DE COLLECTIEVE VOORWAARDEN VOOR GREEP OP HET LEVEN

i 12 oktober 2021 door , en

In het vorige nummer van Tijd & Taak riep Jet Bussemaker op om het Van Waarde-onderzoek nieuw leven in te blazen. Monika Sie Dhian Ho stond als directeur van de Wiardi Beckman Stichting aan de wieg van het project, dat in de kern ging over de vraag hoe de politiek mensen greep geeft op het leven, in een wereld die almaar ingewikkelder lijkt te worden. Een goede aanleiding om Monika Sie Dhian Ho te vragen hoe zij terugkijkt op haar werk bij de Wiardi Beckman Stichting en haar huidige werk bij het Instituut Clingendael.

Hoe kijk je nu aan tegen het Van Waarde-onderzoek? Ben je het eens met de oproep van Bussemaker?
Van Waarde staat voor een habitus in de politiek. Een habitus van actieonderzoek, het ophalen van verhalen uit het dagelijks leven van mensen. Om vervolgens samen met wetenschappers te kijken om welke waarden en belangen het gaat, wat er onder druk staat en wat we als beweging moeten doen. Het gaat om responsief bestuur, het luisteren naar burgers koppelen aan een politiek die hun belangen vertegenwoordigt en waarden verdedigt. Voor de toekomst van de democratie is het belangrijk dat dit meer de habitus van politieke leiders wordt. Daarom was ik heel gelukkig om te lezen dat Jet Bussemaker, als politiek leider en ervaren bestuurder, vond dat het Van Waarde-project moet worden gerevitaliseerd.

Wat vond je van de verkiezingscampagne van de PvdA?
Het trof me dat de campagne voornamelijk over gelijke kansen ging, terwijl dat vandaag de dag niet meer het hele verhaal kan zijn. Onderwijs kan naar gelijke kansen streven, maar de ongelijkheden tussen de gezinnen waarin kinderen opgroeien blijven heel groot. De maatschappij verwordt bovendien steeds meer tot een diplomademocratie. Terwijl de waarde van de mensen voor de samenleving helemaal niet een-op-een correspondeert met een masterdiploma. Mbo-leerlingen krijgen niet de waardering die zij verdienen. Het verhaal gericht op gelijke kansen was in de jaren vijftig en zestig belangrijk, ook voor Lilianne Ploumen als dochter van een melkboer. Maar vandaag de dag moeten we ook kijken naar gelijkere uitkomsten. Minder grote verschillen in inkomen, beter belonen wat waardevol is voor de samenleving, meer inspraak voor mensen die niet hebben doorgeleerd. Onderwijs dat minder selecteert en meer leert, meer gericht op het bereiken van een goed en gerespecteerd leven dan het hoogste onderwijsniveau.

De verkiezingscampagne ging naast gelijke kansen ook over zekerheid. Hoe sta je daar tegenover?
Bestaanszekerheid en goed werk waren waarden die centraal stonden in veel verhalen die we hoorden van de geïnterviewden in het Van Waarde-onderzoek. In die zin was het een responsieve campagne. Daarnaast zie je dat veiligheid belangrijk is geworden voor mensen. Er is een groter besef ontstaan van hoe uitzonderlijk hoog onze kwaliteit van bestaan is en daarbij is een gevoel van bedreiging gekomen voor alles wat van buiten komt. De PvdA moet ook responsief zijn ten opzichte van deze onzekerheden. Bestaanszekerheid in economische zin was in 2013 na de financiële crisis het meest actuele thema. Maar inmiddels is het bijna 2022 en is de geopolitieke turbulentie en de instabiliteit rond Europa toegenomen. We krijgen waarschijnlijk als gevolg van de corona-epidemie een tweede migratiecrisis. Omdat er grote economische naschokken komen in de landen rondom Europa, net als na de crisis van 2008. Die financiële crisis leidde toen tot de Arabische Lente in 2011. Mensen rond Europa hadden geen werk, geen eten, ze kwamen in opstand tegen hun regeringen. Nederlanders zien dat de irreguliere migratiestromen uit Tunesië richting Italië weer toenemen. En ze zien de opkomst van China. Dit maakt dat de verzuchting naar veiligheid en de roep om continuïteit van onze manier van leven veel centraler is komen te staan. Het is belangrijk om je partijprogramma in dat opzicht te actualiseren.

Hoe kijk je terug op het project Van Waarde?
Ik denk dat het mobiliserend heeft gewerkt binnen de Partij van de Arbeid. Leden raakten geïnspireerd doordat sociaaldemocratische waarden opnieuw centraal gesteld werden en het idee om actieonderzoek te verbinden aan de dagelijkse politiek sprak veel afdelingen aan. Binnen de partij heeft het een kompas geboden aan sommige politici. Lodewijk Asscher heeft als minister van Sociale Zaken Van Waarde als leidraad gebruikt in zijn beleid gericht op bestaanszekerheid en goed werk. Maar de deelname van de PvdA aan het Paarse bezuinigingskabinet Rutte II na de bankencrisis, waar onvoorbereid een grote decentralisatie van de verzorgingsstaat is ingezet, liet een grote discrepantie zien tussen de Van Waarde-koers en het coalitiebeleid van Rutte II.

Binnen de partij was er een schisma over het belang van het Van Waarde-onderzoek. Hoe kijk je daar nu tegenaan?
Ik denk dat er een schisma is binnen veel politieke partijen tussen liberale bestuurders aan de ene kant, en gemeenschapsdenkers die een responsievere politiek voorstaan aan de andere kant. Dat zie je echt niet alleen binnen de sociaaldemocratie. Binnen het CDA zag je ook een conflict tussen liberale bestuurders en Pieter Omtzigt. Binnen de VVD had je schrijvers van een manifest zoals Luuk van Middelaar [Liberaal Manifest 2005, EP en JvdN], die de centrale rol van de staat benadrukten, en bestuurders die daar weinig mee deden. Gemeenschapsdenkers zien de staat als een belangrijk vehikel voor een werkzame gemeenschap, om de collectieve voorwaarden voor individuele vrijheid tot stand te brengen. Die stroming zit in de PvdA, het CDA, de SP en getuige dat manifest dus voor een deel zelfs in de VVD. Daarnaast is er een sterke liberale stroming in partijen die veel meer gericht is op de equipering van het individu. Die liberale stromingen verliezen de collectieve voorwaarden van individualisering uit het oog. Zij staan een individualisme voor dat tegen mensen die een burn-out oplopen in het onderwijs zegt: ‘Hier heb je een zelfhulpcursus, veel succes ermee’. Zij kijken niet naar het onderwijssysteem, waar burn-outfabrieken zijn ontstaan, maar naar het individu dat het zelf moeten oplossen.
Als je als politieke beweging geen nieuwe collectiviteiten aanreikt zoals de arbeidersbeweging vroeger was, zoals de vakbond en de staat wel doen, dan staan mensen er alleen voor. Dan kun je ze nog zo goed equiperen en gelijke kansen geven maar in hun eentje krijgen ze geen greep op het leven. En daar ging het om in het Van Waarde project, greep op het leven, en om het besef dat een werkzame gemeenschap daar cruciaal voor is. Het gaat om het erkennen van het belang van de collectieve voorwaarden voor individuele vrijheid en waardigheid. De grote slogan achter de Brexit-campagnes was: Take back control. Daar wordt meewarig over gedaan omdat uit de EU stappen niet de beste manier is om greep op het leven te krijgen in deze tijd, maar de slogan en zijn succes zeggen wel wat de mensen willen. De PvdA kan daar wat van leren.

Tjeenk Willink betoogt dat er naast revitalisering van sociaaldemocratische waarden een visie nodig is op de rol van de overheid. Ben je het met hem eens?
Tjeenk Willink is de afgelopen jaren, en ook nu in de coronacrisis, op zijn wenken bediend. Van links tot rechts wordt gepleit voor een sterke staat omdat iedereen wel ziet dat zonder die staat we de zaak niet overeind hadden gehouden. De ervaring van de krediet- en de coronacrisis hebben dat besef teruggebracht. Er is bijna niemand meer die betwist dat de staat de laatste reddingsboei is.

Veel mensen verlangen daarnaast echter ook naar een afbakening van hun gemeenschap die hun veiligheid, bestaanszekerheid en een zekere continuïteit van hun manier van leven kan bieden. Dat verlangen werd de afgelopen decennia slecht bediend door de christen- en de sociaaldemocratie. Mede daardoor zien we dat er, net als in de jaren dertig, een exclusief nationalisme opkomt dat die gemeenschapsafbakening wel biedt. Dat nationalisme definieert de natie in termen van één religie of één etniciteit. Als moslim hoor je er niet echt bij, in het Nederland van de PVV of Forum. De vraag is of andere partijen hier een inclusief nationalisme tegenover kunnen stellen, dat consistent is met hun traditie. Zo heeft Rutte een liberaal inclusief nationalisme weten te definiëren met zijn Nederland van de hardwerkende Nederlander. Als een moslima hard werkt dan kan ze bij het Nederland van de VVD horen.

De grote vraag is of de sociaaldemocratie die behoefte aan gemeenschapsafbakening en gemeenschapswaardering weet te vertalen in een programma dat in haar traditie past. Wat nodig is, is een afbakening van de gemeenschap op een inclusieve manier, op basis van gedeelde waarden, op basis van instituties die een gemeenschap definiëren, zoals onze sterke verzorgingsstaat, en onze seculiere samenleving. Een sociaaldemocratisch inclusief nationalisme zal bovendien altijd de waarde en noodzaak van internationale samenwerking benadrukken.

Wat is het narratief van de sociaaldemocratie?
Dat is een narratief dat gemeenschapszin weer meer centraal stelt. Het individualisme als geloof is zo alomtegenwoordig geweest, dat de collectieve voorwaarden voor de individualisering, voor individuele vrijheid en waardigheid, uit het oog zijn verloren. Iedereen dacht dat we het zelf wel konden, als we maar genoeg werden toegerust. Het is ook een narratief dat niet bang is om de natiestaat centraal te stellen. Het is belangrijk te erkennen dat de natiestaat de meest werkzame gemeenschap is geweest om mensen greep op het leven te laten krijgen. In de natiestaat hebben we de verzorgingsstaat gebouwd, onderwijssystemen ontwikkeld. Door de schandvlek van het exclusieve nationalisme in de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog zijn we in de decennia die volgden teveel meegegaan in het wegdenken van grenzen in Europa, zagen we niet hoe wezenlijk de natiestaat is voor sociaaldemocratische politiek. De Europese Unie is voor de natiestaten van Europa heel belangrijk. Ik zie de Unie vooral als een verzameling instituties die natiestaten equiperen om onze Europese manier van leven te beschermen in een turbulente wereld. De EU moet natiestaten daarbij helpen in plaats van hinderen.

Dus de natiestaat om greep te krijgen op het leven?
Je kunt trachten greep te krijgen op het leven met wat ik kleine identiteiten noem, dus doordat je een Turkse achtergrond hebt, zwart bent, vrouw of homo. Maar daarnaast zijn er drie grote identiteiten die mobiliserend hebben gewerkt in de geschiedenis, namelijk natie, religie en klasse. Dat zijn identiteiten waardoor grote groepen mensen gemobiliseerd zijn en die een belofte in zich hadden: als je van ons lid bent, dan zul je te eten hebben, waardig kunnen leven. Dat zijn identiteiten die een samenlevingsproject kunnen realiseren. Daar zijn die kleine identiteiten niet toe in staat, die kunnen geen betere kwaliteit van leven voor de hele samenleving realiseren.

We moeten ons als burgers mobiliseren in tijden van globalisering en internationale turbulentie, en daarvoor is de natiestaat het meest werkzame vehikel. Natiestaten die op Europees én internationaal niveau samenwerken, met het oog op een betere wereld. Inclusief nationalisme kan er aan bijdragen dat mensen zich solidair voelen in het licht van deze grote uitdagingen. Macron probeert dat te verwoorden in contrast met het exclusieve nationalisme van Le Pen. Biden’s politieke discours is in feite inclusief nationalisme in contrast met het exclusieve nationalisme van Trump. Wiardi Beckman beschreef ook al hoe hij een zekere historische lotsverbondenheid voelde met andere Nederlanders. Het besef dat je op de schouders van je voorouders staat. Voor mij persoonlijk geldt het besef dat mijn deels Chinees-Indonesische familie geïntegreerd is geraakt in de Nederlandse samenleving en daar dankbaar voor is. Dat je je als burger schatplichtig voelt aan wat hier is opgebouwd. Als migrantenkind voel ik dat ook.

Je werd in 2016 directeur van Instituut Clingendael, na acht jaar Wiardi Beckman Stichting. Clingendael richt zich vooral op buitenlandse politiek. In recente publicaties geef je aan dat de geopolitieke vakantie van Europa voorbij is. Wat bedoel je hiermee?
Als we onze kwaliteit van leven willen behouden, dan hebben de Europese natiestaten de EU nodig. En als de Unie speler wil worden in de wereld in plaats van speelbal, dan is een geopolitieke Europese Unie essentieel. Als leiders als Rutte spreken over geopolitiek, dan hebben ze het er vooral over dat machtspolitiek noodzakelijk wordt, niet alleen soft, maar ook hard power. Maar Europese geopolitiek betekent ook denken vanuit een territoir, vandaar immers ‘geo’-politiek. Daar is een afgebakende gemeenschap voor nodig met een collectieve identiteit, een Europese gemeenschap.

Nederland heeft Europa tot nu toe vooral gezien als een plek waar veel te verdienen valt en waar je zonder paspoort rond kunt reizen. We spreken over de Europese gemeenschap, maar er is eigenlijk alleen een economische en politieke gemeenschap in de zin van een markt en instituties, geen sociale en een culturele gemeenschap. Het herstelfonds voor corona is een solidaire actie. Dat dat gelukt is, is een stap in de richting van een Europa als een sociale gemeenschap. Cultureel is de EU behoorlijk heterogeen; je ziet dat in de lidstaten verschillend wordt gedacht over waarden. Landen als bijvoorbeeld Polen en Hongarije zijn diep christelijk en dat is in landen als Nederland en Zweden niet meer het geval. In een Europees onderzoek stelde men de vraag: ‘Is het logisch dat bij banenschaarste de kostwinner wordt voorgetrokken op de arbeidsmarkt?’ In Zweden was een paar procent van de bevolking het daarmee eens. In Polen vond meer dan een kwart van de mensen dat. Voor externe betrekkingen kun je nog ‘jammer’ zeggen als Orbán het ergens niet mee eens is. In de EU is daar een procedure voor bedacht, namelijk constructieve abstinentie, dus constructief afzijdig blijven zonder te blokkeren met een veto. De Europese Unie kan dan toch voortgaan als één of twee landen dat niet willen. Binnen de EU is enige accommodatie van diversiteit nodig, maar je ziet met de nieuwe wet van Orbán dat die discussie over Europese waarden nu volop gaande is.

Welke politieke leiders of schrijvers zijn voor jou een inspiratiebron?
Wiardi Beckman was een jonge politieke leider in een tijd die vergelijkbaar is met de onze, de jaren dertig van de vorige eeuw. Hij tastte toen naar dat inclusieve nationalisme zoals wij nu ook moeten doen. Hij probeerde de nationale gedachte te verwoorden op een manier die niet vreemd zou zijn aan de sociaaldemocratie. Hij deed dat door bepaalde waarden in de Nederlandse traditie in de schijnwerpers te zetten, zoals vrijheid en verdraagzaamheid. En hij bleef een internationalist. Naast Wiardi Beckman zijn het vooral sociologen die mij inspireerden. Jacques van Doorn, Bart Tromp, Kees Schuyt en meest recent Mark Elchardus, die in het Van Waarde-onderzoek een belangrijke rol speelde. Hij werkt nu aan een boek over gemeenschapsdenken en het belang daarvan voor identiteit.

Zou je terug willen naar een functie in de politiek?
Sociaaldemocratie is een visie op het goede samenleven. Die visie wordt niet alleen verdedigd binnen de sociaaldemocratische politiek, dat kan op veel verschillende plekken: in het onderwijs, bij Tijd & Taak, bij Clingendael. Mijn inzet is onverminderd. Ik wil, zonder politiek te bedrijven, de institutionele voorwaarden scheppen voor bestaanszekerheid en veiligheid.

— Over Monika Sie Dhian Ho —
Monika Sie Dhian Ho werd op 1 januari 2008 directeur van de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid. In 2010 startte de WBS het onderzoeksproject Van Waarde. Het beoogde een ideologisch tegenwicht te bieden tegen de amorele hardheid van de economie enerzijds en al te technocratisch bestuur anderzijds. In dit onderzoek ging het om waarden als bestaanszekerheid, goed werk, verheffing en binding. Op het partijcongres van 2013 nam de PvdA een resolutie aan waarin de politiek-ideologische koers voor de volgende jaren werd vastgelegd op basis van de resultaten van het Van Waarde-project. In het boek Eerst als het is (foto) werden een essay en lezing van Monika Sie Dhian Ho over het project gebundeld. Toenmalig partijvoorzitter Hans Spekman wilde dat zijn partij in het politieke denken een omslag maakte ‘van ik naar ons’. Sie Dhian Ho werd een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst aangeboden. Zij ging op dat aanbod niet in omdat ze de Van Waarde-resolutie van 2013 onvoldoende terugzag in het gevoerde kabinetsbeleid.

In 2016 werd Sie Dhian Ho directeur van Instituut Clingendael, een onafhankelijke denktank en diplomatieke academie op het gebied van de internationale betrekkingen. Eén van de taken van dit instituut is het opleiden van diplomaten. De onderzoekstak van Clingendael publiceert onder andere een ‘Buitenland Barometer’ die periodiek peilt hoe mensen over internationale politiek denken, zoals migratie, klimaat en China. En ze organiseren (online) bijeenkomsten over buitenlandse politiek waar veel burgers aan deelnemen. Vlak voor Sie Dhian Ho directeur werd is Clingendael statutair onafhankelijk geworden; vanaf toen moesten ze als kennisinstituut op de internationale markt overleven. Clingendael geeft advies ten behoeve van het Nederlandse regeringsbeleid, niet alleen meer op het terrein van buitenlandse zaken en defensie, maar ook bijvoorbeeld over migratie en asielbeleid, en aan steden, provincies en bedrijven die relaties hebben ontwikkeld met China.

Spelen op veld twee

i 6 september 2021 door en

Waarom werd links zo klein bij de afgelopen verkiezingen? Het is een ogenschijnlijk eenvoudige vraag die, bij nadere beschouwing, helemaal niet zo gemakkelijk te beantwoorden is. Dat is echter geen reden het zoeken naar een antwoord maar achterwege te laten. Want of er nu deelgenomen wordt in een regering of gekozen wordt voor de oppositie, samengewerkt of gefuseerd op links; ooit komen er weer verkiezingen.

Terugkijken is altijd gevaarlijk, want achteraf weten we alles vaak zoveel beter. In een schitterende beschouwing over de problematische kanten van de geschiedschrijving schreef historicus Johan Huizinga al in 1912 dat het vaak al te verleidelijk is het moment dat ‘wij de historische feiten gerangschikt hebben, zoodat wij er een begrijpelijk verband in zien, dat begrijpelijk verband te houden voor een als onvermijdelijk bewezen oorzakelijkheid’.

Die bewezen oorzakelijkheid bestaat – aldus Huizinga – echter nogal eens alleen in het hoofd van de bedenker. Goede geschiedschrijving heeft altijd oog voor de grilligheid van het verleden, voor de onuitwisbare rol van het toeval. En respect voor het zoeken en tasten van historische actoren. Zij moeten het immers per definitie doen met de gebrekkige kennis van toen.

Ondanks dat Huizinga alom beschouwd wordt als een van de grootste historici die Nederland heeft voortgebracht, zou het zomaar kunnen dat ik tegen deze even verstandige als matigende inzichten gezondigd had. Zoals de beste stuurlui doorgaans aan wal staan, zo staan de beste politiek strategen na het sluiten van de stembussen klaar om te vertellen hoe het dan wel had gemoeten. Maar deze keer was dat onmogelijk, ik was er immers zelf bij. Nadat het bestuur van het gewest Gelderland me net voor de zomer van 2020 benaderde met de vraag of ik er niet voor voelde kandidaat te zijn voor het Kamerlidmaatschap, stond ik verschillende gesprekken later op een eervolle dertigste plek op de PvdA-lijst. Na het terugtreden van Lodewijk Asscher als lijsttrekker werd dat nummer negenentwintig. Reden te meer om eens terug te kijken en te proberen de inzichten opgedaan tijdens deze wonderlijke verkiezingscampagne te verbinden met een aantal gedachten over de sociaaldemocratie van vandaag en morgen.

Welk beest, welke bek?
Nadat het gewest belde moest ik wel even slikken. Iedereen die de politiek een beetje volgt, weet wat er van Kamerleden gevraagd wordt. Lange dagen, keihard werken, weinig thuis. Was dat het allemaal wel waard? Het bleef een vraag, ook tijdens de gesprekken met de kandidaatstellingscommissie. Desondanks viel de afweging voor de commissie de goede kant op, zij het dat het telefoontje van de voorzitter over de uiteindelijke plek op de lijst ook voor enige opluchting zorgde. Een eervolle plek, maar in alle redelijkheid geen reëel uitzicht op een zetel. Dat was misschien niet de inzet, maar wel een prima uitkomst.

Daar kwam bij dat ik onder de indruk geraakt was van ‘de zorgvuldigheid van het proces’, zoals dat heet. Ondanks de beperkingen vanwege corona deed de commissie alle mogelijke moeite te achterhalen wie ik was, wat ik kon, wat ik nog moest leren en waarom ik op die lijst zou passen. De commissie moet het nodige inzicht verworven hebben in de kennis en kunde en de sterktes en zwaktes van alle geselecteerde kandidaten. Dat was vervolgens echter niet te merken in de voorbereiding van de campagne. Politici in campagnetijd zijn eenheidsworst. Er is een kernboodschap, een plan en daarin ben je (al naar gelang je plek op de lijst) pion of paard. Maar dat is het dan wel.

Ergens is dat ook wel verklaarbaar. Een succesvolle politieke campagne vereist een strak geregisseerde aanpak, zo weet iedereen die daarover wel eens wat gelezen heeft. Binnen kaders was er ruimte voor eigen ideeën, maar dat moest ook weer niet al te gek worden. Voorlichters waren beschikbaar om ‘persmomenten’ mee af te stemmen, activiteiten of debatten mee voor te bereiden. Zeker van kandidaten buiten de top tien werd ondertussen vooral verwacht geen onnozelheden uit te halen. Dat zal overigens bij andere partijen niet anders zijn en kan wellicht ook moeilijk anders in een democratie waarin kiezers in de eerste plaats vooral toeschouwers zijn geworden. Deze keer nog sterker dan op andere momenten, omdat zoveel afhing van dat wat de dagelijkse televisie-uitzendingen haalde. De spreekwoordelijke zaaltjes waren vanwege corona niet beschikbaar, debatten moesten veelal digitaal.

Maar wie even een paar stappen terugzet, kan niet anders dan constateren dat er in de PvdA een zekere angst is geslopen. De partij doet op momenten denken aan een traumaslachtoffer dat bij het horen van een krakende tak het ternauwernood overleefde ongeluk herbeleeft. De laatste regeerperiode hangt als een donkere wolk boven alles. Nog steeds. Bijkomstigheid van de grotendeels gedigitaliseerde campagne was dat kandidaten veelvuldig met partijgenoten in gesprek gingen. Avond aan avond was er een digitaal bezoek aan verschillende afdelingen. Dat was leuk, leerzaam en vaak gezellig. Maar zodra het over ‘het kabinet’ ging sloeg de sfeer nogal eens om. Weinig onderwerpen lijken het kader van de partij zo te raken als de deelname aan Rutte II.

Ergens is dat niet verwonderlijk, gezien de enorme dreun die de kiezer in 2017 aan de PvdA uitdeelde. Onder leden werd die uitslag nogal eens beschouwd als een corrigerende tik, door de kiezer uitgedeeld voor de fouten gemaakt na 2012. Maar klopt dat beeld eigenlijk wel? Historicus Wilfred Scholten merkte in zijn biografie over Asscher terecht op dat uit nationaal kiezersonderzoek gebleken was dat ‘de PvdA niet zozeer was afgerekend op haar harde beleid, maar dat de kiezers geen idee hadden waar de partij voor stond’. Een verkiezingscampagne gaat nooit alleen over het verleden, maar zeker net zoveel over de toekomst.

Voor wie zich echter geen rekenschap geeft van dat verleden, is het ingewikkeld zich op de toekomst te richten. Net als in 2017 wordt momenteel verzucht dat alweer een commissie de uitslag laten analyseren niet wenselijk is. We moeten ‘het beest in de bek kijken’, stelde Menno Hurenkamp in een beschouwing in Socialisme en Democratie. Maar welk beest dat dan wel is en waar nu precies die bek zit, dat wordt nergens duidelijk. Dat was in 2017 niet anders, toen burgemeester Paul Depla de verkiezingsuitslag in een essay afdeed als een bedrijfsongeval. Het essay van Depla werd derhalve nooit de gezaghebbende streep onder het verleden die wel nodig was. Door opnieuw niet te kiezen voor een grondige evaluatie, is het risico dat die streep ook nu niet gezet wordt. En natuurlijk kun je stellen dat de PvdA deze keer niet verloor, maar is het bestendigen van wat tot voor kort nog als een incident beschouwd werd niet minstens net zo erg?

Krampachtig vasthouden aan de kernboodschap
De kramp die in de campagne zat was, voor mij althans, op momenten wel voelbaar. Het aantal keren dat de mensen die ervoor doorgeleerd hebben aangaven dat het belangrijkste was geen stomme fouten te maken, was niet op een hand te tellen. Dat zegt overigens niets over die mensen, de kundige betrokkenheid bij alles wat je als kandidaat moest doen en laten was heel leerzaam. Maar het zegt alles over een partij die verdeeld is over haar (recente) verleden en (mede daardoor) niet goed weet wat ze met de toekomst aan moet. Het gegeven dat links geen ‘verhaal’ meer zou hebben is intussen gezonken cultuurgoed geworden. Je hoort het overal. Het aantal pogingen te beginnen dat verhaal te schrijven lijkt omgekeerd evenredig aan de herhaalde klacht dat het ontbreekt.

Natuurlijk was er de ‘kernboodschap’, alfa en omega van de politieke campagne. Grofweg kwam die erop neer dat de coronacrisis zichtbaar gemaakt had wat mensen al langer ervaren. Dat wezenlijke zaken in Nederland scheefgegroeid zijn. Een goede woning, fatsoenlijk werk, een steuntje in de rug als dat nodig is. Op die constatering volgde de oproep dat het anders kan, als we het samen doen. Middels ‘ons plan voor een eerlijker en fatsoenlijker Nederland’. De kernthema’s uit dat plan waren vervolgens helder: betaalbaar wonen, investeren in werk en de publieke sector, een samenleving waarin iedereen erbij hoort. De gekozen zwarte schapen ook: huisjesmelkers, grootaandeelhouders en (zij het wat impliciet) zij die verdeeldheid zaaien. Het was een boodschap die ondersteund werd door een scherp, links verkiezingsprogramma. Alleen kwam die boodschap ook over? Volgens mij niet, en wel om drie redenen.

Ten eerste was er – zoals gezegd – sprake van een zekere angst voor het ongewisse. Een kandidaat met weinig ervaring: oppassen geblazen. Dat leek lastig, met een lijst die gemiddeld aanzienlijk jonger was dan ooit te voren. Niet weg van de kernthema’s, geen ingewikkelde discussies over klimaat en immigratie. Thema’s immers die de achterban van de PvdA verdeeld leken te houden en waarover een stevig debat in de partij in eerdere jaren helaas was uitgebleven. En maak het niet te ingewikkeld. Niemand zit te wachten op de complexiteit van ‘het gemeentefonds’ waar meer geld in moet om lokaal de jeugdzorg te kunnen betalen of op de technische achtergrond van de broodnodige verhoging van het minimumloon. Maar zijn we het niet aan onze stand als politici verplicht juist wel uit te leggen dat sommige onderwerpen ongemakkelijk en ingewikkeld zijn? Als dat in een moderne campagne niet meer zou kunnen, wat is politiek dan meer dan showbusiness?

Ten tweede wilde het niet lukken van het centrale thema van de campagne ook een politiek vraagstuk te maken: de coronapandemie. Die werd beschouwd als een soort vergrootglas, door de pandemie zagen we dingen beter. Maar het was geen politiek thema, in die zin dat je er verschillend over kon denken. En dat terwijl de gevolgen van de pandemie niet gelijkelijk verdeeld zijn. Wie beschikte over ruimte en een internetverbinding, kon zorgen voor goed onderwijs in de maanden dat de scholen dicht waren. Wie een comfortabele baan had als bestuurder of consultant kon prima thuiswerken, wier inkomen afhankelijk was van het sorteren of bezorgen van pakketten liep enorme risico’s. Om over tal van mensen in cruciale diensten als de zorg, de politie, de schoonmaak en de levensmiddelen nog maar te zwijgen. Zowel de oorzaken als de gevolgen van de pandemie waren en zijn een politiek vraagstuk. Maar zo werd het in de campagne bewust niet aangepakt, de kiezer zat immers niet te wachten op verdeeldheid. De onaantastbaarheid van Mark Rutte was daarmee gegeven.

Ten derde was er wel een interessante set aan maatregelen (een ‘plan’) maar miste het cement ertussen. Wat verbond al die maatregelen nu met elkaar, waarom zijn ze nodig? Welke samenleving staat ons als sociaaldemocraten voor ogen? Hoe komen we daar en wat moeten we ervoor doen en laten? Het zijn vragen die niet zo gemakkelijk te beantwoorden zijn. Waarom willen we bij elkaar horen, wat verbindt ons met elkaar, wat hebben we over voor een ander? Het waren vragen die uit die politisering van de coronacrisis hadden kunnen voortvloeien, maar dan heb je als partij wel een mens- en maatschappijvisie nodig om de antwoorden aan te kunnen toetsen. En die lijkt – los van alle waardering voor het programma – te ontbreken.

De Bulgaarse denker Ivan Krastev schreef al vrij vroeg na de uitbraak van corona dat de politieke gevolgen van de pandemie juist in Europa het ingrijpendst zouden zijn. Dit ‘omdat de pandemie het fundament waarop het Europese project is gebouwd aan het wankelen brengt – namelijk dat afhankelijkheid van elkaar de beste garantie biedt voor veiligheid en voorspoed’. Dat geldt zowel op het niveau van de Europese samenwerking, als op kleinere schaal. Als we niet meer afhankelijk kunnen of willen zijn van elkaar, wie vangt dan de hardste klappen op? Dat zijn niet die mensen die zichzelf kunnen beschermen tegen de onzekerheden van de moderne economie. Wie die onzekerheden daarom wil wegenemen, komt er niet met maatregelen om precies dat te doen alleen. Die heeft in de eerste plaats een verhaal nodig over waarom dat ook al weer nodig was. Waarin solidariteit, gemeenschapszin en veiligheid met elkaar verbonden worden.

Op verhaal komen
Nu kan dit alles aan de boodschapper en niet aan de boodschap gelegen hebben. Er is veelvuldig gewezen op de late wissel van partijleider en dat zal zeker niet geholpen hebben, maar daar gaat het me hier niet om. Als kandidaat draag ook ik in alle bescheidenheid de gedeelde verantwoordelijkheid voor de uitslag. De analyse is mede daardoor bepaald, in de volle wetenschap dat tal van anderen het campagnevoeren veel en veel beter beheersen dan ikzelf. Want als ik ondanks bovenstaande ergens van onder de indruk geraakt ben, is het wel van de creativiteit en energie van tal van betrokken kandidaten, medewerkers en vrijwilligers. Dus wellicht zijn bovenstaande overwegingen vooral een gevolg van eigen onkunde.

Feit is evenwel dat een frank en vrij debat nodig is over de toekomst van de sociaaldemocratie. Willen we op verhaal komen, dan is het zaak daar te beginnen. Als dat een open deur zou zijn, waarom gaan we er dan zo moeizaam door? Wellicht omdat het vaak gaat over ‘onze waarden’, maar zijn die de basis voor een goed gesprek? De uiteindelijke uitkomst van het veelbesproken Van Waarde-project is (deels ondanks de inzet van de initiatiefnemers) een scorelijst geworden om te komen tot een antwoord op de vraag of partijgenoten (niet zelden dragers van bestuurlijke verantwoordelijkheid) wel Van Waarde genoeg zijn (vaker niet dan wel). De kernbegrippen uit het project – bestaanszekerheid, goed werk, verheffing en binding – zijn belangrijk, maar vertellen niet het hele verhaal. Kun je ook sociaaldemocraat zijn als je er andere waarden op nahoudt? Bovendien blijft al te zeer in het verborgene dat de oorspronkelijke bedoeling van het project te veel op de achtergrond geraakt is. Dat ging niet over het wat, maar het hoe van politiek. Over de vraag hoe mensen politiek weer gaan beschouwen als een manier om greep te krijgen op hun leven in een wereld vol onzekerheden.

Het lijken me twee kernvragen: hoe brengen we mensen met verschillende achtergronden bijeen in een politiek programma en hoe nodigen we mensen uit te geloven dat ze middels het najagen van dit programma de greep op hun eigen leven kunnen versterken? Antwoorden op die vragen zijn te vinden in de rijke traditie van de sociaaldemocratie, maar niet door die heilig te verklaren. Met de antwoorden van gisteren zijn de problemen van morgen niet op te lossen. Wellicht is het dus goed vooral inspiratie te vinden in die momenten dat heilige huisjes juist gesloopt werden, om met de brokstukken te bouwen aan nieuwe fundamenten. Als links niet bereid is de eigen verworvenheden ter discussie te stellen, lopen we vast in conservatisme.

De andere kant van de medaille is dat een ongericht radicalisme geen oplossing zal zijn. In de inleiding van het befaamde Plan van de Arbeid uit 1935 werd al vastgesteld dat praktische verbeteringen in het leven van mensen wellicht de socialistische heilstaat niet naderbij brengen, maar men moest ergens beginnen. Die gedachte, dat de sociaaldemocratie de bestaande samenleving wil versterken in plaats van een geheel nieuwe te scheppen, is en blijft belangrijk. De Belgische sociaaldemocraat Paul Magnette vatte dat enkele jaren geleden in zijn boek La gauche ne meurt jamais treffend samen in de analyse dat sociaaldemocratische politiek niet moet gaan om ‘meer overheid’ of ‘directe revolutie’, maar om het bewaken van de menselijke waardigheid door weerstand te bieden aan de ‘geest van het kapitalisme’. Door grenzen te stellen aan dat wat aan de wetten van de markt wordt gelaten, door te garanderen dat recht en zeggenschap prevaleren boven de macht van het geld en door geboekte winsten eerlijk te verdelen. Niet meer, maar zeker ook niet minder.

De vraag hoe dat moet, waar die grenzen liggen en waarom moeten we met elkaar beantwoorden, zowel in de partij als in de samenleving. Daarom is de vraag wat we zelf doen en waar ons gemeenschappelijke, collectieve belang ligt ook zo belangrijk. Het begrip gemeenschap en de verhouding tussen individu, collectief en staat was jarenlang hoeksteen van het sociaaldemocratisch debat. Tot het in de jaren zestig als verouderd bij het ideologisch grofvuil gezet werd, vanwege de kwalijke kanten die gemeenschapszin ook aankleven. Maar waar staat geschreven dat een gemeenschap slechts kan bestaan bij de gratie van grenzen, bij mechanismen van interne controle en uitsluiting van het vreemde. Dat we iets nog niet kennen, wil toch ook zeggen dat we gewoon wat dieper moeten nadenken?

Na de verkiezingen van 2017 kreeg Lodewijk Asscher tal van welgemeende adviezen, ook van politieke opponenten. Ze passeerden de revue in zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel. Een van de adviezen kwam van Sybrand Buma, die wist hoe ingewikkeld het politiek leiderschap van een volkspartij in verwarring kan zijn. ‘Je speelt nu even op veld twee’, zei Buma. Doe dat met bescheidenheid, opgeheven hoofd en zo goed als je kan. Dan komt op het hoofdveld op termijn weer een plekje vrij. Dat advies is onvoldoende ter harte genomen. In haar zelfverstaan is de PvdA een grote partij gebleven, waarvan iedereen wel weet waar die zo ongeveer voor staat. Maar dat is niet langer zo. De idealen uit ons beginselmanifest – vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, solidariteit – klinken dof en afgeleefd. Daarom moeten we dat doen wat ons is aanbevolen: spelen. Want zoals Huizinga al wist: ‘alle spel is allereerst en bovenal een vrije handeling’. Het spel, stelde hij in het eerste hoofdstuk van zijn klassieke Homo Ludens, geeft de vrijheid om tot nieuwe vergezichten te komen. Het is een uittreden uit de dagelijkse realiteit op zoek naar een nieuwe. Het is een – zeg ik in mijn eigen woorden – loslaten van angst en terughoudendheid. Wie wil kan meedoen en de uitkomst is ongewis. Het is een waagstuk, maar als de afgelopen verkiezingen een ding hebben laten zien, dan is het dat de gebaande paden doodlopen.

Banning Prijs 2022: Een nieuw sociaal contract! Maar wat staat daar dan in?

i 5 juli 2021 door

Een nieuw sociaal contract. Dat is wat vandaag de dag nodig is. De verbinding tussen overheid en inwoner, tussen politiek en burger, tussen mens en markt is in het ongerede geraakt. Een nieuw sociaal contract was het aanbevolen recept. Of je het nu aan Lodewijk Asscher, Kim Putters of Pieter Omtzigt vroeg. Hoogste tijd dus dat we het sluiten, dat nieuwe contract.

Maar wat is dat eigenlijk: een sociaal contract? Wat staat daar zo ongeveer in? En wie sluit het met wie? Is het iets van de politiek of van de samenleving? Van de staat of van de burger? En bestaat er eigenlijk zo iets als een sociaaldemocratische versie van dat contract? Of is een sociaal contract politiek neutraal? Zoals zo vaak komt het aan op de invulling, de uitwerking, de definitie van een veel gebruikte frase. In zichzelf is een nieuw sociaal contract een mooie leuze en kunnen velen instemmen met de analyse dat juist dat nieuwe contract momenteel hoognodig is. Ondertussen zullen antwoorden op bovenstaande vragen altijd omstreden zijn.

Hoe moeten we dan verder?

Het debat over de samenhang in de samenleving, de vraag wie we met elkaar willen zijn en hoe we opbrengsten en onzekerheden in een moderne economie verdelen. De gedachte dat de overheid er moet zijn voor de burger en dat we wetten samen maken. Het zijn allemaal onderdelen van dat befaamde sociale contract. Maar zoals zo vaak: als iets zo ongeveer overal over gaat, gaat het in essentie nergens meer over.

Daarom stellen we de vraag aan een nieuwe generatie. Wat is volgens jou nu precies dat sociaal contract? Hebben we een nieuw contract nodig? En waarom dan, werkt het oude niet meer? En wat staat er dan in het nieuwe contract dat maakt dat het beter voldoet dan het oude. Heb je een interessant idee? Schrijf er voor 19 december 2021 een compact en prikkelend essay over. Werk toe naar een puntige conclusie, verbind concrete inzichten met verrassende vergezichten en onderbouw je betoog met stevige feiten, heldere argumenten en levendige voorbeelden in een originele stijl.

Prijzen en uitreiking
De winnaar van de Banning Prijs 2022 ontvangt 1000 euro. De overige drie genomineerden ontvangen elk 250 euro. De vier genomineerde essays worden gebundeld in een boekje. Het winnende essay komt bovendien in aanmerking voor publicatie in Socialisme & Democratie, het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting.

De Banning Prijs wordt op 21 februari uitgereikt in de Rode Hoed te Amsterdam, voorafgaand aan de Banning Lezing door Tuur Elzinga (voorzitter FNV). Alle inzenders zijn van harte uitgenodigd uitreiking en lezing als gast bij te wonen. Bovendien ontvangen ze allemaal een reactie op hun essay en krijgen ze een jaarlidmaatschap van de Banning Vereniging én een online-jaarabonnement op Socialisme en Democratie cadeau.

Deelname
Wil je meedoen, maar weet je nog niet direct waar je moet beginnen? We organiseren in september bij voldoende belangstelling een online schrijfcursus. Want een goed idee is nog geen essay, maar wel een mooi begin. We helpen je graag een beetje op weg. Meer weten of aanmelden? Mail naar info@banningvereniging.nl. En denk ook eens aan de Banning Leergang, dit jaar niet voor niets verbonden aan het thema van de prijs.

Je uiteindelijke essay van maximaal 2000 woorden mail je uiterlijk zondag 19 december 2021 voor 21.00u als word-bestand naar info@banningvereniging.nl. Vermeld je naam, geboortedatum, adres, telefoonnummer en studierichting of beroep. Inzenders zijn niet ouder dan 40 jaar. Ontvangst van inzending wordt altijd bevestigd.

Jury
Mei Li Vos (voorzitter)
Wiljan Linders (Wiardi Beckman Stichting)
Mirjam van Leussen (Banning Vereniging)
Freek Bruning (Vereniging Woodbrookers Barchem)
Camille Creyghton (winnaar Banning Prijs 2020)
Maarten van den Bos (ambtelijk secretaris Banning Vereniging)

Over de Banning Prijs
De Banning Prijs is een politieke essayprijs voor mensen tot en met 40 jaar. De Banning Vereniging wil middels de prijs het denken over waarden en democratie stimuleren. Onder voormalig winnaars van de prijs zijn Pieter Hilhorst, Wimar Bolhuis en Camille Creyghton. De prijs wordt tweejaarlijks uitgereikt, vanaf 2018 in combinatie met het uitspreken van een Banning Lezing.

Banning Leergang 2021: een nieuw sociaal contract

i 7 juni 2021 door

Het was al een belangrijke politieke frase voordat Pieter Omtzigt er een boektitel van maakte; een ‘nieuw sociaal contract’. Kim Putters, voorzitter van het Sociaal en Cultureel Planbureau, schreef er veelvuldig over. Lodewijk Asscher pleitte ervoor toen hij en essay schreef over Nederland na corona. En minister van staat Herman Tjeenk Willink refereerde er meermaals aan, laatstelijk nog in het verslag van zijn bevindingen als informateur. Maar wat is een ‘nieuw sociaal contract’ eigenlijk? Wie sluit dat met wie, wie kan en mag van dat contract onderdeel zijn, en wie bepaalt de voorwaarden van het contract? Of, wat abstracter gesteld, wat is de verhouding tussen individu en gemeenschap? Wat is vrijheid als waarde in de maatschappelijke verhoudingen? En wat is de rol van de staat, de politiek, het recht?

Als dat type vragen gesteld worden, dan is de eensgezindheid waarmee de noodzaak van een nieuw sociaal contract onderstreept wordt snel weg. Want (zoals vaker) is een begrip snel gepopulariseerd, maar gaat het vervolgens altijd weer om de details, de uitwerking, de definitie. Over die details, die uitwerking, die definitie gaat de Banning Leergang 2021. We spreken met denkers en wetenschappers die onlangs of binnenkort publiceerden over dit type vragen. Die ons kunnen helpen bij het formuleren van een sociaaldemocratische visie op dat nieuwe sociaal contract.

De Banning Leergang is de jaarlijkse zoektocht van de Banning Vereniging naar een antwoord op een politiek-filosofische vraag. Samen met experts werken we toe naar een begin van een antwoord. De leergang heeft plaats op vier avonden in het najaar. Naar we hopen kunnen de meeste bijeenkomsten zoals te doen gebruikelijk weer plaatsvinden in het centrum van Utrecht, op loopafstand van het Centraal Station. De avonden beginnen om 18.00u met een eenvoudige broodmaaltijd en duren tot 21.00u. Kosten voor deelname bedragen 75 euro (25 euro voor studenten en minima). De Partij van de Arbeid heeft de leergang erkend als officieel onderdeel van haar scholingsaanbod, maar de leergang staat open voor eenieder. Aanmelden kan via deze link. Deelnemers ontvangen voorafgaand aan elke bijeenkomst een of meer teksten ter voorbereiding.

NB: vanwege de nieuwe coronamaatregelen bieden we een deel van de leergang digitaal aan. De gewijzigde data en tijden hieronder. Meer informatie? Neem contact op via info@banningvereniging.nl.

Het programma:

Dinsdag 5 oktober: Vrijheid!
Spreker: Annelien de Dijn, historica en hoogleraar Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Van de hand van De Dijn verscheen vorig jaar het baanbrekende boek Freedom. An Unruly History. Zeker sinds het onlangs ook in Nederlandse vertaling verscheen, is De Dijn een graag geziene gast in dag- en weekbladen, waar zij de tweeduizendjarige geschiedenis van het vrijheidsbegrip inzet ter duiding van het politiek-maatschappelijke debat van vandaag en morgen.

In de openingsbijeenkomst – die waarschijnlijk digitaal zal moeten plaatsvinden omdat de spreker dit najaar niet in Nederland zal zijn – verkennen we vragen die samenhangen met het begrip vrijheid. Wat is dat eigenlijk? Welke verschillende tradities en definities concurreren als het gaat om vrijheid? En op welke manier kan een alternatieve notie van vrijheid behulpzaam zijn in de zoektocht naar een sociaaldemocratische visie op het sociaal contract?

Dinsdag 9 november: Gemeenschap!
Spreker: Frans Wijsen, theoloog en hoogleraar praktische religiewetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Wijsen publiceerde onlangs het boek De multiculturele uitdaging, waarin hij vragen rondom gemeenschappelijkheid en samenhang verkend in een multi-etnische en multi-religieuze samenleving als de Nederlandse.

In de tweede bijeenkomst kijken we met de spreker naar het belang van gemeenschap en samenhang in een samenleving die meer en meer verdeeld lijkt in groepen, bubbels en bellen waarin slechts gelijkgestemden welkom zijn. Hoe zijn dergelijke verschillen te overbruggen? En heeft het debat over wat we de multiculturele samenleving zijn gaan noemen daarbij geholpen? Wat is de waarde van benoemen van verschillen en zoeken naar overeenkomsten?

Woensdag 1 december: Recht!
Spreker: Ruud Koole, politicoloog en lid van de Eerste Kamer. Van zijn hand verscheen het boek Twee Pijlers, over het wankele evenwicht in de democratische rechtsstaat. In dat boek wordt even systematisch als zorgvuldig verkend welke actoren eigenlijk ons politieke en maatschappelijke bestel vormgeven: de rechterlijke macht, de centrale bank, Europa, de volksvertegenwoordiging, de politieke partij, de regering. En wij natuurlijk, het volk (de ‘hardwerkende Nederlander’, zo je wil).

Met Ruud Koole gaan we, zoals te doen gebruikelijk in de laatste bijeenkomst van de leergang, in gesprek. Over de theorie van de rechtsstaat, het idee van het sociaal contract, de weerbarstige praktijk van politiek en parlement en alles wat nog meer bij de deelnemer boven komt naar aanleiding van de verschillende bijeenkomsten.

Verzet naar dinsdag 7 december: Burgerschap! (datum was dinsdag 16 november)
Spreker: Menno Hurenkamp, politicoloog verbonden aan onder andere de Universiteit voor Humanistiek. Samen met Evelien Tonkens publiceert hij aanstaand najaar het boek En nou ik even! Burgerschap en de kwaliteit van de samenleving. Eerder promoveerde Hurenkamp op een boek over burgerschap onder de titel Met opgeheven hoofd.

In de derde bijeenkomst gaan we in op de rol van de politiek en de staat in dat sociaal contract. Als dat immers vooral iets is waar politici mee bezig zijn, hebben we dan zelf ook nog wat te zeggen? Wat is de rol van burgers of burgerschap in dat contract. Hebben we daar nog invloed op, of mogen we alleen de handtekening zetten? En mocht dat laatste zo zijn, hoe erg is dat eigenlijk? Want, zeg nu zelf, zijn inwoners die zich in hun hoedanigheid als burger met de (lokale) politiek bemoeien niet eigenlijk vooral bezig met hun eigen belang? En past dat eigen belang dan in een sociaal contract?

Mede met het oog op mogelijk voortdurende beperkingen die ook dit najaar nog kunnen voortduren is het aantal deelnemers aan de leergang beperkt. Wacht dus niet te lang met aanmelden. Dat kan via dit formulier. Bovendien is de leergang dit jaar opmaat naar meer. Bijvoorbeeld naar de Banning Lezing van FNV-voorzitter Tuur Elzinga in de Rode Hoed op 21 februari 2022. En de Banning Prijs 2022, waarin jonge denkers (tot 40 jaar) uitgedaagd zullen worden zelf aan de slag te gaan met het formuleren van (onderdelen van) dat nieuwe sociale contract.

Erfenis van een rode dominee

i 4 juni 2021 door en

Er zijn lessen te trekken uit de nalatenschap van Willem Banning, voorman van het religieus-socialisme. Politiek en samenleving moeten de handen ineen slaan, om de overheid weer te maken tot een plek waar we allemaal bijeen komen en niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

Op 9 februari van dit jaar bestond de Partij van de Arbeid vijfenzeventig jaar. In 2019 vierde de Banning Vereniging, voorheen Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers, haar honderdjarig jubileum. Op tafel lag de vraag waartoe beide ooit werden opgericht. Het antwoord hierop heeft betekenis voor de context van vandaag en morgen.

Op 9 februari 1946 opende dominee Willem Banning het stichtingscongres van de PvdA. Hij onderstreepte de historische betekenis van het moment. De oprichting van de partij was een nieuw begin, ten dienste van meer dan de partij zelf. Na de verwoestingen van de oorlogsjaren lag er een nieuwe sociale kwestie. De enige mogelijke oplossingsrichting kon gevonden worden ‘in socialistische zin’. Dat socialisme moest dan wel aan vier voorwaarden voldoen. Het was onverbrekelijk verbonden met de democratie. Het ging uit van de persoonlijke waarde en waardigheid van ieder mens. Het erkende het recht in de bezitsverhouding in te grijpen ten dienste van het algemeen welzijn. En het wilde geen levensbeschouwing zijn, geen ‘godsdienst van het socialisme’. Banning wilde alle krachten verenigen, die bij wilden dragen aan ‘dit maatschappelijk idee’.

Banning was in de partij geen onbekende. Hij was dominee in de Nederlandse Hervormde Kerk, onbetwist voorman van het religieus-socialisme in Nederland en in 1930 toegetreden tot het bestuur van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Hij was een van de vooraanstaande stemmen in het debat over de toekomst van de sociaaldemocratie en schreef mee aan het beginselprogramma van 1937. Mede op basis van dit programma zocht de partij in de oorlogsjaren naar een verbreding van de basis. Politieke samenwerking van progressieve christenen, vrijzinnig democraten en democratisch socialisten was nodig om naoorlogs Nederland een ander aangezicht te geven. Toen de ambitie tot samenwerking in het slop raakte, trok Banning het voertuig uit de modder. Daarom werd hem direct na de oprichting van de PvdA het eerste woord gegund.

Willem Banning, zoon van een haringvisser, had in zijn jonge jaren een kwetsbare gezondheid. Dat maakte hem ongeschikt voor het harde leven op zee, hij moest gaan leren. Dat bleek hij goed te kunnen. Via de kweekschool ging hij naar de universiteit om theologie te studeren. Hij kwam in aanraking met de Vereniging Woodbrookers in Holland. Dat was een reünistenvereniging van deelnemers aan vormingscursussen op het door Quakers gedreven landgoed Woodbrooke, nabij Birmingham. In 1911 bouwde de vereniging een eigen vormingscentrum in het Gelderse Barchem. Via eigen cursuswerk probeerde men het open gesprek over levensbeschouwelijke vraagstukken, zoals de deelnemers dat op Woodbrooke hadden leren kennen, in de Nederlandse context vorm te geven.

Banning kwam er voor het eerst in 1916 en voelde zich er direct thuis. Enkele jaren later ontstond bij enkele leden de wens het cursuswerk ook te richten op ‘de arbeidersbeweging’. In 1919 ontstond de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers, met Banning als voornaamste organisator. Deze Arbeidersgemeenschap fungeerde voor Banning in de jaren twintig en dertig als een soort laboratorium voor ideeën. Gedachtevorming over de sociaaldemocratie van de toekomst, de verhouding tussen bestaanszekerheid en vrijheid, het belang van democratie en het overstijgen van levensbeschouwelijk verschil behoorden tot de kern van het werk.

Er kwamen meer eigen vormingscentra, in Bentveld (nabij Haarlem) en het Friese Kortehemmen. Meer mensen raakten bij het werk betrokken, het netwerk van meedenkers groeide. Er ontstonden intensieve contacten. Binnen Nederland over levensbeschouwelijke grenzen heen en via internationale netwerken van religieus-socialisten. De rol van Banning, sinds 1928 directeur van de vormingscentra, was daarbij maar moeilijk te overschatten. Dat bleek toen hij zijn werkkring na de oorlog elders vond. Zijn opvolger Adriaan van Biemen professionaliseerde in de naoorlogse jaren het vormingswerk, met meer aandacht voor de pedagogische kanten ervan. Hij was echter minder bedreven in het formuleren van nieuwe vergezichten. Het zwaartepunt van de Arbeidersgemeenschap verschoof in de naoorlogse jaren van uitdenken naar uitleggen.

Dat hoefde op zichzelf geen probleem te zijn, in de naoorlogse jaren was het cursuswerk uiterst succesvol. Maar een probleem werd het wel toen in de loop van de jaren zestig politiek, kerk en samenleving op drift raakten. Nieuw Links ontstond. Veel betrokkenen waren geen vreemden in Bentveld, maar wederzijds begrip en belangstelling voor elkaars standpunten ontbrak. Nieuw Links koos het denken van Banning en tijdgenoten met genoegen als het verkeerde verleden. Inspiratie werd gevonden in het vroege socialisme. De PvdA van de jaren vijftig was even saai als ingeslapen. Met bijtende ironie omschreef journalist Martin van Amerongen het socialisme van Banning als ‘lauwe limonade’. Diens Arbeidersgemeenschap was een ‘kaderschool voor kwezelarij’.

De nauwe banden tussen PvdA en Arbeidersgemeenschap werden losser. Intussen hadden beide hetzelfde probleem: een goed antwoord op de vraag naar het eigen bestaansrecht ontbrak.

De actieve hoofdrolspelers in het bestuurlijk centrum in Den Haag werden het alfa en omega van de politiek. De vele verenigingen rondom de partij, zoals de Arbeidersgemeenschap, werden minder belangrijk. Voor diepgravende debatten over de eigen ideologische fundamenten was weinig tijd. Voor een stevige historische analyse van de sociaaldemocratie weinig belangstelling. Intussen verschoof het zwaartepunt in de partij van vereniging naar fractie. Daarin was de PvdA niet uniek. Politicoloog Peter Mair wees er enkele jaren geleden op hoezeer politieke partijen na de jaren zestig staps- en sluipenderwijs onderdeel werden van de sfeer van staat en bestuur, op afstand van de samenleving. De primaire taak van ‘de politiek’ veranderde van het uitdagen en controleren van de macht naar het uitleggen van overheidsbeleid.

Noch het denken van Willem Banning, noch het werk binnen de Arbeidersgemeenschap waren als zodanig voldoende voorwaarde voor oprichting en succes van de partij. Tegelijkertijd had de PvdA er zonder die inbreng zeker anders uitgezien en wellicht was ze er nooit geweest. Juist daarom is het tijd dat de Banning Vereniging zowel de ideeën van zijn naamgever als de rol van ideologisch laboratorium herneemt. Daar is zowel ruimte voor als behoefte aan.

Bij de presentatie van het beginselprogramma van de PvdA in 1959 legde Banning als voorzitter van de programmacommissie uit hoe hij politiek zag. Politiek vertrok vanuit een duidelijk mens- en maatschappijbeeld, gevoed vanuit verschillende inzichten en levensbeschouwelijke tradities, vertaalde die visie op mens- en samenleving in een concreet programma en waakte ten slotte over de institutionele inbedding en uitvoerbaarheid daarvan. Daarbij was het telkens zaak terug te keren naar de eigen visie op mens en samenleving en te bezien of bedoelde en onbedoelde effecten van maatregelen daarmee nog wel in lijn waren. Het is een methode die hoogst actueel is. Denk aan het schandaal rondom de kinderopvangtoeslag.

Twee dingen zijn nodig. Ten eerste moet er meer evenwicht komen in de discussie over inhoud en strategie. In het debat over politiek staat te vaak het electoraal gevolg van voorstellen en ontwikkelingen centraal. Dat is niet de schuld van slechte politiek, maar de uitkomst van het samenspel tussen samenleving, (sociale) media, politiek en bestuur. Dat moet anders, wat vraagt om bezinning op ieders rol en om meer aandacht voor de politieke partij als vereniging en het netwerk van organisaties en clubjes er omheen. Nu wordt onevenredig veel gevraagd van politiek leiders en (Haagse) fracties. Banning zag de partij als wisselstation. Ze verzamelde vragen, zorgen en inzichten vanuit de samenleving om die vervolgens te vertalen naar concrete politieke actie. Die rol moeten partijen opnieuw op zich durven nemen: vooruitgeschoven post van de samenleving.

Ten tweede behoren morele vraagstukken opnieuw een plaats te krijgen in de politiek. De socioloog Hans Boutellier omschreef Nederland een paar jaar geleden als een ‘pragmacratie’, een democratie waarin het debat vooral gaat over praktische vraagstukken en concrete oplossingen. De politiek zoals Banning die voor zich zag, werd gevoed door de vraag hoe we de samenleving zien, wat voor gemeenschap we willen zijn. Dan dringen zich legio vragen op. Wat hebben we, middenin een levensgevaarlijke pandemie, met elkaar over voor de bescherming van mensen? Hoe veel van onze eigen bestedingsruimte willen we opgeven om de groeiende ongelijkheid en de disbalans tussen publieke armoede en private rijkdom op te lossen?

Deze vragen en onderwerpen moeten we met elkaar aandurven, juist omdat de antwoorden nooit gemakkelijk en eenduidig kunnen zijn. Dit vraagt een ongelofelijke inzet van politieke partijen. Zij zullen zich moeten losmaken van de sfeer van de staat en de voortdurende electorale analyse en hun eigenstandige rol in het politieke debat moeten hernemen. Tegelijkertijd vraagt het ook iets van de schil rondom de politiek: denkers en journalisten, betrokken beschouwers en burgers.

De les die Banning de nieuwe PvdA meegaf, is vandaag de dag minstens zo actueel als vijfenzeventig jaar geleden. De sociaaldemocratie moet niet slechts een bestuurlijk programma willen zijn. Het is een visie op mens en samenleving. Daarin geldt het engagement en de bijdrage van iedereen als van waarde. Dat vraagt om een nieuw verbond tussen politiek en samenleving, met als doel de overheid weer te maken tot een plek waar we allemaal bijeen komen en waar niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

Dit artikel verscheen deze maand in Herademing. Tijdschrift voor spiritualiteit en mystiek