Brief aan de vereniging: Paul Tang

i 6 mei 2019 door

Essays, zo heeft de Franse schrijver Jean Paul eens opgemerkt, zijn eigenlijk dikkere brieven aan vrienden. Indachtig die gedachte een brief aan de vereniging. Terugschrijven? Neem contact op met de redactie.

Beste mensen,

Facebook is nog een puber, en Google is net 21 en volwassen geworden. Zo jong en toch zo groot. Want deze bedrijven behoren inmiddels tot de grootste bedrijven ter wereld, gemeten naar beurswaarde, tezamen met drie andere Amerikaanse tech-giganten: Amazon, Apple en Microsoft. Het is niet alleen dat ze in de wereldeconomie een machtige positie innemen, maar ook in de politiek en in de samenleving. Zo heeft Facebook zo’n 2,3 miljard en YouTube (Google) 1,9 miljard gebruikers. De jongeren onder de bedrijven hebben grote invloed, zeker op jongeren.

Mijn oudste zoon heeft me ooit het verschil tussen Snapchat en Instagram uitgelegd: de eerste is hoe het leven is, de laatste hoe het leven zou moeten zijn. Dat is een duidelijk, maar heeft voor mij toch meer vragen opgeroepen dan beantwoord. Mij aan het denken gezet. Is het niet zo dat meer dan voorheen jongeren beelden van een geslaagd, succesvol leven voorgeschoteld krijgen? Op Instagram – Facebook is onder jongeren niet zo populair – staan de foto’s van hippe, frisse, goedlachse, vrolijke mensen die met elkaar zijn, op een bijzondere plek verkeren of een waanzinnig gebeurtenis meemaken. Zo beschouwd is het leven een aaneenschakeling van gedeeld geluk. En is het niet zo dat meer dan voorheen jongeren de druk van de eigen verantwoordelijkheid voor een geslaagd leven voelen? Als ik spreek met docenten, zien velen een verband met de toename van scholieren en studenten die overspannen worden of burn-out raken. Het lijkt erop dat deze tegenslagen steeds vroeger in het leven plaatsvinden. Het lijkt erop dat de frustratie over het eigen onvermogen om het leven ook een aaneenschakeling van gedeeld geluk te maken een deel van de jongeren nu al parten speelt. Er is op Instagram en andere sociale media geen ruimte voor geduld en doorzettingsvermogen, voor verwarring en twijfel, en alles wat nodig is om te durven investeren in later en om te accepteren dat niet elk periode van het leven bij Instagram past.

Het zijn niet alleen jongeren die de druk van eigen verantwoordelijkheid voelen. Steeds meer mensen hebben geen vast dienstverband en zijn deel geworden van de kluseconomie waarin ze per klus betaald krijgen. Een Uber-chauffeur krijgt een beoordeling en geeft de klant ook een beoordeling. Zoals een restaurant afhankelijk is van de beoordeling op Tripadvisor of in Google Maps, zo zijn zij, en wij, deel van een economie geworden waarin publieke reputatie van groot belang is. Het aantal volgers op LinkedIn, het aantal likes op Facebook, de beoordelingen op websites. We staan in de etalage want we zijn te koop.

Yuval Harari stelt dat de voortgaande veranderingen in technologie, economie en samenleving het steeds onwaarschijnlijker maken dat we gedurende het hele leven één beroep hebben. Waarvoor we in de vroege jaren leren en waarin we in de latere jaren werken. Mensen zullen over hun leven verschillende werkzaamheden hebben en dus ook een bijpassende publieke reputatie moeten hebben. Harari’s advies aan jongeren is dan ook om ‘licht’ door het leven te reizen. Hecht niet te zeer aan wat je nu doet en daarmee aan wat je nu bent. Er komt een moment om dat los te laten. ‘You will have to repeatedly let go of some of what you know best, and learn to feel at home with the unknown. Unfortunately, teaching kids to embrace the unknown while maintaining their mental balance is far more difficult than teaching them an equation in physics or the causes of the First World War.’

Nog verrassender dan dat Facebook en Google zo snel zo groot zijn geworden, is het gebrek aan reactie daarop. Waarom laten we een commerciële gigant volledig bepalen wat kinderen en jongeren te zien krijgen op Youtube? Waarom kan Facebook zo lang ontkennen een uitgever te zijn en feitelijk meewerken aan nepnieuws (en beïnvloeding van verkiezingen)? Waarom zijn er uitgebreide discussies over het curriculum van de studie economie, maar is er nog weinig aandacht voor mentale weerbaarheid onder jongeren? Deze en andere vragen zijn relevant in de datasamenleving en de kluseconomie.

Juist sociaal-democraten zou de concentratie van geld en macht zorgen moeten baren. De spreiding ervan is juist een klassieke opgave. Misschien wel meer dan ooit, nu de techreuzen onze data voor hun winsten willen benutten. De opdracht is klassiek, de antwoorden zullen nieuw moeten zijn.

Onze pubers moeten de ruimte krijgen hun eigen weg in het leven te vinden, met alle fouten en tegenslagen die daarbij horen. Maar om die ruimte te geven zullen de ander pubers, die zo jonge maar zo grote techreuzen, tot volwassenen gedrag aangezet moeten worden.

Paul Tang

Zekerheid, maar van wie en waartoe eigenlijk?

i 4 april 2019 door

Zeker zijn. Wie momenteel politici van de PvdA hoort spreken over welk willekeurig onderwerp dan ook kan van een ding op aan: we moeten ergens zeker van kunnen zijn. Zeker zijn van goede zorg, van goed werk, van een betaalbare woning. Zekerheid lijkt het alfa en omega van de partij onder Lodewijk Asscher. Maar wie die zekerheid garandeert, wie ervoor in aanmerking komt en wat er gebeurt als er enige mate van zekerheid gerealiseerd is, is ondertussen de vraag. En dat wringt.

Zeker zijn. Wie momenteel politici van de PvdA hoort spreken over welk willekeurig onderwerp dan ook kan van een ding op aan: we moeten ergens zeker van kunnen zijn. Zeker zijn van goede zorg, van goed werk, van een betaalbare woning. Zekerheid lijkt het alfa en omega van de partij onder Lodewijk Asscher. Maar wie die zekerheid garandeert, wie ervoor in aanmerking komt en wat er gebeurt als er enige mate van zekerheid gerealiseerd is, is ondertussen de vraag. En dat wringt.

‘Iedereen moet zeker kunnen zijn van goede zorg’, stelde Lilianne Ploumen in een interview in het voorgaande nummer van Tijd&Taak. Het klinkt niet alleen logisch, maar lijkt ook een navolgenswaardig ideaal. Wie wil er nu niet de zekerheid dat er goede zorg is voor zichzelf of zijn naasten wanneer dat nodig is? Precies die vanzelfsprekendheid is zo aantrekkelijk. Ze geeft eenheid aan de politieke boodschap van de PvdA, past bovendien wonderwel bij haar ideologische traditie en vloeit logisch voort uit het project Van Waarde, de meest recente ideologische herbezinningsoperatie van de Nederlandse sociaaldemocratie.

Toch is de campagne rond zekerheid niet direct een uitvloeisel van doortimmerd politiek-filosofisch denkwerk. In zijn in januari 2017 verschenen boek De kunst van het kiezen analyseerde merkendeskundige Marc Oosterhuis, oprichter van reclamebureau N=5, het electorale potentieel van zeven politieke partijen. Op het moment dat Oosterhuis tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen aan tafel zat bij Eva Jinek was ook Asscher daar te gast. Vervolgens ging het snel. Een reconstructie in De Volkskrant leerde hoe Oosterhuis de PvdA ging adviseren met de campagne rond het thema zekerheid als resultaat.

Gele hesjes aan de kapstok

Het zou wat al te gemakkelijk zijn nu het vingertje te heffen uit weerzin tegen de commercialisering van de politiek. Partijen kunnen steeds minder rekenen op een vaste achterban en moeten elke verkiezing weer vechten om de kiezersgunst. En wie in de tussentijd op verlies staat in een van de talloze peilingen heeft daarbij bovendien direct een hele ingewikkelde uitgangspositie. Daarbij zijn inzichten uit de reclamewereld, communicatiewetenschap en marketing eerder regel dan uitzondering. Bovendien dekt de in samenspraak met Oosterhuis ontworpen vlag de lading uitstekend. Bestaanszekerheid is al lange tijd een kernbegrip in de sociaaldemocratische traditie. In het Plan van de Arbeid dat de SDAP in 1935 lanceerde werd als ‘minimale wens’ neergelegd dat alle Nederlanders moesten kunnen rekenen op ‘bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil’.

Bij publicatie van het plan werd nog met veel omhaal van woorden uitgelegd dat het hier eigenlijk geen socialisme betrof. In de SDAP woedde al sinds de oprichting een even intensief als verlammend debat over de vraag of het socialisme nu langs revolutionaire of parlementaire weg naderbij gebracht diende te worden. Het Plan van de Arbeid markeerde een kantelpunt in deze discussie, het utopisch vergezicht van een geheel nieuwe samenleving werd verlaten ten faveure van de acceptatie van de bestaande verhoudingen om deze vervolgens stapsgewijs en langs democratische weg ten goede bij te buigen. Bestaanszekerheid werd in deze meer pragmatische politiek het centrale begrip. In het nieuwe beginselprogramma dat de partij in 1937 vaststelde, een programma waarop dominee en partijbestuurslid Willem Banning een stevig stempel drukte, werden ‘welvaart en bestaanszekerheid’ voor iedereen direct in het eerste artikel als centrale doelstellingen van het ‘democratisch socialisme’ neergelegd.

Sindsdien is het niet meer weg te denken uit het sociaaldemocratisch vocabulaire. Niet zonder reden werd in het project Van Waarde – dat door de Wiardi Beckman Stichting in 2009 werd ingezet om te komen tot een ‘verbindende politieke visie’ die richtinggevend zou zijn bij lastige politieke afwegingen, voorspelbaar zou maken wat de PvdA zou doen in concrete kwesties en een rechtvaardiging kon bieden voor genomen besluiten – het begrip bestaanszekerheid aangeduid als eerste kernwaarde. Politiek, schreef toenmalig directeur van de WBS Monika Sie in 2013, ging met name om ‘greep op het leven’. En als uit de talloze interviews die in het kader van het project met mensen gehouden werden een ding duidelijk werd, dan was het wel dat de zekerheid van het dagelijks bestaan voor velen onder druk stond. De ‘oude bestaansonzekerheidsproblematiek’ was terug, terwijl nieuwe onzekerheden opkwamen en er een steeds groter verschil aan het ontstaan was tussen die groepen die deze onzekerheden het hoofd wisten te bieden en zij die dat niet of slechts ten koste van veel konden.

Hoewel het project niet de directe aanleiding was voor de huidige campagne waarin zekerheid en zeker zijn centraal staan, vloeit de kernboodschap dus wel degelijk betrekkelijk logisch voort uit de ideologische heroriëntatie die Van Waarde in essentie was. Daarbij moet worden vastgesteld dat de analyse van Sie als het gaat om de groeiende bestaansonzekerheid bij mensen nog weinig in actualiteit en urgentie heeft ingeboet. Integendeel. Naar aanleiding van het verschijnen van een bundel columns onder de weinig geruststellende titel Veenbrand gaf Kim Putters, voormalig senator voor de PvdA en nu directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, in een interview aan dat veel Nederlanders de fundamentele onzekerheid ervaren of zij voldoende toegerust zijn om de uitdagingen van het moderne leven het hoofd te bieden. Het is een gevoel van onzekerheid, aldus Putters, dat zich bovendien uit in een sluimerende woede. De ‘gele hesjes’, naar aanleiding van de grootschalige demonstraties in Frankrijk inmiddels een begrip met een mythische bijklank, hangen naar zijn inzicht bij veel mensen al aan de kapstok.

Begin- of eindpunt?

In die context lijkt een campagne gericht op het wegnemen van die fundamentele onzekerheden zowel inhoudelijk als electoraal verstandig. En toch knaagt er iets. En dan niet omdat het geheel inmiddels tot soms kolderieke proporties wordt opgeblazen, zodanig dat op sociale media zelfs een goed geplaatste verkiezingsposter vergezeld gaat van de slogan: ‘zeker zijn van een rode stad’. Wezenlijker is dat de campagne wat al te veel blijft hangen in wat het in essentie is: een campagne. Want het te pas en te onpas gebruiken van het begrip zekerheid roept ook vragen op. Ik noem er drie: wie mogen (of moeten) er eigenlijk zeker kunnen zijn? Wie zorgt (en betaalt) daar uiteindelijk voor? En wat gebeurt er wanneer mensen opnieuw bestaanszekerheid ervaren?

Een antwoord op die vragen is urgent, want aan een campagne rond het begrip zekerheid kleven twee risico’s. Het eerste ligt voor de hand: teleurstelling. Ook als het volledige programma van de PvdA door een volgende regering zou worden uitgevoerd, dan nog zijn niet alle onzekerheden van het leven weggenomen. Mensen zijn inherent kwetsbaar: voor ziekte en ongeval, voor tegenslag en verdriet. Het is even wenselijk als verstandig dat voor ogen te houden. Wie alle onzekerheden van het leven zegt te kunnen wegnemen, verkoopt niets meer dan een illusie. Het lijkt voor de hand te liggen maar het is goed dat af en toe te onderkennen.

Belangrijker is een tweede risico: conservatisme. Wie pleit voor zekerheid pleit al snel ook voor behoud. Behoud van bestaande regelingen, van bekende arrangementen, van bestaande verhoudingen. Het nieuwe is immers per definitie minder zeker dan het bestaande en remmen geeft meer vastigheid dan het gas eens stevig intrappen. Maar soms is juist dat laatste nodig. Bijvoorbeeld omdat huidige regels en regelingen voor hen die er aanspraak op kunnen maken veel zekerheid bieden, maar mede daardoor de onzekerheid van zij die er buiten vallen vergroten. Dan is zekerheid een beetje als een glazen huis: binnen is het warm en behaaglijk, buiten is het guur. En niet in de laatste plaats omdat een blik naar binnen leert dat voor hen die wel in de bestaande regelingen passen het leven een stuk eenvoudiger is.

Naast de vraag voor wie al die zekerheden nu eigenlijk toegankelijk zijn is ook de vraag naar de betaalbaarheid van een en ander van belang. Het garanderen van goede zorg bijvoorbeeld is duur, zeker gezien de demografische ontwikkelingen. De zekerheid van goede zorg blijft dan een groot goed, maar ten koste van wat eigenlijk? De opbrengst van het Van Waarde project deed Wouter Bos al eens denken aan een eindeloos verlanglijstje zonder dat duidelijk was wie daarvoor de rekening moest gaan betalen. Dat was wellicht een wat luie kritiek, want daar ging het project niet over, maar helemaal onzin was het ook weer niet. Zekerheden, zo weet iedereen die wel eens een auto of wasmachine kocht, zijn nooit gratis.

De kernvraag bij het hele project is dan ook: wie biedt eigenlijk zekerheid en wie mag zich erin wentelen. Met de sociaaldemocratische traditie in het achterhoofd zou je zeggen: de overheid geeft, de burger neemt, maar dat is niet vanzelfsprekend. Het vroege socialisme had een wat complexe verhouding met de overheid. ‘De staat verdrukt, de wet is logen’, klinkt het niet voor niets in de Internationale. Het duurde – opnieuw – tot medio jaren dertig voordat de oude SDAP de staat ging beschouwen als centrale institutie in het realiseren van een sociaaldemocratische samenleving. In de loop van de jaren zeventig kwam die opvatting ook binnen de PvdA echter meer en meer onder druk te staan. In het zeer invloedrijke rapport Schuivende panelen uit 1987 werd het vervolgens met enige nadruk terzijde geschoven. De nationale staat had aan kracht ingeboet ten faveure van het lokale en bovenstatelijke niveau. Mede hierdoor was de PvdA betrekkelijk slecht bestand tegen de opkomende intellectuele mode om van de overheid in plaats van de oplossing vooral problemen te verwachten.

Verantwoordelijkheid

De gedachte dat de overheid bij het oplossen van problemen niet zelden de belangrijkste sta-in-de-weg was gaf ruim baan aan de opvatting dat mensen in de eerste plaats vooral zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven. Het was een opvatting die ook binnen de PvdA, zij het in de wat welwillender mantel van het verantwoordelijk burgerschap gehuld, opgeld deed. De van oorsprong Duitse politiek filosoof Yascha Mounk bestempelde de periode sinds de jaren tachtig in een twee jaar terug verschenen studie als het tijdperk van de verantwoordelijkheid. Het was, betoogde hij, steeds meer aan mensen zelf om de risico’s van het leven te dragen. Wie daartoe goed in staat was en mede daardoor succes kende was vervolgens een voorbeeld, wie pech of tegenslag had een schlemiel. Collectieve regelingen om te voorkomen dat de gevolgen van pech of tegenslag onevenredig zouden neerslaan bij het individu kwamen in de hele westerse wereld onder druk te staan. Eigen verantwoordelijkheid betekende bij succes niet zelden dat de winst voor eigen rekening kwam, bij tegenslag wilde het evenzo zeggen dat de gevolgen voor jezelf waren. Eigen schuld, dikke bult.

Met het thema zekerheid kan het vervolgens twee kanten op. Enerzijds kan het bedoeld zijn om de meest verstrekkende gevolgen van deze ontwikkelingen wat af te vlakken. Voor wie de uitdagingen van de moderne tijd om welke reden dan ook tijdelijk of meer permanent een maatje te groot zijn is er de zekerheid te kunnen terugvallen op collectieve regelingen. Zeker zijn van de basisuitgangspunten dat er voor iedereen een fatsoenlijke woning, een redelijk inkomen, goede zorg en een perspectief is voor zijn of haar kinderen, is dan de kern. Dat lijkt mooi, maar draagt het risico met zich mee dat die collectieve regelingen automatisch beschouwd worden als minderwaardig. Een sociale huurwoning is dan per definitie voor hen die niet zelfstandig konden kopen, een uitkering het gevolg van onvoldoende capaciteit of doorzettingsvermogen. In zorg en onderwijs zijn er de minimale regelingen voor hen die geen eigen geld hebben en de maximale mogelijkheden voor alle anderen.

Dat is een ontwikkeling die me niet alleen hoogst onwenselijk lijkt, maar die ook geen recht doet aan de sociaaldemocratische traditie. Juist daarom zou ik willen pleiten voor een veel duidelijker antwoord op de naar aanleiding van de campagne rond zekerheid gestelde vragen. Een antwoord daarop zou mijns inziens moeten beginnen met een ook door Mounk voorgestane herovering van het begrip verantwoordelijkheid. Daarbij zou het niet langer moeten gaan over de vraag hoeveel verantwoordelijkheid mensen op welk punt aankunnen en wanneer men gebruik kan maken van collectieve arrangementen, maar juist over de vraag op welke manier iedereen in staat gesteld wordt verantwoordelijk te zijn voor zichzelf en zijn omgeving. De overheid – op welk niveau dan ook – zou opnieuw de fundamentele zekerheid moeten verschaffen dat er een fundament onder de samenleving ligt waar niemand doorheen kan zakken. Dit maakt van de overheid opnieuw een plek waar iedereen samenkomt en niemand erbuiten valt. Dat geeft mensen vervolgens – of ze nu veel of weinig ondersteuning nodig hebben – de mogelijkheid met opgeheven hoofd onderdeel te zijn van onze samenleving. Die zekerheid staat naar mijn stellige overtuiging aan de basis van alle andere zekerheden, waarbij de menselijke waardigheid onverkort uitgangspunt is. De uitdaging voor de PvdA is dan vervolgens om de goede campagne rond zekerheid en zeker zijn als het ware te vullen met een aantal funderende inzichten over de meest wenselijke inrichting van de samenleving en de rol van de staat daarbij.

Nieuw zijn deze gedachten overigens niet, ze staan aan de basis van de oprichting van de partij. In het beginselprogramma van 1937 werd al in het hierboven reeds aangehaalde openingsartikel een vaste koppeling gelegd tussen bestaanszekerheid en ontplooiing. Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar al snel het begrip vrijheid bij. Bestaanszekerheid was vanuit dat perspectief een basis, een fundament waarop een menswaardig bestaan, persoonlijke ontplooiing en individuele vrijheid gebouwd werden. Het was een gedachte die Willem Banning tot het hart van zijn personalistisch socialisme maakte en waarop sociaaldemocraten van velerlei slag elkaar vonden bij de vorming van een brede, vooruitstrevende, sociaaldemocratische volkspartij. Het zijn gedachten die het verdienen vandaag de dag opnieuw onder de aandacht gebracht te worden. In de eerste plaats omdat de op zichzelf goede campagne rond het thema zekerheid een breder ideologisch fundament verdient. Maar in de tweede plaats evenzo omdat de politieke versnippering in Nederland noopt tot het aangaan van nieuwe allianties. Daarbij kunnen oude vormen en gedachten wellicht een bruikbare basis zijn.

De Banning Vereniging bestaat in 2019 honderd jaar. In november 1919 werd zij opgericht als Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Natuurlijk willen we dit moment gebruiken om terug te kijken op wat de afgelopen honderd jaar ons gebracht hebben én vooruit kijken naar wat wij als vereniging vanuit onze traditie de sociaaldemocratie en de samenleving kunnen meegeven. Daarom verschijnt dit najaar een boek onder de titel Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers.

Ook grijpen we ons jubileumjaar graag aan om de discussie over de in dit artikel besproken vragen gezamenlijk op een nieuwe manier te verkennen. We gaan daarom op verschillende plaatsen in het land in discussie over de betekenis van het begrip verantwoordelijkheid anno nu. Waarvoor voelen mensen zich verantwoordelijk? Hoe geven zij die verantwoordelijkheid concreet handen en voeten? Waar gaat dat goed en waar gaat dat soms mis? En welke steun hebben ze daarbij gemist en hoe kunnen we helpen? Als gemeenschappen, als politiek, als overheid? Over die vragen en veel meer gaan we ook graag met leden en belangstellenden in gesprek. Op dinsdag 14 mei organiseren we daarvoor een bijeenkomst in Utrecht. Meer weten of direct aanmelden? Klik hier voor meer informatie.

Schoolstrijd

i 2 maart 2019 door

Nadat Loes Ypma er in 2017 al een begin mee had gemaakt, deed Lodewijk Asscher er de afgelopen maanden nog een schepje bovenop; de privileges en rechten van het bijzonder onderwijs moeten maar eens ter discussie worden gesteld. Nu is dit een onderwerp waar de politiek en zeker de PvdA al een dikke eeuw mee zoet zijn. Ook, of misschien wel juist, binnen de Banning Vereniging. Het is dan gemakkelijk om van deze zoveelste discussie wederom te zeggen: waar maken we ons druk om, het werkt toch hoe het werkt. Symboolpolitiek. Volgende onderwerp.

Ik denk dat er juist nu goede redenen te zijn om naar het bijzonder onderwijs te kijken. Dat stel ik met enig lood in mijn schoenen.

Zelf heb ik namelijk ook bijzonder onderwijs genoten. Op verschillende protestants-christelijke basisscholen en een oecumenische middelbare school. Met veel plezier. Ja, het was echt bijzonder onderwijs, niet alleen met Kerstmis of Pasen. Wij kregen op de basisschool les over de inhoud van de Bijbel en elke week leerden we een lied uit het liedboek uit het hoofd. Daarover werden we overhoord. De godsdiensttwisten uit de zestiende eeuw en de tachtigjarige oorlog werden bepaald niet vanuit een neutraal perspectief behandeld. Op de middelbare school hadden we elke dag een dagopening met gebed en Bijbelvers. Er was godsdienstles waar, heel modern, wel alle wereldgodsdiensten werden behandeld. Omdat ik tot leerlingenafgevaardigde werd gekozen, sprak ik af en toe met het schoolbestuur. Dat werd gepresideerd door een orthodox-protestantse dominee. Ondanks dat was het en vooruitstrevende school, met veel medezeggenschap en een open verhouding tot homoseksualiteit en de rechten van gelovige minderheden.

Toen ik later in Amsterdam terecht kwam was daar het gesprek over bijzonder onderwijs vertroebeld door de situatie in de kleine, orthodoxe gemeenschappen. Er waren discussies of op het islamitisch onderwijs geen vrouwonvriendelijke lessen werden gegeven of werd neergekeken op afvalligen of andersgelovigen. Van de enige evangelische basisschool die de stad rijk was, werd gezegd dat ze niet open zou staan voor welk gesprek over homoseksualiteit dan ook. In dit discours wordt het voortbestaan van de vrijheid van godsdienst opgehangen aan wat er gebeurde in de kleine groep van scholen die islamitisch of evangelisch zijn. Ten onrechte. Voor de vraag of bijzonder onderwijs zou moeten voortbestaan is vooral de situatie in de grote scholengemeenschappen van belang.

In Amsterdam zijn er twee koepels, een christelijke en een katholieke, in zowel het basis- als voortgezet onderwijs. De besturen van deze onderwijsmolochen staan ver af van de leerlingen, ouders en docenten in de individuele scholen. Het idee, dat bijzondere scholen het bestuur in handen van de ouders ligt, is daarmee feitelijk wel van de baan (net als overigens in het openbaar onderwijs in Amsterdam). Daarnaast was tot mijn grote verbazing op de katholieke én de protestantse basisschool, die in mijn wijk vlakbij elkaar staan, de overgrote meerderheid van de leerlingen moslim. In de naastgelegen Daltonschool (openbaar) zaten meer witte kindjes en ook de kinderen die net als ik naar de protestantse kerk in de buurt gaan. De ouders van die kinderen vertelden mij, dat het geen zin had voor een christelijke school te kiezen omdat die ‘er toch niks aan deden’. Kennismaken met de Bijbel en de liederen doen kinderen in de Pijp thuis of in de kerk, niet op school. Want ook als christelijke scholen gemengder groepen hebben, wordt er hoegenaamd geen aandacht meer gegeven aan datgene waar de scholen voor zijn opgericht: het worden van een goed Nederlander door het overbrengen van de de christelijke normen, waarden, geschiedenis en rituelen. Met slechts wat activiteiten rond Kerstmis en aandacht voor zorg voor de naasten onderscheid je jezelf natuurlijk in het geheel niet van het openbaar onderwijs.

Wat mij betreft kunnen we met deze poppenkast stoppen.

Scholengemeenschappen die slechts in naam christelijk zijn, maar feitelijk niets aan de beoefening van godsdienst doen, rechtvaardigen geen instandhouding van het bijzonder onderwijs. De kans is groot dat dan alleen de nadelen overblijven, die Asscher terecht wil bestrijden. Selectie aan de poort, het schoolgeld en de enkele zwaar orthodoxe school waar andersdenkenden niet welkom zijn. De voortgaande secularisatie heeft ons nu eenmaal hier gebracht. Als overal de protestants-christelijke of katholieke zuil ineengestort is, zal dat in het onderwijs ook een keer moeten gebeuren. Pluriforme scholen, waar ouders en leerkrachten echt invloed hebben op wat er in de school gebeurt, waardegedreven onderwijs dat kinderen uitdaagt en stimuleert zelf keuzes te maken, daar zou ons onderwijsbeleid over moeten gaan.

Van wie is de school?

i 6 februari 2019 door

Afgelopen jaar hield historicus Wim de Jong bij een bijeenkomst van het Netwerk PvdA en Levensovertuiging een inleiding over de vrijheid van onderwijs. Daarbij stelde hij de vraag wie zich in Nederland eigenlijk eigenaar mag noemen van het onderwijs. Van wie is de school? In dit artikel geeft hij antwoord.

‘School, dat is toch de plek waar je erachter komt dat je ouders gek zijn?’ aldus Arjen Lubach in een item waarin hij de vrijheid van onderwijs onder de loep neemt. Hij vindt het maar raar dat op bijzondere scholen allerlei zaken mogen worden verkondigd die volgens hem pertinente onzin zijn en gelooft dat school kinderen juist moet emanciperen uit het milieu waarin ze opgroeien. In die discussies gaat het vaak over religie. Er wordt veel gedebatteerd over de vraag of islamitisch onderwijs nu een bijdrage aan de sociale cohesie levert of juist niet. Sommige tegenstanders van artikel 23 menen dat we er beter aan zouden doen om de gelijkstelling af te schaffen, zeker voor scholen die ze als fundamentalistisch zien. Mensen als Lubach gaan zelfs zover de hele vrijheid van onderwijs af te willen schaffen, zich daarbij waarschijnlijk niet realiserend dat dit een in de VN Mensenrechtenverklaring opgenomen grondrecht is.

Uit deze en andere media-uitingen blijkt dat artikel 23 van de grondwet, dat sinds 1917 de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs regelt, nog steeds het voorwerp is van strijd. In feite gaat die strijd over het eigenaarschap van de school. Dit eigenaarschap, bijvoorbeeld van leraren en ouders, staat momenteel weer in de belangstelling. Van wie is die school, van de ouders of van de gemeenschap? Tegenstanders van de vrijheid van onderwijs zien de school als een verlengstuk van de nationale gemeenschap, voorstanders zien haar juist als een verlengstuk van de ouders.

Een ingenieus compromis

Met artikel 23 hebben we een systeem opgetuigd, waarin overheidssturing en vrijheid voor (bijzondere) scholen ingenieus vervlochten zijn. De 60% van onze scholen die bijzonder zijn, houden zich aan een hele set regels, waardoor ze slechts op een paar punten echt anders zijn dan openbare. In dat licht is het niet vreemd dat het met het afschaffen van artikel 23 eigenlijk nooit verder komt dan de opiniepagina’s of een incidentele motie op een partijcongres. Op een symposium in januari 2017 waren verschillende oud-ministers van onderwijs aanwezig van verschillend politiek pluimage: van PvdA-coryfee Jos van Kemenade tot Loek Hermans (VVD) en Wim Deetman (CDA). Over één ding waren ze het roerend eens: wat je ook aan het onderwijs moest veranderen, artikel 23 functioneerde prima.

In een tijd waarin participatie van burgers veel aandacht krijgt, zou het vreemd zijn om de balans tussen staat en samenleving weer volledig te laten doorslaan in één richting, die van de staat. De tendens is juist de andere kant op: de overheid wil bijvoorbeeld bij de oprichting van nieuwe openbare scholen ouders steeds meer betrekken en legt ook het beheer meer en meer bij hen. Bij het vlot trekken van vernieuwing kan bijzonder onderwijs, of het nu een levensbeschouwelijke of didactische grondslag heeft, een rol spelen. Nieuwe scholen houden het onderwijsveld levendig en bieden ruimte voor nieuwe onderwijskundige ideeën vanuit de samenleving, die zich zo betrokken weet bij het onderwijs.

Ook bij de herbezinning op wat de school als gemeenschap nu eigenlijk bindt, kan uit die grondslag worden geput. Dat is hoognodig in een tijd waarin de verzakelijking op veel scholen ver heeft doorgezet en managementlogica allesbeheersend dreigt te worden. Het grote probleem met het eigenaarschap – het feit dat schoolbesturen zijn veranderd in koninkrijkjes die alles zelf kunnen regelen, van gebouwen tot salarissen – wordt niet veroorzaakt door de vrijheid van onderwijs, maar door het beleid van deregulering dat in de jaren negentig is ingezet door de politiek.

De Pacificatie van 1917, uitgewerkt in de lager onderwijswet van 1920, was het resultaat van een lange strijd. Al was die ten principale al gestreden in 1889, toen staatsfinanciering voor bijzondere scholen al gedeeltelijk werd doorgevoerd, pas tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ten slotte een groot akkoord bereikt. De in 2017 herdachte financiële gelijkstelling was een overwinning voor de confessionelen. Zij had evenwel ook de trekken van een compromis: in ruil voor volledige financiële dekking moest het bijzonder onderwijs veel meer staatsinvloed aanvaarden dan daarvoor. De overheid ziet sindsdien toe op de kwaliteit van het onderwijs in ruil voor subsidie en erkenning van de opleiding; haar invloed zou in de eeuw daarna steeds meer toenemen. ‘Aan den staatsruif zullen wij den dood eten’, luidde daarom een in het interbellum veel gehoorde kreet in protestants-christelijke kring.

In die honderd jaar was er wel steeds gebakkelei als het staatsingrijpen weer verder toenam en werd veel geklaagd over het ministerie. Iconisch was wat dat betreft de Mammoetwet, waarmee minister Cals in de jaren zestig het middelbaar onderwijs grondig reorganiseerde. Het verzet vanuit het bijzonder onderwijs was fel, maar het bleef bij verbaal wapengekletter. Grosso modo is altijd aanvaard dat op de onderwijsinhoud en de eindtermen voor veel vakken door overheidsinstanties invloed werd uitgeoefend. Hierdoor groeide er iets dat we in feite bijzonder staatsonderwijs kunnen noemen: qua leerplan lijken openbaar, katholiek en protestants onderwijs erg op elkaar.

Het bijzonder onderwijs is nooit exclusief op zichzelf gericht geweest, maar wilde door recht te doen aan de achtergrond van kinderen hen mede helpen bij te dragen aan de nationale gemeenschap, juist vanuit een stevige identiteit. Op die manier zouden ze als een ‘zoutend zout’ kunnen werken. Het was de confessionelen er vooral om begonnen godsdienstles te mogen geven, en om een christelijke sfeer in de klas; het bijzonder onderwijs is niet ontstaan vanwege een specifieke didactische visie. Het is dus van begin af aan een systeem geweest van gedeeld eigenaarschap. In juridische zin zijn de scholen eigendom van het particuliere ‘bevoegd gezag’, maar in praktische en inhoudelijke zin zijn ze ook van de nationale gemeenschap. Deze constructie heeft de groei van een grote particuliere sector van onderwijs in Nederland tegengegaan. De overgrote meerderheid van de bijzondere scholen heeft zulke lage toelatingseisen dat ze segregatie niet in de hand werken. Het is een constructie die ook breder in de ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat heeft gewerkt, zoals in de gezondheidszorg, waardoor zowel recht werd gedaan aan levensbeschouwelijke identiteit als aan toegankelijkheid.

Professionalisering en lumpsum

Met de uitspraak over de perfide invloed van de staat doelden confessionelen ook op een ander effect van de gelijkstelling: voor het in stand houden van de bijzondere school was niet langer de financiële steun van de achterban noodzakelijk. Dat gold lange tijd nog wel voor het secundair en tertiair onderwijs, dat nog niet onmiddellijk ook op gelijke voet werd gesubsidieerd. In gereformeerde kring prijkte in menig huishouden nog lang het collectebusje voor de Vrije Universiteit. De angst was dat de betrokkenheid van ouders zou gaan afnemen, doordat niet langer hun eigen geld in de school zat.

De strijdkreet van de schoolbeweging van Kuyper was geweest ‘de school aan de ouders’. Ouders speelden een dragende rol, bijvoorbeeld in de schoolvereniging, en leverden ook vaak bestuursleden voor de dorpsschool. Liberale tegenstanders meenden dat het eerder kerkscholen waren, maar feit is dat de bijzondere school steunde op een brede gemeenschap van betrokkenen: ouders, onderwijzers, dominee of pastoor. De angst dat staatsfinanciering dit weefsel zou gaan ondergraven, was niet onterecht. In de honderd jaar na 1920 zette zich een professionalisering in, waarbij ouders steeds meer naar de achtergrond verdwenen.

In de jaren tachtig kwam dit proces in een stroomversnelling. De scholen sloten zich aaneen tot steeds grotere conglomeraten. Deze schaalvergroting werd door de overheid aangemoedigd, onder het devies dat grotere school(besturen) meer ruimte boden voor professionalisering. Het leidde wel tot een verzakelijking van de sfeer op scholen. Begin jaren negentig werd dit proces nog versneld door de invoering van lumpsumfinanciering. Scholen mochten zelf op basis van een algemeen toegewezen budget hun personeelsbeleid voeren, en kregen hierdoor meer ruimte voor maatwerk. Sindsdien is niet langer de hoeveelheid docenten die een school in dienst heeft leidend, maar de hoeveelheid leerlingen.

De vrijheid van onderwijs is zo in feite enorm uitgebreid, doordat schoolbesturen tot op grote hoogte zelf mogen beslissen hoe ze met hun middelen omgaan. De schaalvergroting heeft inmiddels een punt bereikt waarin de sectieraden zoals de PO-raad worden bevolkt door vaak eenkoppige megabesturen. Die besturen zijn het object van veel kritiek. Ze zouden vooral hun eigen gevestigde belangen verdedigen. Geld dat voor leraren is bestemd zou aan management en dure nieuwbouw worden besteed. In het beleid dat ze voeren, is de afstand tot de werkvloer vaak erg groot geworden. De belevingswereld van schooldirectie en leraren staat ver af van het managementdenken op een hoofdkantoor verderop. Hierdoor komt het eigenaarschap van de andere betrokkenen in gevaar.

De overheid heeft dit tot nu toe redelijk laten begaan. Er vindt nauwelijks controle plaats op schoolbesturen, deze zijn geen verantwoording schuldig. De inspectie neemt ook een afwachtende houding aan, terwijl in een gedereguleerd toezichthoudersmodel haar rol cruciaal is. De gegroeide situatie is niettemin niet veroorzaakt door de vrijheid van onderwijs en artikel 23. Zoals we zagen heeft de staat in de jaren negentig haar sturende rol uit handen gegeven, en zij kan die invloed gewoon weer terugeisen: als zij ontevreden is over hoe het onderwijsveld omgaat met de beloning van leraren, kan zij schoolbesturen dwingen geld te oormerken voor salarissen. Zij zou juist meer handelen in de geest van artikel 23 wanneer zij haar rol op het gebied van het inzetten van de middelen, en de inspraak van ouders en leraren, onder andere in de medezeggenschap, nog meer zou versterken. De overheid zou haar eigen taak als bewaker van deugdelijkheid meer waarnemen, en bovendien het bijzonder onderwijs dwingen meer te handelen naar de geest waaruit het is ontstaan: vanuit een gemeenschap, een sociale beweging van betrokken ouders, onderwijzers, kerken en bestuurders. De gevestigde koepels moeten hier meer bij worden bepaald, om hun legitimiteit in stand te kunnen houden. Anderzijds bemoeit de overheid zich wel erg veel met de onderwijsinhoud. Hier kan de balans ook weer meer worden opgezocht.

Verruiming van de vrijheid van onderwijs?

Een veelgehoorde kritiek op het huidige systeem is dat het muurvast zit, omdat veel plekken voor scholen vergeven zijn en het daardoor niet eenvoudig is een nieuwe school op te richten. De krimp in het leerlingental leidt met name buiten de randstad inmiddels tot steeds meer samenwerkingsscholen. Vooral in groeigebieden zoals Amsterdam speelt daarentegen juist het oprichten van nieuwe scholen. Daarom heeft Sander Dekker nog als staatssecretaris van Onderwijs een voorstel ingediend om de onderwijsvrijheid verder te verruimen, en het beginsel van richting op te geven. Dat moet het eenvoudiger maken om met een vernieuwend didactisch concept, zoals de Ipad-school, een nieuwe school op te richten.

Het aantrekkelijke van deze voorgestelde verruiming van de onderwijsvrijheid is dat nieuwe scholen steunen op het enthousiasme van ouders die ervoor intekenen en van de grond af een nieuwe start kunnen maken. Toch zijn er ook hier wel wat zaken tegenin te brengen. Dekker, per slot van rekening een VVD-er, ziet een marktmodel in het onderwijs als aantrekkelijk. Maar het is juist die vermarkting die tot de huidige problemen heeft geleid, tot scholen die met elkaar concurreren met dure gebouwen en bestuurders die zichzelf als maatschappelijk ondernemers zijn gaan zien. Bovendien treft deze nieuwe scholen een verwijt dat bijzondere scholen altijd al gemaakt wordt, namelijk dat ze segregatie in de hand werken. Het protestants en katholiek onderwijs brachten en brengen evenwel bevolkingsgroepen bij elkaar door alle sociale lagen heen. De nieuwe vernieuwingsscholen daarentegen dreigen bunkers van de elite te worden, vol witte krullenkopjes. Meer eigenaarschap van ouders betekent hier vooral uitsluiting voor anderen.

Eigenaarschap terug claimen voor overheid én samenleving

Artikel 23 moet dus niet worden ingezet voor een neoliberale agenda, noch voor de vergroting van segregatie. Binnen de grote gevestigde bijzonder onderwijssector is echter wel levensgroot de kwestie van het eigenaarschap aanwezig. PO in Actie is niet uit de lucht komen vallen. Schoolbesturen moeten zich herbezinnen op het vormgeven van legitimiteit in eigen kring, onder leraren en ouders. Bestuursleden moeten weer meer binding krijgen met de werkvloer, en zich er niet op laten voorstaan om het even welke ‘uitdaging’ aan te willen gaan, los van inhoudelijke binding met de sector.

Intussen mag de overheid zich assertiever opstellen tegenover het onderwijsveld. De gevestigde belangen in het bijzonder onderwijs brengen dan al gauw artikel 23 in stelling. Vrijheid van onderwijs mag echter niet worden verward met de vrijheid om een mistige situatie in een half gedereguleerd onderwijsveld te laten bestaan. De vrijheid van onderwijs wordt daardoor niet bedreigd, maar heeft juist baat bij een overheid die haar rol actiever oppakt, in de vorm van inspectie en normering van bijvoorbeeld salarissen.

Artikel 23 staat voor de verwevenheid van overheid en samenleving. Bijzonder onderwijs wordt vormgegeven door zowel de nationale als de particuliere gemeenschap. Op die beide pilaren moet het blijven steunen, anders is het straks van niemand meer.

VERANTWOORDELIJKHEIDSVAKANTIE

i 4 februari 2019 door

In 2019 verkent de Banning Vereniging het begrip verantwoordelijkheid. Dat heeft zich de afgelopen jaren in het hart van het denken over politiek en samenleving genesteld. Politici hebben het bij voortduring over ‘verantwoordelijkheid nemen’ en ook burgers zijn voor steeds meer zelf verantwoordelijk. Maar wat bedoelen we eigenlijk met dit begrip. Politiek filosoof Yascha Mounk schreef er een interessant boek over, The Age of Responsability. Twan van Lieshout, winnaar van de Banning Prijs 2018, besprak het afgelopen jaar voor Tijd en Taak.

Behoort u eigenlijk wel tot de groep van mensen die rechtmatig een appèl mag doen op een uitkering? In mei van dit jaar lanceerde Klaas Dijkhoff een nieuw plan, of een proefballon zo u wilt. De bijstand zou verlaagd moeten worden. Hij ging er tijdens zijn speech op het VVD-verkiezingscongres gedetailleerd op in. Alleen mensen die bij het ‘goede volk’ horen die zouden er nog iets bij mogen krijgen. ‘Dat is wél de bijstandsmoeder die netjes de kinderen opvoedt, solliciteert en omkijkt naar de buurman, maar níet de zwartwerkende uitkeringstrekker.’ Dijkhoff zoomde hierbij in op de sociale zekerheid: ‘je krijgt geld van anderen op je rekening. Je claimt rechten, waarvoor je niets hoeft te doen. Wij van de VVD vinden dat als je niet solliciteert, geen opleiding volgt, dat je gekort moet worden.’ Maar omdat op deze harde aanpak kritiek is, stelde hij voor om het systeem om te keren. Een verlaagde uitkering. Je hoefde wat Dijkhoff betreft niet te creperen, maar dat was het dan ook wel. Als je je goed gedraagt, zoals door te solliciteren, krijg je er vervolgens ‘een stapje bij’. De VVD bepaalt wel wat goed gedrag is.

De kritiek was niet van de lucht. ‘Een volgevreten machtspartij’, volgens PvdA-leider Lodewijk Asscher. ‘Een werkloze vijftigplusser wil weer aan de slag. Zijn kwaliteiten inzetten voor de samenleving. En niet vernederd worden door Klaas Dijkhoff, die zegt dat je wel met wat minder toekan dan het bestaansminimum.’ Lilian Marijnissen hekelde dat ‘mensen die helemaal niet kunnen werken en afhankelijk zijn van de bijstand, voor straf nog meer moeten worden gekort.’

Het is met name deze laatste reactie waar het volgens politiek filosoof Yascha Mounk misgaat. In zijn indrukwekkende boek The Age of Responsibility. Luck, Choice and the Welfare State stelt hij dat er de laatste jaren een grote nadruk is komen te liggen op schuld en persoonlijke verantwoordelijkheid bij een beroep op maatschappelijke solidariteit. Zijn mensen zelf verantwoordelijk voor de penibele situatie waarin ze verkeren? En zo ja, waarom zou het gedeelte van de bevolking dat haar zaakjes wel op orde heeft (‘het goede volk’) daarvoor op moeten draaien? The Age of Responsibility is een boek dat al je ideeën over wie wel en niet recht hebben op een uitkering ter discussie stelt. Mounk bouwt daarvoor een interessant maar soms ook redelijk zwaar betoog op, waar we ons door een flinke maar goede bloemlezing van de politieke filosofie van de laatste vijftig jaar moeten worstelen. Niettemin is het een leesbaar boek, het is uitstekend gestructureerd en bouwt het ene argument op het andere, waardoor de centrale lijn steeds goed te volgen blijft.

Mounk start door te stellen dat we leven in een ‘eeuw van verantwoordelijkheid’. Steeds vaker wordt benadrukt dat burgers hun persoonlijke verantwoordelijkheid dienen te nemen. En waar vroeger met deze verantwoordelijkheid bedoeld werd dat je naar anderen omkijkt en hun als goed burger of uit naastenliefde helpt als ze in de problemen komen, staat de huidige verantwoordelijkheid voor een individuele verantwoordelijkheid. Je moet jezelf redden. Zelf moet je je best doen en zo niet, dan is er ook geen mededogen of hulp van de maatschappij. Alleen zij die zich verantwoordelijk gedragen, of in de woorden van Dijkhoff tot het ‘goede volk’ behoren, worden nog geholpen. Mounk toont hierbij aan dat deze transformatie zich zowel in de politieke filosofie en de sociologie als in de politiek heeft voltrokken.

In de politieke filosofie werd in de vorige eeuw het utilitarisme, waar anderen elkaar moesten helpen als dat tot een groter geluk leidde, vervangen door het contractualisme van John Rawls en het geluk-egalitarisme van Ronald Dworkin. Dit contractualisme gunt de minst bedeelden in een fictieve onderhandeling een maximale uitkomst, maar verwacht wel dat burgers meedoen aan de samenleving en zich aan het contract houden. In het geluksegalitarisme worden de echte pechvogels gecompenseerd door de maatschappij, maar mogen diegenen die een afgewogen goede of slechte keuze maken wel beter of slechter af zijn. Het zette de deur open, aldus Mounk, naar nieuwe politieke keuzes die in de moderne meritocratie burgers zelf verantwoordelijk maken voor de keuzes die ze maken. Als deze tot slechte uitkomsten leiden, zijn deze burgers zelf verantwoordelijk en hoeven ze niet bij de staat aan te kloppen. Tenzij ze kunnen aantonen dat ze niet persoonlijk verantwoordelijk zijn voor hun leed.

Vanaf de jaren tachtig leidde dit via Reagan en Thatcher, tot en met sociaal democraten van de derde weg als Blair en Schröder tot een politiek van zelfredzaamheid. Zelf je broek ophouden. Als je onverhoopt toch een beroep op de staat moet doen, dan dien je je vervolgens als een goed burger te gedragen. Bewijs van sollicitaties, bewijs dat je niet ongeoorloofd samenwoont. In de Volkskrant van 16 juni 2018 stond waartoe dat kan leiden: een controleapparaat van de overheid, dat burgers in hun intiemste privé-situaties bespioneert, op zoek naar bewijzen van onverantwoordelijk gedrag. Waarna de overheid kan gaan korten op deze gecriminaliseerde bijstandsgerechtigden. Buren die elkaar aangeven. Het is een systeem gebaseerd op wantrouwen, dat steeds ongemakkelijker aanvoelt. Terwijl tegelijkertijd nieuwe proefballonnetjes worden opgelaten, ten behoeve van een samenleving die de schuldvraag steeds centraler stelt.

De traditionele reactie van links, aldus Mounk, is dat het enerzijds meegaat in dit discours van rechts en accepteert dat inderdaad persoonlijke verantwoordelijkheid en schuld bepalend is voor het recht hebben op steun van de samenleving. Als je je misdraagt of nalatig hebt gehandeld, dan krijg je niets. Anderzijds probeert links te ontkennen dat diegenen die in een penibele situatie van werkloosheid of armoede verkeren daar zelf verantwoordelijk voor zijn. Deze mensen ‘kunnen helemaal niet werken’, in de woorden van Marijnissen. Mounk betoogt dat dit slecht aansluit bij onze intuïtie: het zou betekenen dat een deel van de bevolking feitelijk geen regie heeft over het eigen leven. Immers, hun uitgangssituatie (de genen, de jeugd, de opvoeding) en de samenleving (onderwijs, in welke wijk je woont) heeft hen zo benadeeld, dat ze niet verantwoordelijk zijn voor het feit dat ze een beroep doen op anderen. Als deze anderen hun hulpvraag vervolgens ondersteunen, dan zijn er twee ongelijke klassen gecreëerd in de samenleving: zij die bekwaam en onbekwaam zijn in het voeren van een eigen regie. Dit is niet wat we willen, noch de ontvangers, noch de verstrekkers. We willen allemaal dat we een zekere mate van persoonlijke regie hebben over ons eigen leven, en daarvoor als volwaardige burgers ook verantwoordelijk kunnen worden gehouden.

Hoe dan wel te reageren? Mounks oplossing is dat we voortaan wel accepteren dat mensen verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het feit dat hun onheil is overkomen waarvoor ze steun behoeven van anderen, zoals bijvoorbeeld werkeloosheid. De vraag hierbij is wel of Mounk collectieve (economische) problemen niet te makkelijk onder het tapijt schuift. Mounks stelt dat we vervolgens een tweede stap achterwege laten: we accepteren dat burgers weliswaar wel verantwoordelijk kunnen zijn, maar dat we ze daarom nog niet per se verantwoordelijk hoeven houden voor hun ongelukkige situatie. Hier zijn veel goede redenen voor.

Ten eerste is het controlesysteem hopeloos inefficiënt. Een overheid kan nauwelijks voor alle burgers die zich tot haar wenden voor een uitkering gaan kijken in hoeverre ze zich onverantwoordelijk hebben gedragen. Hebben ze voldoende en met overtuiging gesolliciteerd, in hun jeugd een opleiding verkwanseld, een pakje sigaretten per dag gerookt? Ten tweede maakt zo’n overheid ongetwijfeld fouten. Bijvoorbeeld door te stellen dat een vrouw stiekem samenwoont en zo de bijstand oplicht, terwijl ze eigenlijk wat vaker over de vloer kwam bij de bovenbuurman omdat hij verzorging nodig had. Het is onrechtvaardig dat deze mensen gestraft worden. Bovendien wakkert het hele systeem angst aan, ook onder het ‘goede volk’ van Dijkhoff, dat ook niet kan weten of ze ooit een beroep op de collectieve solidariteit moet doen. Er ontstaat een stigma op het aanvragen van het een uitkering. Als laatste blijken straffen ook een slecht middel om mensen weer op het goede pad te krijgen. Boetes en kortingen leiden tot systematische schulden. Het afpakken van een uitkering leidt tot het verkopen van de auto die nodig is om bij het volgende sollicitatiegesprek te komen. De persoonlijke verantwoordelijkheidsdoctrine en de bijbehorende strenge straffen leiden zodoende tot een samenleving waarin problemen eerder groter worden dan kleiner, waar ook de samenleving als geheel niet mee gediend is. Beter dus om deze, ook al is het wellicht contra-intuïtief, te vervangen door een voldoende genereuze ondersteuning, waardoor behoeftigen opnieuw regie over hun leven kunnen voeren, en zich kunnen herpakken. Zo wordt deze groep niet structureel tot tweederangsburger gedegradeerd.

Maar waarom zouden we dit moeten doen? Volgens Mounk omdat er waarden zijn die we belangrijker vinden dan louter straf en verantwoordelijkheid. Hij wil deze niet zelf invullen, maar hier de samenleving zelf over na laten denken. Het maakt het boek ietwat onaf en sterker in de kritiek op de straf en de persoonlijke verantwoordelijkheid dan in de oplossingen en nieuwe waarden voor een genereuzere samenleving. Want mogelijke waarden liggen voor de hand. Zoals bijvoorbeeld naastenliefde, of gelijkwaardigheid, waardoor mensen niet geparkeerd worden als zielige tweederangsburger. Of het verantwoordelijk kunnen zijn voor anderen, of dit nu familie, vrienden of onbekenden zijn. Het kunnen zorgen voor anderen geeft immers velen zin.

Zodoende kwam de reactie op Dijkhoffs plan van ChristenUnie-leider Gert-Jan Seegers misschien nog wel het dichtst in de buurt van de oplossing van Mounk: hij stelde dat de overheid er moet zijn voor iedereen, ongeacht schuld, omdat het kloven verkleint en vertrouwen herstelt. Het is een begin van een betere benadering: minder gericht op straf en schuld, meer op kansen, hoop en het terechte vertrouwen dat het grootste gedeelte van de bevolking zich wel degelijk verantwoordelijk wil gedragen.