Vrijheid

i 31 maart 2021 door

Vrijheid is een groot goed. De vrijheid om te kunnen zijn wie je wil, te kunnen zeggen wat je vindt, te kunnen geloven wat je wil. De vrijheid om zelf keuzes te maken. De vrijheid om ergens bij te willen horen of om juist niet mee te doen. Maar waar praten we dan over? Het is een te rechtvaardigen vraag, na een week waarin de vrijheid op een curieuze manier geweld werd aangedaan.

Het gaat me dan om een aantal droevige verwikkelingen die afgelopen weekend plaatsvonden. In Krimpen aan de IJsel en op Urk werd door kerkbesturen besloten ondanks de pandemie die voor de zoveelste keer steeds zorgelijker trekken begint aan te nemen hun kerk open te stellen voor een groot publiek. Inclusief samenzang, zonder mondkapje. Het was en is een onbegrijpelijk besluit, zeker als je in ogenschouw neemt dat de gevolgen van het nog verder oplopen van het aantal besmettingen desastreus kunnen zijn. Opnieuw sluiten van scholen, het nog veel langer gesloten houden van ondernemingen, van plaatsen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, het laten voortduren van de avondklok en het maximeren van het aantal bezoekers thuis. Het zijn stevige beperkingen van de fundamentele rechten en vrijheden van mensen die mogelijk langer moeten voortduren, omdat een aantal kerken besluit de adviezen en vermaningen van de overheid naast zich neer te leggen.

En dat was niet het enige. Journalisten die verslag wilden doen werd het werken onmogelijk gemaakt. Een aantal werd fysiek belaagd. Een journalist werd zelfs aangereden, met een kind op de bijrijdersstoel als getuige van het trieste handelen van zijn vader.

Als vanzelf stak op sociale media vrijwel direct een storm van verontwaardiging op. Daar was op zichzelf alle reden toe. De vrijheid die deze kerken zich op grond van de grondwettelijke vrijheid van godsdienst en levensovertuiging toe-eigenden, werd op goede gronden betwist. Overigens leert artikel 6 van de Grondwet dat ook deze vrijheid grenzen kent. ‘Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’, zegt het eerste lid van artikel 6. Die verantwoordelijkheid, die toch ook verder gaat dan de mogelijke beperkingen die de wet formeel stellen aan het houden van de eredienst, hadden kerkbesturen in Krimpen en op Urk klaarblijkelijk niet voor ogen.

Het is een klap in het gezicht van al die religieuze gemeenschappen die zich met soms grote moeite houden aan de door de overheid gestelde richtlijnen. Het was bovendien een handelen dat grote gevolgen kan hebben voor de vrijheid van godsdienst zelf. Als kerken daar op deze onverantwoordelijke wijze mee omgaan, wat let een verregaand ontkerkelijkte samenleving vervolgens de vrijheid van godsdienst verder in te perken?

Dat dit geen illusie is, laat de discussie over artikel 23 van de grondwet zien. NRC Handelsblad publiceerde afgelopen weekend een vraaggesprek met oud-leerlingen van de Reformatorische Scholengemeenschap Gomarus in Gorinchem. Het zijn aangrijpende verhalen. Met name het relaas van een meisje dat werd opgesloten in de kamer van een leerlingenbegeleider omdat ze haar ouders moest vertellen over haar geaardheid greep me naar de keel. Hoe kan je als school zo omgaan met je leerlingen? Hoe kan je als mens zo omgaan met een kind? Zelfs op papier was de radeloze angst van het meisje, dat nog even leek te overwegen vanaf de tweede verdieping naar beneden te springen om de georganiseerde confrontatie te ontlopen, invoelbaar.

Ook in het debat over de vrijheid van onderwijs blijkt vervolgens dat het met deze voorbeelden steeds moeilijker wordt nog een redelijke discussie te voeren over de merites van het grondwetsartikel zelf. En dat is ook begrijpelijk. Als de rechten van kinderen op een dergelijk grove wijze terzijde geschoven worden, met welk recht brengen betrokkenen dan nog hun grondwettelijk recht in het debat in. [1] Terzijde: Kirsten van den Hul en Lodewijk Asscher brachten voor de verkiezingen een afgewogen voorstel ter modernisering van artikel 23 naar voren, het is te hopen dat parlementaire behandeling daarvan na de verkiezingen snel op de agenda komt. Kern ervan: de vrijheid van onderwijs en de gelijke bekostiging van openbaar en bijzonder onderwijs blijven behouden, maar de voorwaarden die er nu ook al zijn worden aangescherpt en de verhouding tussen het recht zelf een school te stichten en de rechten van kinderen worden meer met elkaar in lijn gebracht.

Vrijheid brengt verantwoordelijkheid met zich mee en het zou goed zijn daarover ook in breder perspectief het debat te voeren. Dat debat zou moeten gaan over de invulling die we ons vrijheidsbegrip geven, over verantwoordelijkheid en vrijheid als twee zijden van de zelfde medaille en over de ingewikkelde verhouding tussen de vrijheid van groepen, organisaties en instellingen enerzijds en de vrijheid van individuen anderzijds.

In dat debat helpt het overigens niet verschillende misstanden tegen elkaar weg te strepen. Gert-Jan Segers maakte zich in dat opzicht naar mijn overtuiging volslagen belachelijk door op twitter te stellen dat hij ‘vandaag een tweet [had] kunnen plaatsen over de aanslag op geloofsgenoten in Indonesië. Over de geslaagde intimidatie van Lale Gül die stopt met islamkritiek. Maar de “ja maar Krimpen en Urk dan!” waren m’n deel geweest’. Het is onmiskenbaar dat in verschillende religieuze gemeenschappen misstanden aan de orde zijn. En ook in seculiere kringen zijn die er. Maar de ene misstand vergoelijken door op een andere te wijzen past een verantwoordelijk politicus toch niet?

Wat dan wel? Nodig zijn mijns inziens twee dingen. Ten eerste een grondig debat over religieus verschil en de ruimte die een moderne samenleving daarvoor ook zou moeten maken. Maar belangrijker is ten tweede nog dat we opnieuw een stevig en fundamenteel debat voeren over ons begrip van vrijheid.

In haar briljante studie naar de geschiedenis van het vrijheidsbegrip stelde Annelien de Dijn dat het eigenlijk vreemd is dat we bij het vrijheidsbegrip alleen denken aan de liberale interpretatie ervan. Dan gaat het voornamelijk om de gedachte dat vrijheid in essentie gaat om het gevrijwaard zijn van normstelling of regels door anderen. De meer klassieke interpretatie, waarin vrijheid nauw verbonden is met democratie, zeggenschap en gelijkheid, komt ondertussen te weinig aan bod. In de woorden van De Dijn: ‘in vrijwel elk (…) politiek kamp is het idee dat vrijheid nauw verbonden is met persoonlijke veiligheid en individueel recht dominant. Maar we zouden ons moeten herinneren dat er ook een andere kant is aan het verhaal van vrijheid. Immers, eeuwenlang was vrijheid een overtuigend ideaal juist omdat het opriep tot meer controle van mensen over de regering, inclusief het gebruik van de staatsmacht om het collectief welzijn te vergroten. Het zou met name goed zijn in herinnering te brengen dat, voor de grondleggers van onze moderne democratie, vrijheid, democratie en gelijkheid geen conflicterende maar juist nadrukkelijk met elkaar verbonden begrippen waren’. [2]

Als afgelopen weekend iets laat zien, dan is het wel dat de gedachte dat vrijheid vooral bestaat bij de gratie je eigen keuzes te kunnen maken niet kan zonder reflectie op de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Tezelfdertijd maakt het weekend, waarin in tal van beschouwingen over het curieuze verloop van de kabinetsformatie tot nu toe werd vastgesteld dat ons democratisch bestel aan een grondige onderhoudsbeurt toe is, duidelijk dat het dan niet kan blijven bij de dominante gedachte dat vrijheid in essentie gaat om de rechten en ruimte van het individu. Het gaat ook om de vraag wat we met elkaar delen en hoe we in gezamenlijkheid vorm geven aan onze toekomst.

[1]: voor mijn eigen perspectief op de vrijheid van onderwijs verwijs ik graag naar een eerdere bijdrage daarover op deze website: ‘De school is niet van de staat’. Deze is hier te lezen.
[2]: Annelien de Dijn, Freedom. An Unruly History (Cambridge, MA 2020) 345 (mijn vertaling). Het boek van De Dijn verschijnt in de loop van april in Nederlandse vertaling.

De staat verzorgt: recht als sociaaldemocratisch instrument

i 3 maart 2021 door

Bij ons in Middelburg maakt Jan al bijna 38 jaar de straten schoon. Knaloranje pak, prachtig karretje, een praatje voor iedereen. Hoe goedlachs hij ook is, zijn zorgen deelt hij met een grimas. De verhoging van de pensioenleeftijd, terwijl hij zo graag eerder stopte. Zijn zoektocht naar een nieuw huurhuis, waarbij hij onmogelijk de gevraagde 1400 euro kan betalen. Al helemaal niet omdat de zorgpremie die hij spaart aan het einde van het jaar naar de verzekeraar gaat.

Werk, wonen, zorg, onderwijs. De achteruitgang die Jan voelt geldt het grootste deel van de samenleving, en bij uitstek de meest kwetsbaren. Juist jongeren, lager-opgeleiden en mensen met een handicap hebben steeds vaker een flexibel contract en krijgen met corona buitensporig veel klappen. Voor hen, ook, is het tekort van ruim 330.000 woningen het meest acuut. Corona maakte iedereen pijnlijk duidelijk hoe onze zorg door de bezuinigingen, decentralisaties en algehele verwaarlozing onder het minimum zakte, maar trof weer de meest kwetsbaren het zwaarst. Dat geldt ook voor de tekorten in het onderwijs, waardoor bijvoorbeeld een kwart van de vijftienjarigen laaggeletterd is.

Terecht, dus, dat ons Plan voor Nederland vol inzet op deze klassiek sociaaldemocratische thema’s. Die ene zin uit de Internationale – ‘de staat verdrukt, de wet is logen’ – moet na al die jaren vervangen door ‘de staat verzorgt’. Wat volgens mij echter mist, en ook al jaren, is de rol van het recht in het bereiken van de doelen van de sociaaldemocratie: goed werk, liefdevolle zorg, onderwijs met gelijke kansen, een betaalbare woning voor iedereen en een schone en duurzame toekomst. Wie dit vertaalt in de onderliggende rechten begint bij de burger en brengt zo die eerlijke toekomst dichterbij.

Daarbij is het dus van belang om mensenrechten breed te beschouwen. Terwijl de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens net zozeer sociale, economische en culturele rechten als burgerlijke en politieke rechten bevat, worden de twee categorieën te vaak als ongelijksoortig gezien. Sociale rechten zijn dan inspanningsverplichtingen, en alleen klassieke grondrechten rechtstreeks afdwingbaar. Zie hierbij de kritiek van de Amerikaanse historicus Samuel Moyn, die in zijn boek Not Enough betoogde dat de mensenrechten juist op dit punt tekort schieten. Het internationale recht is inmiddels veel verder ontwikkeld, maar in Nederland is het beeld van sociale rechten als zorgplichten hardnekkig.

Toch is het de moeite waard, juist voor sociaaldemocraten, om de sociale en economische rechten als het recht op goede arbeidsomstandigheden, op toegang tot zorg, op onderwijs, op adequate huisvesting af te stoffen, aan te scherpen en in te zetten. Door bijvoorbeeld, in het parlement, wetgeving te toetsen aan juist deze grondrechten.. Zij vormen immers in potentie een belangrijk, en vaak vergeten, instrument van de sociaaldemocratie. Het recht is immers niet alleen een schild, maar ook een zwaard in de strijd tegen onrecht.

De vraag waarom dit instrument in de afgelopen decennia zo weinig is ingezet vraagt om een aparte analyse. Daarbij speelt de formulering van de sociale grondrechten zoals deze in 1983 in de Grondwet op werden genomen. Daar gelden de bevordering van voldoende werkgelegenheid, de bestaanszekerheid, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en de verbetering van het leefmilieu, de volksgezondheid en het onderwijs allemaal als zorg van de overheid (in artikelen 19 – 23). Zorgplichten, dus. Niet, zoals het geval is in veel verdragen, als rechten. Op billijke en gunstige arbeidsvoorwaarden, op duurzame ontwikkeling, op een zo goed mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid of op onderwijs. Dit terwijl die grondrechten in verdragen, juist in Nederland, nog ‘boven’ onze eigen Grondwet staan. Daarnaast zijn zij, binnen het internationale recht, vaak steeds dwingendrechtelijker ingevuld en daarmee steeds meer bruikbaar als instrument voor sociale verandering. Daarmee is er een kloof ontstaan tussen de internationaal- en Europeesrechtelijke interpretatie van veel sociale rechten (rechtstreeks werkend) en de interpretatie die in Nederland gangbaar is (enkel een zorgplicht van de overheid).

Dat de expliciete inzet van dit instrument veel op zou kunnen leveren is duidelijk: voor ZZP-ers die nog altijd last hebben van ongelijke arbeidsomstandigheden. Voor de 600.000 mensen met een armoederisico. Voor de 40.000 daklozen in ons land. Voor de jongeren die maanden, soms jaren, op de wachtlijst staan voor jeugdzorg. Voor de duizenden thuiszitters in Nederland, die geen school wil hebben. Voor de generaties na ons, die straks zitten met de rommel van ons consumptiegedrag. Maar wat zou een sterkere nadruk op hun sociaaleconomische rechten vragen? Hieronder drie aspecten: een grotere rol van de kamer, een nadruk op de afdwingbaarheid en oog voor alle betrokken actoren.

Ten eerste zou ook de Tweede Kamer beleid en wetgeving veel sterker moeten toetsen aan de sociale en economische rechten dan zij nu doet. Met collega’s schreef ik bijvoorbeeld al vóór de invoering van de Participatiewet over de spanning met het VN-Verdrag Handicap omdat Wajongers erop achteruit zouden gaan. Ook zou de combinatie van decentralisatie van de maatschappelijke zorg met bezuinigingen deze toets niet hebben doorstaan. Kamerleden zweren of beloven weliswaar trouw aan de Grondwet (in de breedste zin) maar laten deze vervolgens veel te vaak in de kast liggen. Ook hebben zij vaak weinig (eigenlijk geen) belangstelling voor verdragsrapportages over de stand van sociale en economische rechten in Nederland. Dit terwijl bijvoorbeeld op het gebied van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen (met jaarlijks 200.000 slachtoffers) het Verdrag van Istanbul expliciet vraagt om een rol van het parlement in het toezicht op naleving. En gemeenten inmiddels, met de verantwoordelijkheid voor de WMO, expliciet het beleid zouden moeten toetsen aan, bijvoorbeeld, het Kinderrechtenverdrag.

Daarbij is het ook belangrijk om de ‘rechtskracht’ van sociale en economische rechten te versterken. In het verkiezingsprogramma (paragraaf 7.6, voor de liefhebbers) belooft de PvdA protocollen te ratificeren. Het gaat dan om optionele protocollen bij het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, bij het VN-Verdrag Handicap en het Kinderrechtenverdrag. Zij vormen allemaal de brug tussen recht hebben en recht krijgen omdat zij mensen in staat stellen om desnoods bij de relevante VN-Comités te klagen dat Nederland de rechten op het gebied van werk, wonen, zorg en onderwijs erin niet respecteert. Het is niet zonder reden dat vooral de VVD deze ratificatie al jaren tegenhoudt – daarmee moeten alle mooie beloftes in de verdragen ook echt ingelost. Schandalig is het natuurlijk wel, dat Nederland bijvoorbeeld als een van de weinige Europese landen op papier alle rechten in het VN-Verdrag Handicap erkent, maar mensen niet toelaat om deze rechten dan ook via de rechter af te dwingen. Dit terwijl toegankelijker treinen, levensloopbestendige huisvesting, echt passend onderwijs en werk voor twee miljoen mensen in Nederland zo’n verschil zouden maken.

Een derde aandachtspunt in een politiek gebaseerd op sociaaleconomische rechten is de vraag wie verantwoordelijk is voor het respecteren, beschermen en verwezenlijken van die rechten. Goed werk, betaalbaar wonen, liefdevolle zorg, onderwijs dat verheft: zij mogen wel de zorg van de overheid zijn maar de verantwoordelijkheid is inmiddels vaak verlegd naar decentrale overheden en een lappendeken van gemeenschappelijke regelingen, zelfstandige bestuursorganen, uitvoeringsorganisaties en semi-private instanties. Juist daar is het marktdenken dominant en spelen rechten een veel te kleine rol. Maar weer een Zeeuws voorbeeld: bij het opheffen van de Jeugdzorgorganisatie Intervence ging het nauwelijks over de rechten van de betrokken kinderen, en alleen over de kosten. Gemeenteraden die, net zoals de Inspectie, aan de noodrem wilden trekken stonden buitenspel omdat zij de bevoegdheid op die gebied overgedragen zouden hebben. Wij moeten terug naar een hernieuwde verhouding tussen recht, staat en politiek, zoveel is inmiddels wel duidelijk. Maar als andere organisaties verantwoordelijk zijn voor werk, wonen, zorg of onderwijs is het zo belangrijk om de rechten waar het om gaat op te nemen in de taakstelling, opdrachtverlening of raamovereenkomst.

Recht voor allen! Zo heette het blad van Domela Nieuwenhuis. Daarbij gaat het om recht voor iedereen, maar ook om alle rechten. Juist met de rechten op goed werk, wonen, onderwijs en betaalbaar wonen in de hand brengen wij die eerlijker toekomst waar wij voor staan dichterbij. Juist daarom moeten wij juist deze rechten als instrument voluit inzetten: op nationaal en lokaal niveau, in de kamer en voor de rechter. Om er, na al die jaren, voor te zorgen dat voor Jan, en voor heel veel anderen, die ene zin uit de Internationale niet meer geldt: ‘zijn recht is een ijdel woord’.

Jong schrijftalent over de stad anno nu

i 1 februari 2021 door

Afgelopen najaar verzorgden Maarten van den Bos (Banning Vereniging) en Wiljan Linders (Wiardi Beckman Stichting) samen een beknopte schrijfcursus voor de deelnemers aan de leergang Hart voor Amsterdam. Een van de opdrachten in de leergang was het schrijven van een essay over de stad anno nu. Drie deelnemers – Querine Hoejenbos, Liz Zoetekouw en Maarten Labots – schreven zulke mooie essays, dat ze een podium verdienen. Daarom publiceren we de essays hieronder. Reageren? Of ook een essay in de pen? Mail naar info@banningvereniging.nl.

Querine Hoejenbos – Jouw stad door de ogen van de bezoeker

Dagelijks fiets ik dwars door Amsterdam. Langs Artis, over bruggetjes in de Jordaan en kriskras tussen auto’s door over de grachten. Terwijl ik fiets kijk ik naar de mensen die ik op mijn weg passeer. Allen zijn op hun eigen tocht door de stad. Mijn stad. De stad waar ik als student tien jaar geleden voor gekozen heb en waar ik nu nog steeds met veel genot in woon.

Dat genot voor deze stad, dat stralen veel van de passanten op mijn fietstochten ook uit. Zij drentelen door De 9 Straatjes, kijken hun ogen uit bij de georganiseerde chaos op het Leidseplein en verbazen zich over de hoeveelheid geparkeerde fietsen rondom het Centraal Station. Met telefoon en semiprofessionele camera’s in de hand leggen zij de stad waarin in ik mag wonen vast voor het thuisfront en hun herinneringen.

De blik van een toerist
Als ik eens netjes voor een stoplicht wacht, volg ik met interesse wat de toeristen nu weer op de gevoelige plaat leggen. En meer dan eens valt het me dan op dat ik hun enthousiasme eigenlijk niet geheel begrijp. Dat ik me vertwijfelend afvraag waarom ze nou net van dat stukje Amsterdam een foto willen maken. Waarom kiezen ze ervoor om juist bij dat café een biertje te drinken? Wat is er zo bijzonder dat zij mijn stad op deze manier willen beleven?

Als bewoner bekijk ik mijn stad namelijk echt met een andere blik. Ik zie de tram niet als exotisch avontuur om door de urban jungle te rijden, maar als noodzakelijk vervoer om te gebruiken als het regent. Die brug vol met fietsen aan de reling is niet een Instagram-waardige foto, maar eerder irritant omdat mijn eigen fiets er niet meer bij past. En zelfs de échte monumenten van mijn stad, zoals het Rijksmuseum en het Anne Frankhuis vind ik maar drukke toeristische trekpleisters.

Tegelijkertijd herken ik die blik van de toeristen die mijn stad aanschouwen maar al te goed. Het is dezelfde blik waarmee ik talloze plekken heb ontdekt tijdens bezoek aan familie en vrienden, dagjes uit als toerist in eigen land en internationale stedentrips. Als bezoeker van een nieuwe plek probeer je zo veel mogelijk te beleven en je ondertussen als echte local te gedragen. Je stapt de bus in zonder de route te kennen, loopt over de markt van het dorpsplein met onbekende streekproducten, bezoekt een museum waarvan je eerder het bestaan niet afwist en geniet van de lokale gastvrijheid in je nieuwe favoriete kroeg.

Bewoner versus bezoeker
Als toerist maak je gebruik van al bestaande voorzieningen in de plaats die je bezoekt. Deze voorzieningen worden in eerste instantie aangeboden door en voor de lokale bevolking en ondernemers. Als toerist mag je hier even van proeven, maar ze zijn niet specifiek voor jou bedoeld. Als bewoner van Amsterdam neem ik het gewoon voor lief dat ik 86 musea in mijn stad kan bezoeken, dat de horeca en het nachtleven zo uitgebreid en van hoog niveau zijn, en dat er altijd wel een bus of tram rijdt om mij van A naar B te rijden. Maar is die houding wel terecht?

De discussie lijkt vaak te gaan over het ‘teruggeven’ van de stad aan de bewoners. De implicatie daarbij is dat de stad natuurlijk niet van de toerist is en ooit nooit zou mogen worden. Deze strijd tussen bewoner en bezoeker is wellicht het meest zichtbaar in Amsterdam, maar hetzelfde kan ook voor veel andere plaatsen in Nederland gezegd worden. Eigenlijk kan deze kwestie in elke plaats of streek opspelen waar niet alleen lokale bevolking maar ook bezoekers van willen genieten.

De vraag is alleen of je de belangen tussen deze groepen echt zo stellig tegenover elkaar kan zetten. Zouden al die voorzieningen die bewoners voor lief nemen er nog zijn zonder dat er bezoekers zijn die hier ook gebruik van maken?

Mensen maken de stad
Ruimte voor kunst en cultuur, goed onderhouden parken, snelle OV-verbindingen, een uitgebreid horeca-aanbod: alles wat een plek aantrekkelijk en leefbaar maakt, kan niet enkel bestaan voor de eigen bewoner. Het zijn voorzieningen waar lokale overheden, ondernemers en bewoners op verschillende manieren sterk in investeren. Het is alleen niet haalbaar om deze voorzieningen op een hoog niveau of in grote getalen aan te bieden zonder toestroom van nieuwe gebruikers. Zouden de zes treinen per uur naar Zandvoort aan Zee ook rijden voor enkel de eigen bewoners? Kunnen de 86 musea in Amsterdam bestaan met alleen Amsterdammers als bezoekers? Nee, het lijkt mij duidelijk dat dit geen realistisch beeld van de werkelijkheid oplevert. Duurzamer is het te investeren in voorzieningen waar zowel lokale bewoners als bezoekers gebruik van kunnen maken.

Er wordt wel gezegd ‘mensen maken de stad’. Maar over welke mensen hebben we het dan precies? Te vaak worden de belangen van de bewoner namelijk uitgespeeld tegen de belangen van de toerist die jouw woonplaats komt bewonderen. En zo veel verschillen die belangen niet. Want hoe gezellig is het dorpsplein nou echt zonder volle terrasjes? En hoeveel langer wordt jouw reistijd naar werk als de bus minder vaak rijdt? Beperk je blik dus niet tot enkel de bewoner, want ook de bezoekers maken de stad. En verdrijf je de toerist uit jouw plaats, dan verdrijf je daarmee ook de voorzieningen voor de bewoners zelf.

Dat is waar ik aan denk, de volgende keer dat ik me al fietsend door Amsterdam erger aan een groep toeristen. Dat zij hier zijn zorgt er mede voor dat ik gebruik kan blijven maken van alles wat mijn stad te bieden heeft. Dus bekijk jouw woonplaats eens door de bril van de bezoeker. Je hebt elkaar nodig om de aantrekkingskracht voor toeristen én de leefbaarheid voor bewoners in balans te brengen.

Liz Zoetekouw, Het dorpsgevoel in de stad

Toen ik in 2015 vanuit ‘de regio’ naar Amsterdam verhuisde, kende ik vrijwel niemand in de stad. Ik was onder de indruk van de overvolle trams en bussen, van de ontelbare fietsers in de ochtendspits en van de enorme hoeveelheid mensen die op elke vierkante kilometer wonen. Veel mogelijke nieuwe vrienden dus, maar waar moet je beginnen?

Al snel beschouwde ik mezelf meer als toeschouwer van het Amsterdamse leven, dan als deelnemer. Mijn nieuwe collega’s hadden hechte vriendengroepen en vaste kroegen, de fietsers in de ochtendspits waren te druk (en te chagrijnig) om een praatje mee aan te knopen. Ik herinner me nog goed de verademing als ik mijn dorp in het zuiden bezocht: daar was ik niet anoniem, daar was ik gewoon een deelnemer.

Vijf jaar geleden was het duidelijk nog niet mijn tijd, maar een jaar geleden ben ik opnieuw naar de hoofdstad verhuisd en nu draai ik volop mee. Toch zal ik dat gevoel van eenzaamheid nooit vergeten, juist omdat ik in Amsterdam steeds vaker het idee heb dat veel mensen alleen zijn. Hoe kunnen we in zo’n grote stad zorgen dat men blijft omkijken naar elkaar, hoe krijg je hier ook een ‘dorpsgevoel’?

Eenzaamheid in de stad
Twee jaar geleden constateerde het RIVM dat de wijken met het grootste aandeel ‘ernstig eenzame personen’ liggen in drukke, grote steden. Ik zie twee belangrijke redenen waarom de stad meer eenzaamheid kent dan het dorp.

Allereerst is het in een grote stad vrijwel normaal om de mensen om je heen niet te kennen. Zo hebben wij na een jaar nog niet eens al onze naaste buren ontmoet (vier verdiepingen op links, vier verdiepingen op rechts). Dat komt deels omdat we genoeg hebben aan onze huidige vrienden, maar het komt ook doordat er zoveel mensen in onze straat wonen dat we ons niet echt verbonden voelen met onze naaste buren. Andere voorbeelden zie ik in de supermarkt, drogist, kapper of kledingwinkel. In tegenstelling tot mijn ouderlijk dorp, kom ik daar in Amsterdam vrijwel nooit bekenden tegen. In een grote stad wonen zoveel mensen, dat je per definitie een kleiner percentage kent van de mensen om je heen. Ik geloof dat het hierdoor vanzelfsprekender wordt om anderen niet te zien.

De tweede reden is het zogenoemde omstanderseffect. Sociaal-psychologisch onderzoek naar noodgevallen laat zien dat hoe meer mensen daaromheen staan, hoe kleiner de kans dat iemand gaat helpen. Hiervoor zijn verschillende redenen mogelijk, bijvoorbeeld dat men denkt dat hulp al in gang is gezet of dat men aanneemt dat er om een specifieke reden niet wordt ingegrepen. Ongeacht de reden, het effect is dat op drukke plekken minder snel hulp wordt geboden.

Eenzaamheid is misschien niet altijd een noodsituatie, maar je hebt wel anderen nodig om eruit te komen. Ik heb het gevoel dat die helpende hand in de stad minder snel wordt geboden. Toen ik laatst bijvoorbeeld in de tram stapte, zat daar een vrouw zachtjes te huilen. Daaromheen zaten zo’n tien andere mensen, maar de vrouw werd nauwelijks aangekeken. Ik wilde haar blik vangen, dat mislukte. Toen kwam mijn halte. Ik stapte uit, de vrouw bleef. Het intrigeert me zo dat ik haar waarschijnlijk wel had aangesproken als dit in mijn dorp was gebeurd. Misschien komt het door het omstanderseffect, maar volgens mij is het in de stad lastiger om vreemden aan te spreken.Ik zie dus twee problemen in een grote stad: het is makkelijker om mensen niet te zien én de stap om elkaar aan te spreken is groter. Hoe kun je die situaties aanpakken?

Verbinding in een open stad
Ontmoetingscentra lijken de meest voor de hand liggende oplossing voor eenzaamheid. Hoewel die initiatieven veelal positieve gevolgen hebben, bereiken ze niet iedereen. Ik had zelf in 2015 ook niet echt zin om daar even vrienden te gaan zoeken.

Daarom wil ik ingaan op het concept ‘open stad’, uitgewerkt door onder meer socioloog Richard Sennett. Hij stelt dat steden tegenwoordig worden vormgegeven met een ultiem einddoel (‘gesloten systeem’), terwijl steden historisch gezien juist steeds veranderen op basis van de laatste ontwikkelingen (‘open stad’). Het gaat daarbinnen ook over verstedelijking, waarbij Sennett zich afvraagt hoe mensen zich verbonden kunnen voelen als ze elkaar halverwege hun leven pas ontmoeten. Volgens Sennett moet de stad zó worden vormgegeven dat mensen geen fysieke barrières hebben om zich van de ene naar de andere plek te verplaatsen. Een ‘open stad’ gaat op deze manier veel verder dan het neerzetten van buurthuizen of ontmoetingscentra: het gaat om infrastructuur en verspreiding van voorzieningen.

Ik kan me hier goed in verplaatsen, omdat ik het in 2015 vreselijk vond om standaard een half uur te moeten fietsen om iets te kunnen ondernemen. Dat (in combinatie met de stromende regen) ontmoedigde me elke keer om naar buiten te gaan. De activiteiten waren in het centrum, mijn buurt had denk ik als hoofddoel om te bestaan uit zoveel mogelijk appartementencomplexen. De enige activiteit die ik daar om me heen zag, waren mensen die moe thuiskwamen of die vol enthousiasme het pand verlieten. Daarom zou het goed zijn om buurten of wijken in een stad in te richten zoals complete dorpen. Voorzieningen zoals sportclubs, scholen, parken en speeltuintjes zouden maximaal een kwartiertje lopen moeten zijn. Het gewenste gevolg is dat je de mensen in je buurt vaker tegenkomt, waardoor je gezichten onthoudt en elkaar vervolgens gemakkelijker aanspreekt.

Volgens mij is het creëren van dorpjes in steden een belangrijke eerste stap om eenzaamheid op te lossen. Laat buurtbewoners zich op een natuurlijke manier verbonden voelen met hun directe woonomgeving, zodat ze daar meer tijd gaan spenderen. De stap om te participeren, wordt voor eenzamen zo een stuk verlaagd. Het is belangrijk om oog te houden voor de mensen om je heen, juist ook op die plekken waar er veel mensen zijn. Op die manier wordt het voor iedereen mogelijk om deelnemer te zijn, niet langer een toeschouwer.

Maarten Labots, Doe open de poort! Samen bouwen aan een open, sociale stad.

Wij mensen zijn sociale wezens: afhankelijk van elkaar, gebouwd om samen te leven en met interactie als onze belangrijkste energiebron. Tegelijkertijd wijzigt de manier waarop we onze plek in de maatschappij innemen continu. Niet alleen ligt het fenomeen van individualisering altijd op de loer, ook de manier waarop we onze sociale contracten vormgeven en de-institutionaliseren verandert, juíst in de stad. Deze ontwikkelingen vragen om een stad die gebouwd is om met deze vraagstukken om te gaan. Want als we elkáár zo hard nodig hebben om de grootste opgaves van de 21e eeuw het hoofd te bieden (de klimaatcrisis, groeiende ongelijkheid of corona om enkele te noemen), waarom zijn onze steden dan zó gebouwd dat we vooral binnen onze eigen bubbel blijven? Het roer moet om, want een sociale, toekomstbestendige stad is een open, maar verbonden stad. Een betoog voor solidariteit via stadsplanning.

Beter een goede buur dan een verre vriend
Onderzoek van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) gaf een aantal jaar geleden een positief beeld: de meerderheid van de mensen voelt zich thuis in hun woonwijk. Tegelijkertijd meldde het CBS dat dit niet automatisch tot meer burencontact leidt. Bijna 40 procent van de ondervraagden geeft aan veel contact te hebben met de omgeving, terwijl een kwart van de buurtbewoners stelde elkaar nauwelijks te kennen. Dit beeld wordt versterkt in de stad, waar minder mensen hun buurt als een sociale omgeving ervaren dan in de kleinere gemeenten. In niet-stedelijke gebieden geeft bijna twee keer zo veel van de bewoners aan solidariteit in de buurt te ervaren dan bij de ondervraagden in de stad. En zo heel verwonderlijk is dit eigenlijk ook niet. Mede door de stijgende huizenprijzen, het tekort aan starterswoningen en de toename van gentrificatie bestaat er het risico dat buurten dusdanig veranderen dat de ‘oorspronkelijke’ en ‘nieuwe’ bewoners moeite hebben om elkaar te vinden. Het Amsterdamse woningmarktbeleid is in dit opzicht al zeer verstandig, gericht op bijvoorbeeld het vermengen van huisvestingsvormen zoals koop, huur en vrije sector. De ‘verbonden stad’ van inclusiviteit en sociale integratie is niet voor niets een van de pijlers van het huidige stadsbestuur.

Voor het creëren van een verbonden stad zijn de ideeën van socioloog Richard Sennet zeer interessant. Zijn boek Building and Dwelling: Ethics for the City zou de architecten, planologen en bestuurders in Amsterdam (en daarbuiten) moeten triggeren om met een nieuwe blik naar hun werk te kijken. Ze zouden hun ogen moeten richten op een nieuwe vorm van stadsplanning, waarbij de verzoening tussen ville en cité als randvoorwaarde geldt voor de open, verbonden stad. Sennet maakt namelijk onderscheid tussen de wijze waarop de stad is gebouwd (ville) en de manier waarop erin geleefd wordt (cité). In mijn interpretatie is dit het verschil tussen de infrastructuur van een stad en de invulling van het burgerschap in de stad. Alleen het juiste beleid kan zorgen voor de verzoening tussen deze twee. Dat betekent openheid in architectuur door transparant, verbonden en toegankelijk te bouwen en het daarbij uitdragen van normen en waarden als solidariteit, gelijkheid en het delen van kansen. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bewoners met verschillende achtergronden gestimuleerd worden om zowel binnen de eigen bubbel als daarbuiten sociale interactie aan te gaan.

Waar infrastructuur en burgerschap samen komen
Maar wat betekent dit concreet? Hoe bouw je ‘letterlijk’ aan solidariteit en verbinding via de infrastructuur van een stad? Dat kan bijvoorbeeld door de wijze waarop we huizen en wijken inrichten. Te denken valt aan meer nieuwbouw met gemeenschappelijke buurttuinen of meer hofjes en gezamenlijke groenvoorzieningen. Bouw scholen open, ruim, licht en midden in de wijk. Zo is alleen al de omgeving een uitnodiging voor transparantie en sociale cohesie. Tegelijkertijd is er ook in de huizen zelf ‘ruimte’ voor verbetering mogelijk. Door te kiezen voor appartementen met minder eigen, individueel woonoppervlak, maar juist met meer gemeenschappelijke ruimtes om samen te sporten, eten of film te kijken. Dit soort open, toegankelijke ruimtes zorgen er niet alleen voor dat we onze buren weer een beetje beter leren kennen, maar dragen ook bij aan sociale zorg voor elkaar. Let jij een beetje op mij, dan let ik een beetje op jou. Zo brengen we de samen-leving ook weer terug áchter de voordeur. Laat alle wijken bovendien met elkaar verbonden zijn door toegankelijk, gratis en hoogfrequent openbaar vervoer en vervang het individuele autobezit door hubs voor elektrische deelauto’s.

Hoe men leeft in de stad kan dus worden gestimuleerd door de samenstelling en structuur van zijn ‘stadsmuren’. Datzelfde geldt voor de wijze waarop we onze stad bewonen. Stadsbeleid moet (nog) sterker worden ingericht op het naast en door elkaar laten leven van verschillende culturen, generaties, overtuigingen en achtergronden. De gemeente kan daarin sturen met bestedingsplannen en de ruimtelijke inrichting van zijn (nieuwbouw)wijken. Door woningen en buurten modulair te maken, kunnen wijken bovendien gemakkelijker meegroeien met hun bewoners. Een focus op burgerparticipatie en grassroots initiatieven wordt hierbij ook steeds belangrijker. Wanneer burgers in transparantie en openheid samen hun buurt, wijk of stad vormgeven, wordt sociale cohesie onderling bevordert. Goede voorbeelden hiervan zijn energiecoöperaties in de wijk om groene stroom op te wekken.

Onderzoek naar sociale cohesie in de gentrificerende arbeiderswijken laat daarbij overigens nog een ander aandachtspunt zien. Initiatieven die cohesie tussen ‘gelijken’ bevorderen zijn nodig alvorens men in staat is toenadering tot andere groepen te zoeken. Dit geldt met name voor kwetsbare bewoners en bewoners die moeite hebben zich aan te passen aan de veranderende situatie in hun buurt. De wijze waarop de gemeente subsidies aan buurtprojecten en -initiatieven toewijst zal hier rekening mee moeten houden.

Transitie van lange adem
Een vraagt die tegelijkertijd rijst, is of zo’n open stad wel betaalbaar is? Hoe zorgen we bijvoorbeeld voor meer buurttuinen of groen in de wijk wanneer elke vierkante meter telt in de strijd tegen de torenhoge huizenprijzen? Een terecht punt, dat alleen uitgelegd kan worden vanuit het grotere plaatje van de transitie naar een open stad. Net zoals Keulen en Aken ook niet in een dag gebouwd zijn, geldt dat ook voor Amsterdam of elke ander toekomstige open stad. Daarom is het belangrijk dat we een stip aan de horizon durven te zetten. Wie de open stad in 2050 wil bereiken, zal vanaf dat punt moeten backcasten welke stappen we de komende dertig jaar hiervoor moeten zetten. Te beginnen met vandaag en morgen. Dit betekent onder meer dat er ook een koppeling gemaakt moet worden met andere grote opgaves, zoals klimaatverandering en sociale ongelijkheid, met een ruimere blik op onze stadsbegroting tot gevolg. Op het moment dat we bijvoorbeeld de economische waarde van ecosysteemdiensten in de stad laten meewegen in wijkplanning, dan kunnen parken – met oog op klimaatadaptatie, hittebestendigheid en biodiversiteit – de competitie om de vierkante meters gemakkelijk aan. Datzelfde geldt voor sociale cohesie. Wanneer we ook hiervan de waarde voor de wijk in financiën uitdrukken – bijvoorbeeld in de kosten van minder overlast, een hoger welzijn of gezondere bewoners – bij besluiten over de wijze waarop we onze scholen of wijken inrichten, dan krijgt elke bestede euro een nieuwe lading.

Centrum van solidariteit
Het concept van de open stad laat zien op welke manier de inrichting van de stad bepalend kan zijn voor de manier waarop zijn inwoners erin samenleven. Door te kiezen voor transparantie en gelijkheid én door aandacht te besteden aan de wijze waarop verschillende groepen hun plek in de wijk en tot elkaar bepalen, winnen we terrein terug op het individualisme. Zo transformeert de stad via zijn muren, wijken en parken naar een centrum van solidariteit en verbinding.

 

De voorzitter blikt terug

i 7 december 2020 door

Dat 2020 de geschiedenisboeken in zal gaan als het coronajaar, dat moge duidelijk zijn. Wat valt er over het bijna afgelopen jaar te zeggen vanuit het perspectief van onze Banningvereniging? Het onderstaande is niet bedoeld als jaaroverzicht maar als persoonlijke impressie.

Corona en Milieu

Aan het begin van het coronajaar (21 februari) kon de tweede Banninglezing in de Rode Hoed op het nippertje worden uitgesproken door de directeur van Urgenda, Marjan Minnesma. Vervolgens maakte de coronacrisis inclusief lockdown aan iedereen nog eens duidelijk hoe groot de impact van ons ‘normale’ leven op onze leefomgeving is. Wat werd de lucht plotseling schoon… Natuurlijk kwam de vraag op of we het coronavirus mede over ons hebben afgeroepen door onze levensstijl: de wijze waarop we het milieu exploiteren. Moeten we niet veel groener, gezonder en bewuster gaan leven?

Zoals de Banningvereniging in een brief aan de verkiezingsprogramma-commissie al geschreven had: de klimaatcrisis is niet alleen een technisch maar ook een moreel vraagstuk. Tegelijk kan de klimaatcrisis niet alleen overwonnen worden door een betere individuele levensstijl. Stevig ingrijpen van overheidswege blijft een must. In zijn boek Een beter milieu begint niet bij jezelf doet auteur Jaap Tielbeke een dringend beroep op de politiek. De ecologische crisis is allesomvattend en gecompliceerd. Het is een mythe dat we allemaal even schuldig zouden zijn aan klimaatverandering. Vleesloze dagen en vliegschaamte zijn natuurlijk prima, maar mogen de politiek niet weerhouden van nieuwe, strenge regelgeving. Ook kunnen we ons niet de klimaatcrisis uit innoveren door alleen te speculeren op slimme technologie. Er is politieke actie nodig, en wel nu.

De discussie over de aan KLM te stellen eisen bij financiële steun na de uitbraak van de coronapandemie zijn wat dat betreft illustratief voor wat ons na de landelijke verkiezingen van 2021 te wachten staat: beantwoording van de vraag hoe hard de eisen zijn die de overheid gaat stellen bij de uitvoering van de Nederlandse Klimaatwet en Europese Green New Deal. Goed dat we als Banningvereniging besloten hebben om het huidige jaarthema – klimaatpolitiek – verder te behandelen in de eerste helft van 2021!

Corona en Overheid

Het blijft opvallend hoe de overheid in 2020 een comeback maakte, in ieder geval het overheidsimago flink werd opgepoetst. Zelfs rechts lijkt de overheid weer voorzichtig te omarmen. In tijden van crisis leert men zijn vrienden kennen en iedereen weet weer hoe belangrijk een goed functionerende overheid is. Om de regie in handen te nemen; noodzakelijke maatregelen te treffen om de samenleving in rudimentaire vorm voort te laten bestaan; om offers te vragen op grond van solidariteit. Een betrouwbare, transparante, goed werkende, communicatieve overheid is van levensbelang.

Helaas voedde de onzekerheid omtrent de uitkomsten van de coronamaatregelen, zeker tijdens de tweede lockdown, een scherp en bij vlagen buitengewoon gepolariseerd debat. Tevens voedde het bij een aantal landgenoten een fundamenteel wantrouwen jegens instituties. Corona leek ons eerst dichter bij elkaar te brengen, maar bracht vervolgens ook de bestaande maatschappelijke kloven en tegenstellingen nog eens pijnlijk aan het licht (rijk/arm, jong/oud, zwart/wit, gelovig/seculier). In een gepolariseerd maatschappelijk klimaat is het te hopen dat politici niet alleen tegenstellingen publiek uitvergroten, maar ook zoeken naar gezamenlijke oplossingsrichtingen, en dat niet alleen buiten het zicht van de camera.

Dat we overigens niet al ons vertrouwen op de overheid moeten stellen bleek tijdens de parlementaire verhoren rond de uiterst pijnlijke Toeslagenaffaire. Een voorbeeld van volstrekt doorgeschoten overheidshandelen waarin politici en ambtenaren de verantwoordelijkheid achteraf graag naar elkaar afschuiven. En dan zwijg ik nog maar over het onthutsende onvermogen bij zowel het Nederlandse kabinet als bij Europese politici om te komen tot een humane oplossing van de vluchtelingencrisis, in het bijzonder op Lesbos. Het gaat dus niet alleen over meer of minderheid overheid maar ook over de vraag wat een ‘goede’ overheid in morele zin betekent.

Corona en zingeving

In het PvdA concept-verkiezingsprogramma staat een mooie passage over het belang van de door corona zo zwaar getroffen kunst en cultuur: kunst en cultuur gaan over wie we zijn, over de verhalen die we elkaar vertellen en wat we dromen. Ook maken ze zaken bespreekbaar. Kunst en cultuur vormen een betekenis-gevende activiteit in een samenleving waarin dit jaar veel mensen geconfronteerd werden met eenzaamheid, verlies en gevoelens van zinloosheid. Dat laatste zeker ook onder jongeren. Het onderstreept weer eens het grote belang van een perspectief in het leven. Het geeft ook het grote belang aan van ontmoetingen, iets voor een ander kunnen doen, betekenisvolle contacten. Juist in een tijd waarin we veel van die contacten moeten missen worden we ons weer zeer bewust van het grote belang ervan. De mens is een sociaal wezen dat alleen in verbinding met anderen tot volle ontplooiing kan komen (Willem Banning). De ‘allenige mens’ verpietert snel (Dirk de Wachter).

Het onderstreept ook het grote belang van levensbeschouwelijke verbanden. In alle diversiteit stellen zij de vraag naar zin en betekenis van het leven. En pogen die vraag te beantwoorden in het licht van een specifieke traditie. Hopelijk zonder daarbij anderen en hun antwoorden uit te sluiten. Van het grote belang van samenbindende verhalen, rituelen en symbolen zijn we ons weer sterker bewust geworden. Dat is winst in een jaar dat verder grote verliezen kent.

Ten slotte

Het boek dat eind 2019 over onze Banningvereniging verscheen heet: Geloven in het ideaal. Aan ons de opdracht om ook in 2021 in het ideaal te blijven geloven en daarover met elkaar en de samenleving in dialoog te treden. Open en verdraagzaam, maar ook vanuit de overtuiging dat het ideaal van een vrije, rechtvaardige, humane en duurzame samenleving nog heel wat arbeid vergt.

Over perspectief gesproken: 2021 wordt hopelijk het jaar van een goed werkend vaccin. Wereldwijd, ook in landen die minder kapitaalkrachtig dan Europa en Amerika kunnen inkopen op de markt van vaccinaties. Ook hier is de vraag: hoe kan een goede overheid er zorg voor dragen dat we met elkaar de juiste keuzes maken. Het gaat dan niet alleen over de feitelijke verdeling van geld en goederen, maar ook over de vraag of die verdeling moreel houdbaar is.

Een Nederlands verkiezingsjaar wordt 2021 ook. Met hopelijk een goed resultaat voor links. Bovenal wordt komend jaar een jaar waarin we elkaar weer ‘levend’ gaan ontmoeten. Zoomen heeft zo z’n voordelen, maar er gaat niets boven echte ontmoetingen van aangezicht tot aangezicht. Zelfs als dat nog even op anderhalve meter dient te geschieden.

De school is niet van de staat. Pleidooi voor artikel 23

i 11 november 2020 door

In het debat over de vrijheid van onderwijs lijkt het vooral te gaan over de vraag of we wel of geen scholen op levensbeschouwelijke grondslag willen. Veel wezenlijker achterliggende kwesties komen daardoor veel te weinig aan de orde. Zoals de vraag: “Van wie is eigenlijk de school?”

In het vroege voorjaar van 1902 woedde op de pagina’s van socialistisch dagblad Het Volk een verhit debat tussen dichteres Henriëtte Roland Holst en Pieter Jelles Troelstra, voorman van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Waar Roland Holst pleitte tegen de subsidiëring van het bijzonder onderwijs en alle kinderen verplicht naar door de staat ingerichte en betaalde scholen wilde sturen, vond zij Troelstra op haar weg. Naar diens overtuiging betrad Roland Holst een vervaarlijk aflopend pad: ‘Vandaag de school, morgen de kerk, overmorgen de vereniging’. Een gepikeerde reactie van Roland Holst, die Troelstra toevoegde dat zij toch geen ‘onverdraagzame fanatieker’ was, mocht niet baten. ‘Wie zelf kinderen heeft’, hield hij de ongewild kinderloze dichteres voor, ‘moet zich maar eens afvragen of hij gedwongen wil worden, zijne kinderen naar een school te zenden, waar een geest heerscht die hij verderfelijk vindt’. Dit debat uit de vroege twintigste eeuw lijkt in grote trekken wel op de discussie zoals die vandaag de dag opnieuw over de vrijheid van onderwijs wordt gevoerd.

Nu is dat debat niet nieuw. Sinds in 1917 in de Nederlandse grondwet werd vastgelegd dat burgers vrij zijn een eigen school te stichten, deze vervolgens te funderen op een levensbeschouwelijke, religieuze of onderwijskundige grondslag en alle scholen aanspraak kunnen maken op gelijke financiering, is er een maatschappelijk gesprek gaande over de vraag of dit nog wel wenselijk is. Dat debat wordt echter al te vaak versmald tot de vraag of onderwijs op levensbeschouwelijke of religieuze grondslag nog wel van deze tijd is. En dat is jammer, omdat een goed begrip van de vrijheid van onderwijs zoals we die kennen een belangrijke basis kan zijn om een aantal fundamentele problemen aan te pakken waar het onderwijs in Nederland vandaag de dag mee te kampen heeft.

Eisen van deugdelijkheid

De vrijheid van onderwijs wordt geregeld in artikel 23 van de Grondwet. Daarin is als eerste vastgelegd dat het onderwijs ‘een voorwerp’ is van ‘aanhoudende zorg der regering’. Hierop wordt in zeven opvolgende onderdelen de vrijheid van onderwijs vrij precies omschreven. Het geven van onderwijs is vrij, met dien verstande dat iedere school onderworpen is aan toezicht door de overheid, ook waar het gaat om de bekwaamheid van de onderwijsgevenden. Openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij wet geregeld en in iedere gemeente dient het openbaar onderwijs goed toegankelijk te zijn. Alle scholen dienen te voldoen aan eisen van deugdelijkheid, waarbij een zekere mate van vrijheid wordt toegekend aan het bijzonder onderwijs. De eisen van deugdelijkheid worden echter voor alle scholen die uit algemene middelen gefinancierd worden in wet- en regelgeving zo vastgelegd, dat ze voor zowel openbare als bijzondere scholen even afdoende worden gewaarborgd. Pas hierna is opgenomen dat het bijzonder onderwijs dat aan alle in de wet te stellen voorwaarden voldoet, op dezelfde wijze als het openbare onderwijs gesubsidieerd wordt. Het artikel sluit af met de opdracht aan de regering jaarlijks verslag te doen van de staat van het onderwijs aan de Staten-Generaal.

De opeenvolging van onderdelen van artikel 23 is niet willekeurig. Als lid van de commissie die de precieze formulering van de vrijheid van onderwijs moest voorbereiden, hamerde Troelstra op de deugdelijkheid van al het onderwijs. Het was naar zijn overtuiging wezenlijk dat de overheid kon bepalen wat precies de randvoorwaarden van goed onderwijs waren. Op welke grondslag dat onderwijs vervolgens gefundeerd werd en op welke manier leerlingen zich de voorgeschreven kennis eigen maakten, dat was de vrijheid van de school. Als er derhalve burgers waren die naast het goed toegankelijke en uit algemene middelen gefinancierde openbaar onderwijs in hun gemeente een bijzondere school wilden stichten – bijvoorbeeld een school op levensbeschouwelijke of onderwijskundige grondslag – dan moest dat kunnen, mits werd voldaan aan een aantal randvoorwaarden. De financiering van het bijzonder onderwijs was en is dan ook altijd voorwaardelijk.

Ongemakkelijk gesprek

In het debat over de vrijheid van onderwijs lijkt de kennis van het betreffende grondwetsartikel en de geschiedenis ervan niet altijd bij alle deelnemers paraat. Dat de overheid op tal van manieren voorwaarden kan stellen waaraan scholen moeten voldoen en daarop ook toezicht kan houden via de onderwijsinspectie, is een gegeven dat in het soms heetgebakerde debat wat verloren lijkt te gaan. Daarvoor zijn twee oorzaken aan te wijzen, die elkaar bovendien versterken.

Ten eerste is het maatschappelijk gesprek over de publieke rol van religie en levensbeschouwing er de afgelopen jaren niet gemakkelijker op geworden. Nadat Nederland vanaf de jaren 1960 in rap tempo ontkerkelijkte en het vlechtwerk van organisaties op religieuze grondslag uiteenrafelde, is een maatschappelijk zelfbeeld ontstaan van een moderne, seculiere samenleving. Daarin is uiteraard wel plaats voor godsdienst en levensovertuiging, maar die plaats is duidelijk afgebakend binnen het privédomein. Een al te geprononceerde maatschappelijke rol van religie past niet bij dat zelfbeeld. Ten tweede wordt goed burgerschap vooral begrepen als de mate waarin mensen bereid zijn een betrekkelijk algemeen omschreven set normen en waarden te onderschrijven. De vraag naar de uitkomst van het democratisch gesprek wordt daarmee belangrijker dan de kwaliteit van dat gesprek zelf.

Als het dan vervolgens gaat over de vrijheid van onderwijs versterken het ongemak met de publieke rol van religie en een specifieke opvatting van goed burgerschap elkaar. Onderwijs op levensbeschouwelijke grondslag past dan niet alleen maar moeilijk in het beeld van het ontkerkelijkte Nederland, het schuurt bovendien met de conceptie van modern burgerschap als het onderschrijven van een aantal vooraf vaststaande, min of meer algemeen gedeelde waarden. Die kunnen immers, in theorie en praktijk, botsen op religieuze voorstellingen en ideeën.

Segregatie

In de discussie over de vrijheid van onderwijs ontstaat zodoende een tegenstelling tussen onderwijs op religieuze grondslag enerzijds en op niet-religieuze grondslag anderzijds. Die tegenstelling is in de Grondwet echter nergens als zodanig terug te vinden. Daarin gaat het om openbaar onderwijs enerzijds en bijzonder onderwijs anderzijds. Dat bijzonder onderwijs kan vervolgens katholiek, protestants of islamitisch zijn, maar ook montessori- of daltononderwijs. De gedachte dat vooral onderwijs op religieuze grondslag niet in een moderne samenleving past – onder meer omdat het onvoldoende bij zou dragen aan goede burgerschapsvorming – kleurt in hoge mate de discussie. Juist scholen op religieuze grondslag zouden kinderen op sluiten in ‘parallelle samenlevingen’ en hen onvoldoende toerusten voor de ‘moderne Nederlandse samenleving’. Het is echter de vraag waar die opvattingen precies op gebaseerd zijn.

Als het gaat om segregatie, signaleert de onderwijsinspectie in haar jaarlijkse rapportage over de staat van het onderwijs een al jaren groeiend probleem. Voor de kansen van kinderen op een goede schoolloopbaan, worden het inkomen en vooral het opleidingsniveau van de ouders steeds bepalender. Dat heeft zowel te maken met de mogelijkheid van hoogopgeleide en goed verdienende ouders te investeren in de ontwikkeling van hun kinderen, als met een verschil in mobiliteit. Onderwijssegregatie, zo stellen onderzoekers, is niet zelden een afgeleide van woonsegregatie. En waar het wat meer kapitaalkrachtige en goed opgeleide ouders nog wel lukt om kinderen iets verder van huis op een betere school te krijgen, is dat voor ouders met een smallere beurs die bovendien minder gemakkelijk hun weg vinden in het woud van keuzemogelijkheden en regelgeving vaak lastiger. Wat daarbij opvalt, is dat uit opvolgende jaargangen van de Staat van het onderwijs blijkt dat juist het onderwijs op levensbeschouwelijke grondslag naar verhouding het minst bijdraagt aan segregatie naar inkomen en opleidingsniveau. En dus juist het minst bijdraagt aan de vorming van die gevreesde parallelle samenlevingen.

Ook de gedachte dat een religieuze grondslag de gewenste burgerschapsvorming in de weg zou staan is moeilijk hard te maken. Het is een gegeven dat Nederlandse kinderen in internationaal vergelijkend onderzoek gemiddeld genomen niet goed scoren als het gaat om burgerschapsvaardigheden. De vraag in hoeverre dat mede veroorzaakt wordt door het feit dat ongeveer zeventig procent van de Nederlandse kinderen in de basisschoolleeftijd een bijzondere school bezoekt, is moeilijk te beantwoorden. Verschillende deskundigen betogen juist het tegendeel. In haar recente proefschrift over burgerschapsvorming in het islamitisch onderwijs kwam Marietje Beemsterboer tot de conclusie dat het islamitisch onderwijs in brede zin juist relatief goed scoort als het gaat om burgerschapsvorming. En in zijn pamflet Het Wilhelmus voorbij stelde onderwijskundige Bram Eidhof dat vooral de politieke verlegenheid in het omschrijven van heldere eindtermen en randvoorwaarden bijdraagt aan een matige ontwikkeling van het burgerschapsonderwijs.

Vraag is vervolgens of kinderen in het bijzonder onderwijs in potentie niet juist kunnen leren vanuit een eigen overtuiging deel te nemen aan het maatschappelijk gesprek en mede daardoor democratische vaardigheden trainen in plaats van voetstoots de uitkomst van dat gesprek te onderschrijven.

Eigenaarschap

Die laatste gedachte raakt aan de meest problematische kant van het hedendaagse debat over de vrijheid van onderwijs. Die vrijheid is niet zozeer de vrijheid van kerken of levensbeschouwelijke organisaties om scholen op eigen grondslag te stichten, maar van burgers om zich binnen grenzen te onttrekken aan de invloed van de staat. De vrijheid van onderwijs en de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs gaat, zoals Herman Tjeenk Willink onlangs in een scherpzinnig essay opmerkte, vooral om de erkenning dat de publieke ruimte niet slechts van de overheid is, maar vooral ook van de burger. Als het gaat om fundamentele vragen over de inrichting van zowel ons eigen leven als om de inrichting van de samenleving als geheel, zijn het uiteindelijk individuele burgers die het heft in eigen hand kunnen nemen. En dan niet alleen omdat zij, zoals Troelstra al stelde, hun kinderen niet naar een school willen sturen waar onderwijs gegeven wordt vanuit een mensbeeld dat ze niet delen, maar vooral ook omdat ze zelf medeverantwoordelijk willen zijn voor de verbinding tussen wat kinderen van huis uit meekrijgen en wat hen op school wordt aangeleerd.

Vanuit dat perspectief gaat de vraag naar de vrijheid van onderwijs vooral om de vraag naar eigenaarschap in het onderwijs. Van wie is eigenlijk de school? Juist die gedeelde verantwoordelijkheid van burger en overheid voor de inrichting van de publieke ruimte is de laatste jaren wat in het verdomhoekje terechtgekomen. Van betrokken burgers zijn mensen allengs meer klanten geworden, die een bepaalde dienst van de overheid afnemen. Maar onderwijs is geen dienst van de overheid aan zijn inwoners, maar een collectief goed waarvoor we met elkaar verantwoordelijkheid dragen. De ruimte om onderwijs binnen randvoorwaarden zelf vorm te geven maakt die verantwoordelijkheid ook tastbaar.

De wijze waarop we hieraan opnieuw vorm en inhoud geven zou in het maatschappelijk gesprek over de toekomst van de vrijheid van onderwijs meer centraal mogen staan. Nu komt dat nog altijd niet veel verder dan de heetgebakerde kift tussen voor- en tegenstanders van onderwijs op religieuze grondslag, een woordenstrijd waarin feiten en cijfers bovendien nogal eens het onderspit delven en waarin heel specifieke casussen soms worden veralgemeniseerd tot algemene problemen.

Het onderwijs in Nederland kampt ondertussen met de nodige problemen. Er is sprake van een aanzienlijk en groeiend tekort aan goed gekwalificeerde docenten. De ongelijkheid in kansen en uitkomsten neemt toe. Naar internationale maatstaven zijn Nederlandse kinderen minder geschoold in democratische vaardigheden. En uit recent onderzoek blijkt bovendien dat ook de relatief sterke taal- en rekenvaardigheden van Nederlandse kinderen gemiddeld genomen de laatste jaren zwakker worden. Dit alles noopt tot een fundamenteel debat over de organisatie, inrichting en financiering van ons onderwijs. Juist in dat debat zou de meerwaarde kunnen blijken van de vrijheid van onderwijs, tenminste wanneer de essentie daarvan voorop zou staan: dat de school in de eerste plaats een gemeenschap is waaraan leerlingen, docenten en ouders samen vorm en inhoud geven. Vanuit dat perspectief is de vrijheid van onderwijs niet alleen actueler, maar misschien ook wel belangrijker dan ooit tevoren.

Dit artikel verscheen afgelopen februari in VolZin. Magazine voor religie en samenleving.