw van de publieke sector, kunst en cultuur, onderwijs en zorg. Willen we in der daad zeker kunnen zijn van een publieke sector die er is voor iedereen, dan moeten we daar ook naar draagkracht aan willen bijdragen. Daarnaast is het onontbeerlijk dat we ook individueel onze manier van leven meer in lijn brengen met de draagkracht van de Aarde. Er is geen toekomst voor zielloze consumptie en sociaaldemocratische politiek mag daar wat van vinden, paternalisme of niet. Het ging en gaat ons immers om de kwaliteit van het bestaan. [10]
  3. Ten slotte, maar niet minder belangrijk, is een samenleving waarin er voor iedereen een plek is een samenleving gegrondvest op een actief pluralisme. Bij de oprichting van de Partij van de Arbeid was het een uitgangspunt, verankerd in het beginselprogramma, dat iedereen ongeacht levensbeschouwelijke of politieke achtergrond die bereid was zijn of haar opvattingen over het goede leven in het publiek debat naar voren te brengen gehoord zou worden. Op basis van programmatische overeenstemming, met respect voor verschillen, kon dan gebouwd worden aan een nieuwe samenleving. Een sociaaldemocratie die iedereen eerst in dezelfde mal wil dwingen verloochent haar eigen ontstaansgeschiedenis.

Het zijn de grote vragen van vandaag die vragen om een moreel, ja levensbeschouwelijk geladen antwoord. Een nieuw verhaal voor de sociaaldemocratie is nodig. En dat moet gaan over ongelijkheid. Over de rol van de overheid en de nieuwe economische orde. Over klimaat en energie. Over de kracht van visionaire politiek en debat over morele en ethische afwegingen. Over de vraag hoe we onszelf zien, als mensen zoekend in een wereld die van de ene op de andere dag onze fundamentele kwetsbaarheid en onderlinge afhankelijkheid andermaal bewezen heeft.

Verwijzingen:
[1] Citaten van Willem Banning zijn afkomstig uit mijn boek Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers (Hilversum: Verloren, 2019). Veel van de hiernavolgende gedachten zijn gebaseerd op hoofdstuk 5 uit het boek, waarin de actualiteit van het denken van Banning voor de PvdA besproken wordt. Een vergelijkbare kritiek aan de hand van Banning zoals die hier ontwikkeld wordt, werd eerder geformuleerd door politiek filosoof Rutger Claassen in reactie op het (toen nog) concept-beginselmanifest van de PvdA dat in 2005 door het congres werd aangenomen: ‘Wat zou Banning van het Beginselmanifest vinden?’, Socialisme en Democratie (2004): http://www.rutgerclaassen.nl/wp-content/uploads/2011/02/Claassen-Banning-en-beginselmanifest.pdf.
[2] Thomas Pikketty, Kapitaal en ideologie (Amsterdam: De Geus, 2020), citaat op 33.
[3] Michel Foucault, De geboorte van de biopolitiek. Colleges aan het College de France (1979) (Amsterdam: Boom, 2013).
[4] Deze analyse is voornamelijk gebaseerd op Mariana Mazzucato, The Value of Everything. Making and Taking in the Global Economy (Londen: Pinguin Books, 2019). Voor een inspirerende toepassing van het denken van Mazzucato, vgl. het winnende essay voor de Banning Prijs 2020 van de hand van Camille Creyghton: https://www.banningvereniging.nl/site/wp-content/uploads/2020/02/Taal-tijd-en-waarde.pdf.
[5] Yascha Mounk, The Age of Responsibility. Luck, Choice, and the Welfare State (Cambrigde: Harvard University Press, 2017). Voor een verdere toelichting bij het hiernavolgende mijn essay: ‘Verantwoordelijkheid is het woord niet’ in Socialisme en Democratie: https://www.wbs.nl/publicaties/klaar-met-weg-met-ons-2.
[6] Veel van deze en hiernavolgende gedachten zijn gebaseerd op mijn artikel over de derde weg: ‘Twee hoeraatjes voor de derde weg’, Socialisme en democratie: https://www.wbs.nl/publicaties/twee-hoeraatjes-voor-de-derde-weg.
[7] Pierre Rosanvallon, Good Government. Democracy beyond Elections (Cambridge: Harvard University Press, 2018). Voor de ingrijpende inbreuk van neoliberaal denken op de democratie zie bovendien: Wendy Brown, Undoing the Demos. Neoliberalism’s Stealth Revolution (New York: ZONE Books, 2015).
[8] Marcel Gauchet, The Disenchantment of the World. A Political History of Religion (Princeton: Princeton University Press, 1997).
[9] Hiernavolgende gedachten zijn zeer gebaseerd op het indrukwekkende boek van René ten Bos, Dwalen door het antropoceen (Amsterdam: Boom, 2017), waarin de gedachte wordt uitgewerkt dat dwalen, zoeken en de daarbij behorende onzekerheden tot de kern van de tegenwoordige tijd behoren. Eveneens: René ten Bos, Extinctie (Amsterdam: Boom 2019). Ook in het denken van Bruno Latour (zie bijvoorbeeld zijn essay Waar kunne we landen?) wordt die onzekerheid gethematiseerd. Over verschillende vormen van cynisme als crisisreactie: Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede (Amsterdam: Boom, 2013).
[10] Hier zij uiteraard verwezen naar het rapport Om de kwaliteit van het bestaan uit 1963. De gedachte daarin was dat mensen hier min of meer vanzelfsprekend toe bereid zouden zijn. Dit is, het is ten overvloede opgemerkt, geen vanzelfsprekendheid. In haar boek over de menselijke conditie merkte Hannah Arendt al op: ‘Honderd jaar na Marx weten wij hoezeer hij zich hierin heeft vergist; zijn vrije tijd gebruikt animal laborans nooit voor iets anders dan consumptie, dat wil zeggen behoeftebevrediging, en hoe meer vrije tijd hij heeft, des te begeriger en overzadelijker hij wordt’. Hannah Arendt, De menselijke conditie (Amstrerdam: Boom, 2013) 121. Voor de verhouding tussen consumptie(cultuur) en sociaaldemocratie in deze periode: Chris Dols en Maarten van den Bos, ‘King Customer. Contested Conceptualizations of the Consumer and the Politics of Consumption in the Netherlands, 1920s-1980s, Low Countries Historical Review 132, nr. 3: https://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.10400/.