Klasse moet terug, maar met wie?

i 31 januari 2022 door

Wie denkt dat klasse er niet toe doet, heeft niet goed opgelet. Klasse is terug van (nooit) weggeweest, betogen Ron Meyer en Claire Ainsley beiden in hun eigen boek. Toch verschillen de twee boeken sterk van elkaar. Meyer eist eerherstel voor ‘zijn’ klasse van de hardwerkende traditionele arbeidersklasse: de onmisbaren die tijdens de coronacrisis doorwerkten. Ainsley zoekt naar nieuwe groepen. Want wie een nieuwe klassenstrijd wil aangaan, heeft massa nodig.

‘Klasse is overal, behalve op tv, in de kranten of aan de talkshowtafels. En evenmin in de politiek. (…) Ik onderzoek hoe vaak klasse voorbijkomt als thema in de talkshows in de maand voor de verkiezingen. Ik had overigens ook drie maanden of een jaar vooraf kunnen bekijken, dat had voor de conclusie weinig verschil gemaakt. Voor de zekerheid heb ik het meest existentiële element van de botsing der klassen geturfd: hoe vaak wordt er gesproken over het schandaal dat wij in Zeswegen, Woensel en Oosterparkwijk zes jaar eerder doodgaan? Het resultaat? Nul keer.’

Aldus oud SP-voorzitter en vakbondsman Ron Meyer in De onmisbaren, dat ook werkelijk een ode is aan zijn eigen sociale klasse, zoals de ondertitel luidt. Het is in alle opzichten een verfrissend boek. Niet in de laatste plaats omdat er geen woord Spaans bij is. Geen managementtaal of analytisch jargon. In pijnlijke voorbeelden laat Meyer zien waar de schoen wringt. Hij vindt dat de klasse waartoe hij behoort, de mensen die het niet breed hebben maar wel het harde en zware werk doen, uitgekotst en vernederd wordt. En hij laat dit weten ook. De kracht van het boek zit in de persoonlijke verhalen van Rons familie en omgeving, en een steeds groter gedeelte van de samenleving die de problemen van de onmisbaren toch vooral aan deze onmisbaren zelf wijt. Immers, als ze harder hadden gestudeerd, slimmere keuzes hadden gemaakt, dan zouden ze toch niet in de ellende zitten? Het is dezelfde zweem die ook jarenlang rond de mensen hing die getroffen werden in de toeslagenaffaire. Meyer maakt met harde woorden duidelijk dat hij het neerkijken op gewone, hardwerkende mensen meer dan beu is. Ze zitten in flexbanen, hun lonen stijgen amper terwijl publieke voorzieningen in de wijk verschralen en de vaste lasten oplopen. Maar tijdens corona houdt deze groep mensen Nederland wel draaiend. Flexcontracters worden eruit gegooid of werken onbeschermd door, en de hoge middenklasse met hun kantoorbanen werkt zonder enig probleem thuis verder. Ondertussen lijkt het alsof een groot deel van Nederland doet alsof die kloof niet bestaat, alsof er geen ongelijkheid is. Alsof mensen uit armere delen van Nederland inderdaad niet gemiddeld zes jaar eerder doodgaan dan de gemiddelde bewoner van de belendende, betere wijk. En vooral alsof dit niet op de politieke agenda hoeft te staan, omdat het zou leiden tot een andere, eerlijkere verdeling.

Maar goed, na een aantal van dit soort rake klappen, soms ook niet gespeend van een beetje gemakzuchtig zwart-witdenken (mensen met namen als Thierry en Sigrid horen op voorhand bij ‘de kwaden’, mensen met namen als Sita horen bij ‘de onzen’), roept het boek van Ron Meyer wel de vraag op wat nu de oplossing is. Niet geheel onverwacht komt de vakbondsman uit bij ‘weerstand bieden’, en ‘het organiseren van een gemeenschap die zich bewust is van haar belangen en ideeën’. Op de werkvloer nog steeds mogelijk, zeker als werkgevers er een potje van maken. Maar op politiek vlak lijkt het moeilijker dan ooit, getuige de laatste waardeloze verkiezingsuitslag van links als geheel. Geen enkele linkse partij uitgezonderd (dus ook de SP niet). Hoe valt de klasse van Meyer weer op het bord te zetten? Ze is getalsmatig misschien kleiner dan ooit. Ingewikkelder nog: veel mensen identificeren zich er niet langer mee. Dat dilemma beschrijft Ron Meyer zelf ook, wanneer hij als een van de eersten in zijn omgeving wél naar de universiteit gaat, en ziet dat er via zijn universitaire ‘toegangskaart’ een ander leven lonkt. Meyer zelf kiest uiteindelijk voor zijn eigen klasse, maar grote groepen mensen zijn natuurlijk blij dat ze zichzelf opwerken tot de (hogere) middenklasse. Voorbij het sappelen, voorbij de klassenstrijd. En, ook al is het vaak een illusie, nog op eigen kracht ook! En wie toch al uit een relatief vermogend gezin kwam, kan zich weinig bij armoede voorstellen. Meyer, en andere linkse leiders met hem, mogen misschien sociologisch en macro-economisch gelijk hebben, voor de individuele kiezer die het relatief goed gaat is klasse ontegenzeggelijk een woord van het verleden. Zaterdagochtend canvassen in SP-jassen gaat dat niet keren. Dus wat dan wel? Misschien is Meyers boek een mooi startschot voor het kantelen van het debat, maar er zal meer moeten gebeuren.

Nieuwe arbeidsklasse
Wie echt iets aan het lot van deze onmisbaren wil doen, zal ze (zoals Meyer ook schrijft) politiek moeten organiseren en de agenda laten bepalen. Maar dan moet deze groep niet beperkt blijven tot de toch wat kleine habitat van Meyer. Want om een grote coalitie te bouwen, moet verder gereikt worden dan de eigen nestgeur. Daarom zijn alle initiatieven interessant die pogen de electorale vijver groter te maken. Eén daarvan is het boek The new working class. How to win hearts, minds and votes. Het is geschreven door Claire Ainsley, oud-denktankdirectrice met een achtergrond in de Engelse vakbeweging, die nu op een interessante stoel zit omdat ze onder Keir Starmer het nieuwe Labour-beleid mede mag vormgeven. Ze haalt hierbij oud-premier Tony Blair aan, die ooit stelde: Society has changed, and we have not changed sufficiently with it. Een les die geldt voor geheel Europees links. Niet voor niets voerde Lodewijk Asscher het boek van Ainsley als inspiratiebron op in zijn Opstaan in het Lloyd Hotel.

Het doel van Ainsley is om een nieuwe arbeidsklasse te detecteren, eentje die getalsmatig groot genoeg is om het verschil te kunnen maken. Ze richt zich, naast progressief denkende middenklassers, daarom niet alleen op de oude arbeidersklasse, maar op de precaire onderkant van de arbeidsmarkt én allerlei ‘nieuwe’ groepen, die zij de ‘opkomende groep dienstenwerkers’ noemt. Omdat de arbeiders en precaire werkers altijd al de klassieke achterban vormden van partijen als de SP en de PvdA, is met name die nieuwe groep dienstenwerkers interessant. In hoeverre is deze nu echt nieuw? Ainsley beschrijft deze groep als werknemers, met name vrouwen, bovengemiddeld met migratieachtergrond, opvallend vaak werkzaam in de nieuwe dienstenindustrie met veelal flexibele banen die eigenlijk niet stabiele middenklasse banen genoemd kunnen worden. Middelbaar, maar niet universitair opgeleid, vaak werkend in deeltijd. Soms vrijwillig zelfstandige, soms gedwongen. Soms vastzittend in gebroken diensten, soms daarvoor gekozen omwille van het combineren van zorg en werk. Volgens Ainsley zou de combinatie van deze groep met de meer traditionele achterban van de sociaaldemocratie en vakbond een nieuwe arbeidsklasse kunnen vormen die getalsmatig wél sociaal beleid kan afdwingen.

De volgende stap is hoe dat het beste kan. Volgens Ainsley door simpelweg te kijken wat deze groep belangrijk vindt. Niet zozeer op de Labour-methode uit de tijd van Blair, waar elke beslissing door opiniepeilers doodgecheckt werd, maar door te kijken welke waarden deze grote groep deelt en belangrijk vindt. Nu kun je natuurlijk betogen dat je dan automatisch uitkomt bij sociaaldemocratische waarden en ideeën. Tegelijkertijd zien we in de laatste verkiezingsuitslagen dat links nog nooit zo weinig steun heeft gekregen als nu. Dat komt volgens Ainsley omdat de waarden die mensen zelf belangrijk vinden niet vanzelfsprekend worden uitgedragen, omdat politici te veel vanuit hun eigen individuele perspectief en vooral ideologie spreken: ‘Een vurige speech over al het kwaad van privatisering mag misschien op veel applaus op het sociaaldemocratische partijcongres rekenen, normale stemmers maken zich niet zo druk als actieve partijleden over hoe publieke dienstverlening tot stand komt.’ Concreter gesteld: partijen zouden er volgens Ainsley goed aan doen om te bewegen naar de morele waarden van de kiezer, in plaats van te verwachten dat de kiezer zich zal aanpassen aan standpunten van de partij.

Vier waarden
Wat zijn dan die gepeilde waarden van de kiezers binnen de nieuwe arbeidsklasse? Volgens Ainsley zijn dat er vier: familie, eerlijkheid (‘fairness’), hard werken en fatsoen (‘decency’) . Ergens klinkt er een echo uit het PvdA-project Van Waarde (‘goed werk’, ‘bestaanszekerheid’), tegelijkertijd herbergen een aantal van deze waarden meer conservatisme en trots dan de Van-Waarde-waarden en de gemiddelde PvdA-taal. Het zijn waarden en bijbehorende ideeën die je juist eerder in het boek van Ron Meyer tegenkomt. Het zijn termen die je zelfs bij het CDA (familie) en de VVD (hard werken) tegenkomt (maar waarnaar meestal niet gehandeld wordt, althans, niet in het belang van de nieuwe arbeidersklasse). Het kunnen soms ook waarden zijn waar de sociaaldemocratie niet op zit te wachten, zoals gesloten nationalisme en een sceptische houding ten opzichte van immigranten en buitenstaanders.

De vier waarden die Ainsley vindt, werkt ze vervolgens uit in politieke voorstellen. De waarde ‘hard werken’ leidt tot voorstellen op het gebied van training en onderwijs, betaald door werkgevers. De waarde ‘fatsoen’ tot degelijke volkshuisvesting. Interessant genoeg valt onder ‘eerlijkheid’ niet alleen vaste contracten, maar ook het garanderen van betaalbare energieprijzen (!) en een wat vaag blijvend puntensysteem voor migranten waarbij kansarme migranten geweerd lijken te worden. Vier zaken vallen op aan de reeks vrij concrete maatregelen. Er zitten allereerst uiteraard een aantal bekende, weinig originele, maar wel terechte voorstellen tussen als het recht op goede zorg, de verhoging van het minimumloon en een focus op wat in vakbondstermen ‘(gewoon) goed werk’ heet (vaste contracten, hoge lonen, goede arbeidsomstandigheden, inspraak in arbeidstijden en het combineren van zorg en werk). Ten tweede worden conservatief klinkende begrippen (fatsoen, familie) verbonden aan progressieve politiek: wél inkomensondersteuning voor arme families met kinderen, maar geen belastingpremie op het sluiten van een huwelijk. Als derde kun je betogen dat deze conservatief aandoende waarden ook anders ingevuld hadden kunnen worden en het dus maar de vraag is of de gepeilde burgers willen eindigen met de Labouragenda. Want Ainsley is wat ambivalent op dit soort punten: wel begrip voor de teleurgestelde Brexitstemmer, maar echt beleid – liever niet. Als laatste valt op dat veel identiteitsvoorstellen verdwenen zijn. Ainsley lijkt tussen de regels door te pleiten voor een meer vakbondsachtige, of zo je wilt, een soort klasse-benadering: kijk waar gedeelde economische belangen liggen, en bouw daarmee een basis op, die tegelijkertijd kan dienen om racisme en seksisme uit te bannen.

Ainsley schetst zodoende een aardig perspectief dat Labour, maar misschien ook andere Europese sociaaldemocraten, een bredere basis kan bieden. Tegelijkertijd blijft de twijfel knagen. Want is dit niet een zelfde soort agenda die de PvdA met haar nadruk op (bestaans)zekerheid nu al een paar jaar uitdraagt? Want terwijl de PvdA bij de afgelopen Kamerverkiezingen weer onverminderd bovengemiddeld scoorde onder kosmopolitisch ingestelde hoger opgeleiden, was die nieuwe, bredere achterban nog vrijwel afwezig. Of moet er toch een zekere mate van doorvoelde geloofwaardigheid zijn, van werkelijke representatie, waarbij de personen die deze waarden uitdragen uit de nieuwe arbeidsklasse zelf voortkomen in plaats van dat het blijft bij slogans die worden uitgedragen door academici uit de hoge middenklasse? Geleend prestige of flirten met een familieachtergrond van ‘de dochter van de melkboer’ is dan niet voldoende. Veel mensen kunnen zich slecht identificeren met zondagskinderen. Echte geloofwaardigheid hangt ook samen met het echt iets doorleeft hebben, met werkelijk risico hebben gelopen, met strijd – voor de anderen maar ook voor jezelf. Moeten er niet simpelweg meer Ron Meyers de sociaaldemocratie komen versterken, voordat nieuwe of verloren oude groepen weer aan boord komen?

Twan van Lieshout won in 2018 de Banningprijs en is redacteur van Tijd&Taak. Dit artikel verscheen in Tijd&Taak, 2021: nummer 3.

Genomineerden Banningprijs 2022 bekend

i 17 januari 2022 door

Afgelopen week heeft de jury onder voorzitterschap van Mei Li Vos vier essays genomineerd voor de Banning Prijs 2022. Thema dit jaar is Een nieuw sociaal contract! Maar wat staat daar dan in?

De kernvraag uit de opdracht was de vraag wat dat nu eigenlijk is, dat sociaal contract? Wat staat er in? En wie sluit het met wie? Is het iets van de politiek of van de samenleving? Van de staat of van de burger? En bestaat er eigenlijk zoiets als een sociaaldemocratische visie van dat contract? Of is een sociaal contract politiek neutraal? Dit type vragen bracht niet minder dan vierendertig jonge denkers tot een inzending. Een breed veld van deelnemers bovendien, van iemand die zichzelf beschouwt als ‘conservatief-liberaal’ tot klassieke sociaaldemocraten en linkse vernieuwers. Een nieuw sociaal contract inspireert blijkbaar velen tot reflectie.

De vier genomineerden zijn, in volgorde van binnenkomst van de essays:

  • Rimmert Riedstra met De spiegel van de samenleving.
  • Kristian Bakker met De samenleving als sociaal contract: van verhulling tot onthulling.
  • Barend Wind met Sociaaldemocraat, hou je oog op de bal.
  • Lian Heinhuis met De valse belofte van het sociaal contract.

De winnaar van de Banning Prijs 2022 wordt op 21 februari aanstaande bekend gemaakt door juryvoorzitter Mei LI Vos in De Rode Hoed te Amsterdam. Hierna zal Tuur Elzinga, voorzitter van de FNV, de derde Banning Lezing uitspreken. Esther-Mirjam Sent, voorzitter van de PvdA, geeft een eerste reactie op de lezing.

Wil je bij deze avond – digitaal of fysiek waar mogelijk – aanwezig zijn? Kijk hier voor meer informatie. Of meld je direct aan via deze link.

Banning Lezing door Tuur Elzinga, co-referaat Esther Mirjam Sent

i 23 november 2021 door

Er is een nieuw sociaal contract nodig. Of je het nu vraagt aan Pieter Omtzigt of Kim Putters, een nieuw sociaal contract is het begin van de oplossing van veel maatschappelijke vraagstukken waar we momenteel mee te maken hebben. Afnemend vertrouwen in de politiek, onvoldoende bescherming van de burger in de rechtsstaat, toenemende ongelijkheid in de samenleving. Maar wat is dat dan precies, dat sociaal contract? Wie sluit het met wie en waarom. En wat is de rol van maatschappelijke organisaties en politieke partijen. Over die vragen en meer gaat de Banning Lezing 2022.

Op maandag 21 februari 2022 spreekt FNV-voorzitter Tuur Elzinga in de Rode Hoed te Amsterdam de derde Banning Lezing uit. Na Lodewijk Asscher (2018) en Marjan Minnesma (2020) zal ook Elzinga zijn dagelijks werk bij de vakbond verbinden met grotere vragen over politiek en samenleving.

Kersvers PvdA-voorzitter en econome Esther-Mirjam Sent zal als eerste op de lezing reageren. En voorafgaand aan de lezing reikt PvdA-senator Mei Li Vos als juryvoorzitter de Banning Prijs 2022 uit. Uitnodiging aan jonge denkers was dit jaar hun eigen perspectief op dat veelbesproken sociaal contract in 2000 woorden uiteen te zetten.

De Banning Lezing – initiatief van de Banning Vereniging – is vernoemd jaar Willem Banning (1888-1971) en wordt om het jaar uitgesproken op zijn geboortedag. Banning was als vrijzinnig predikant een van de oprichters van de Partij van de Arbeid. Volgens Banning ging elk politiek handelen terug op achterliggende waarden en overtuigingen. In de naar hem vernoemde lezing wordt om het jaar een spreker uitgedaagd juist te reflecteren op de vraag wat hen aanzet tot politiek handelen.

Toegang tot de Banning Lezing is, na aanmelden bij de Banning Vereniging, gratis. De lezing kan zowel in de zaal als vanuit huis worden gevolgd, mede afhankelijk van de op dat moment geldende maatregelen. Aanmelden kan via dit formulier of door een mailtje te sturen aan info@banningvereniging.nl.

HOE VERNIEUWEND EN SOCIAAL IS OMTZIGTS NIEUWE SOCIAAL CONTRACT?

i 2 november 2021 door

Terwijl de auteur herstellende is van een burn-out, vliegen ze in groten getale de winkel uit: de boeken van Pieter Omtzigt. Binnen een maand na publicatie afgelopen februari waren er al 18.000 exemplaren verkocht. Inmiddels is het alweer toe aan zijn achtste druk. Hoewel nog in de schaduw van Pim Fortuyns Puinhopen van paars, waarvan er 270.000 over de toonbank gingen, is het de grootste bestseller van een Nederlands politicus sinds jaren. Wat drijft dit succes: de populariteit van de Twentse politicus of de inhoud van het boek?

In zijn boek pleit Pieter Omtzigt voor ‘een nieuw sociaal contract’, wat ook meteen de titel is. Omtzigt signaleert dat de samenleving ‘niet langer af is’, wat we in de jaren negentig schenen te denken. Integendeel, de overheid laat het afweten op een aantal belangrijke gebieden: volkshuisvesting, zorg en onderwijs. De oorzaak: politieke partijen zouden niet meer geworteld zijn in de samenleving. Het zijn louter machtsmachines geworden, waardoor ze de problemen in de samenleving niet meer oplossen. In zijn boek presenteert Omtzigt dan ook een ruwe versie van een nieuw sociaal contract, ‘dat dus niet alleen gaat over burgers en de overheid, maar ook over grote bedrijven, die losgezongen zijn van nationale samenlevingen. Het gaat over maatschappelijke instellingen die los zijn geraakt van hun kerntaak (…). En het gaat over de inrichting van onze politiek en instituties, die hun gezag en slagkracht hebben verloren, vaak ook door hun eigen falen.’ Alles op de schop, zo lijkt.

De traditie van het sociaal contract
Nu is een idee van een sociaal contract, al dan niet hernieuwd, niet nieuw. Het contractdenken stamt uit een lange filosofische traditie, van vroegmoderne denkers als Thomas Hobbes, John Locke en Jean-Jacques Rousseau, tot meer contemporaine denkers als John Rawls. Het onderliggende idee van dit denken is dat burgers met de overheid hebben afgesproken dat zij hun vrijheid deels afstaan aan de overheid, die hen vervolgens beschermt, en in sommige versies ondersteunt. De regering kan hierbij alleen legitiem regeren als burgers hebben ingestemd met haar gezag. Oftewel: wetten zijn alleen bindend ‘als deze zijn vastgesteld door degenen die ze hebben gekozen en wie ze de bevoegdheid hebben gegeven om wetten voor hen te maken’, zoals Locke in Two Treatises of Government in 1689 schreef. Het probleem is dat dit ‘contract’ meestal symbolisch is, er is nooit een echt moment geweest waarin de burger hiervoor heeft getekend. Een nieuw contract opstellen is zodoende altijd lastig.

Deze filosofische traditie mag wat oud lijken, het sociaal contract als instrument voor politieke vernieuwing is heel actueel. Pieter Omtzigt sluit namelijk aan in een aardig rijtje van bestuurders en politici die allemaal de oplossing zien in het sociaal contract – een vluchtheuvel voor sociale en politieke vernieuwing. SCP-directeur Kim Putters stelde al eerder een contract voor, in zijn boek Veenbrand . Bij hem was het een breed palet van herintredende overheid, nieuwe burgerlijke inspraakmogelijkheden tot het recht op betrouwbare informatie. Ook oud-DSM-topman (en tijdelijk coronagezant) Feike Sijbesma hield een pleidooi voor een nieuw sociaal contract. Hij stelde voor dat het bedrijfsleven en de elite meer zouden gaan bijdragen aan het creëren van sociaal welzijn. PvdA-Europarlementariër Paul Tang ziet een nieuw sociaal contract waarin bedrijven niet langer alle risico’s op de samenleving afwentelen. Veel mogelijkheden dus, waarbij zowel de manier waarop dat contract tot stand moet komen als de contractvorm en contractpartijen wat vaag blijven.

Omtzigts ideeën
Dit brengt ons op de vraag: wat biedt Pieter Omtzigt? Hij start, gezien zijn rol tijdens de kinderopvangtoeslagaffaire, niet geheel verwonderlijk met het startpunt dat gebleken is dat burgers weerloos kunnen zijn tegen machtsmisbruik door de staat. Dit maakt dat het sociaal contract verbroken is. De macht van de staat zou volgens hem begrensd moeten worden, tegenmacht en checks and balances georganiseerd, en de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht zoveel mogelijk gescheiden. Omtzigt maakt dit vervolgens concreet via een aantal voorstellen, zoals een grondwettelijk hof (waar wetgeving getoetst kan worden aan de grondwet) en verbeterde rechtsbescherming in het bestuursrecht. Ambtelijke organisaties zouden dienstbaarder moeten zijn, transparante informatievoorziening de standaard.

Een aantal ideeën gaat meer over de politiek en het parlement zelf: de Tweede Kamer zou bij onderzoeken, ook op het gebied van overheidsfalen, meer invloed moeten krijgen. Omtzigt pleit voor meer denktanks en minder communicatieadviseurs. Coalitieakkoorden moeten minder omvattend zijn en parlementariërs moeten vrij en onafhankelijk over dit soort akkoorden kunnen oordelen. Tot slot zou volgens Omtzigt een districtenstelsel de kiezer dichterbij de politicus moeten brengen, aangezien parlementariërs dan echt afhankelijk zijn van de stemmen die ze in de regio ophalen. En dus onafhankelijker staan ten opzichte van hun partij. Wellicht niet het meest concreet, maar wel het fundament onder veel andere maatregelen, is de gedachte dat er een politieke mentaliteitsverandering zou moeten plaatsvinden. Politici zouden meer waardengedreven politiek moeten bedrijven: in dienst van de burger maatschappelijke problemen oplossen, wat Omtzigt afzet tegen politici die uit ‘ijdelheid, machtsbehoud of uit routine in de frontlinie staan’. De goede verstaander weet wie hij op de korrel neemt.

Omtzigt schiet in zijn boek ontegenzeggelijk een aantal keer goed raak. Zijn strijd om in de toeslagenaffaire de onderste steen boven te krijgen is bewonderenswaardig, zijn onafhankelijke houding en nuttige ideeën om als parlementariër weer de controlerende functie uit te oefenen eveneens. Maar ook in de zijpaden die hij inslaat is hij scherp; over het gebrek aan transparantie en de brij aan woordvoerders, wiens taak het is om vooral de beeldvorming goed te houden. Of het gebrek aan tegenmacht, wat duidelijk wordt uit het feit dat allerlei organisaties uit het maatschappelijk middenveld financieel afhankelijk zijn geworden van de overheid en zodoende nooit echt doorpakken in hun tegenspraak. Het afvoeren van het politieke debat via alomvattende polderakkoorden, waarbij de politiek haar kernverantwoordelijkheid uitbesteedt aan organisaties die voor hun rol bij die akkoorden geen democratische legitimiteit hebben.

Kort door de bocht
Anderzijds ademt zijn reeks oplossingen wel een eenzijdigheid uit, en zoekt hij, al pleitend voor tegenspraak, deze tegenspraak niet op richting zijn eigen voorstellen. Van het districtenstelsel, altijd als een tovermiddel ingezet voor democratische vernieuwing, is bekend dat veel stemmen verloren gaan van kiezers die in gebieden wonen waar één bepaalde partij dominant is. Bovendien kan een te nauwe verbondenheid met de regio politici ook verleiden tot allerlei schimmige deals die niets met de daadwerkelijke inhoud van doen hebben (een fictief voorbeeld: steun voor een milieu- of onderwijswet, mits de nieuwe marinierskazerne maar naar mijn regio komt). Zoals politicoloog en PvdA-senator Ruud Koole in zijn nieuwe boek Twee pijlers laat zien, kan rechterlijke toetsing aan allerlei verdragen of grondwettelijke bepalingen op gespannen voet staan met het primaat dat politici menen te hebben. Omtzigt pleit in zijn boek aan de ene kant voor het politiseren van veel problemen (waardenpolitiek, niet alles dichtsmeren in grote akkoorden met belangengroepen wier mandaat beperkt of onduidelijk is), maar dit soort apolitieke juridische toetsing is vervolgens weer geen probleem. In het boek pleit Omtzigt voor duidelijke Europese regels, en wenst daarbij herstel van de rigide groei- en stabiliteitspactregels, waarover in zowat heel Europa grote twijfels zijn – als econometrist hoor je hem er niet over. Dit maakt zijn boek wat makkelijk: de eigen oplossingen worden gepresenteerd als onproblematisch, de problemen van andere politici, de overheid of ‘de media’ worden grotelijks geproblematiseerd. Alsof alleen dáár het probleem ligt.

Wanneer je de analyse van Omtzigt bijvoorbeeld vergelijkt met de reconstructie Zo hadden we het niet bedoeld, die Correspondent-auteur Jesse Frederik van de toeslagenaffaire maakte, dan valt op dat het boek van Pieter Omtzigt vooral de schuld bij regering, belastingdienst en departementen legt. Natuurlijk is daar genoeg misgegaan, maar een flink deel van het probleem, zo laat Frederik zien, lag ook besloten in het spijkerharde karakter van de wetgeving. De opstelling van het parlement, slechts kort aangestipt door Omtzigt, zorgde ervoor dat bij kleine foutjes burgers alle verleende toeslagen moesten terugbetalen, en dat er geen mogelijkheden bestonden om te voorzien in maatwerk of voor enige coulance.

De vraag bij Omtzigts boek is dan ook of een deel van de problematiek die hij signaleert nu perse opgelost zou moeten worden door een andere verhouding tussen burgers en de overheid. Gaat het niet veel eerder om simpelweg een andere politiek? Als we op andere politieke partijen zouden stemmen, dan zouden dit soort spijkerharde wetten, vaak tot stand gekomen vanuit een neoliberaal VVD-discours waarin ‘burgers niet te vertrouwen zijn’ en er vooral voortdurend ‘hard opgetreden moet worden’, misschien wel verdwijnen, mits linkse politici niet meehuilen met de wolven in het bos. New public management – toch vooral een rechts idee – kleedde de overheid uit. Het zorgde ervoor dat we omwille van een ‘slanke overheid’ en ‘efficiëntie’ weinig contact meer hebben met echte overheidsdienaren, maar vooral elektronische brieven en bulkmail mogen ontvangen. Volgens Omtzigt heeft de politiek haar taak verslonsd, wat af te meten is aan een gebrek aan ‘grondwettelijke rechten’ zoals een betaalbare woning of goede betaalbare zorg. Maar dit danken we niet in de laatste plaats aan rechts woonbeleid of de privatisering van de zorg – een paradepaard van het CDA.

Een weinig sociaal contract
Als je het sociaal contract dat Omtzigt voorstaat dan ook vergelijkt met bijvoorbeeld het pleidooi van Paul Tang en Marius Kat in Socialisme en Democratie, dan valt op dat Omtzigt vooral inzoomt op een aantal constitutionele rechten en praktische handvatten om de positie van het parlement te versterken. Dat zou vervolgens ertoe moeten leiden dat burgers niet meer door de overheid in de mangel worden genomen en dat praktische problemen zouden worden opgelost. Tang en Kat bekijken echter niet alleen hoe overheid en burgers zich tot elkaar verhouden, maar ook wat de bijdrage van het bedrijfsleven zou moeten zijn. Het kapitaal, sinds de jaren tachtig meer gedereguleerd dan ooit, draagt nog steeds opmerkelijk weinig bij aan de (verdeling van) welvaart voor ons allen. Als we toch een nieuwe verdeling van macht en middelen in een sociaal contract zouden willen regelen, dan is het niet meer dan logisch om hierin ook het bedrijfsleven te betrekken. Omtzigt kondigt dit wel aan, maar los van een pleidooi voor een hoger minimumloon, zijn zijn voorstellen op dit gebied tamelijk onzichtbaar. De ‘losgezongen bedrijven’ uit de inleidende woorden, komen in de rest van het boek niet meer terug. De herverdelende rol van de overheid, hoeksteen van sociaal contract zoals bijvoorbeeld John Rawls dat voor zich zag, zien we bij Omtzigt los van een wat obligate zin over het bestaansminimum evenmin.

Omtzigt mag een punt hebben dat er sprake is van ideeënarmoede, in de politiek in het algemeen en het CDA in het bijzonder. Maar op sociaaleconomisch terrein blijven ook de ideeën in zijn boek nogal vlak. Zodoende leest zijn ‘nieuw sociaal contract’ vooral als een slechts in beperkte mate nieuw, maar vooral eenzijdig contract. Wel institutionele verandering, maar de rol van de burger zelf blijft onduidelijk. Die mag actief worden in het maatschappelijk middenveld of via vrijwilligerswerk de gaten dichtlopen die de overheid laat vallen. Verder wordt hem gevraagd ‘een zekere mildheid te tonen’ zodat er geen politieke afrekencultuur ontstaat. Bovenal blijft het sociale van het contract opvallend afwezig. Maar nu Omtzigt verlost is van het CDA en zijn eigen koers kan varen, krijgt deze socialere middenpolitiek, waarmee hij zich overduidelijk af zou kunnen zetten tegen rechtsbuiten Wopke Hoekstra, de komende tijd wellicht wat meer inhoudelijk gewicht. Aangezien Omtzigt in het eerste hoofdstuk van het boek zelf beschrijft dat hij de politiek inging om de VUT af te schaffen, is dat zeker geen gelopen race.

Twan van Lieshout won in 2018 de Banning Prijs en is redacteur van Tijd&Taak.

KLIMAATPOLITIEK NA CORONA

i 12 oktober 2021 door

Sinds het uitbreken van de coronacrisis is er volop nagedacht over wat dit kan betekenen voor de klimaatcrisis. Bij PvdA Duurzaam, het ledennetwerk van de PvdA dat zich met duurzaamheidsproblematiek bezighoudt, hebben we hier ook bij stilgestaan. Vlak nadat de coronacrisis begon en een jaar later opnieuw. Dit essay is geïnspireerd door diverse bespiegelingen op het klimaat na corona en heeft als doel een wenkend perspectief te bieden voor de sociaaldemocratie.

De sterke staat, die niet schuwt om in te grijpen in de economie, lijkt terug te keren. De lockdown heeft laten zien dat het mogelijk is om delen van de economie op stop te zetten in reactie op een wereldbedreigend fenomeen. Daar komt nog bij dat de (gedeeltelijke) rem op de economie gepaard ging met grote steunpakketten aan de getroffen sectoren. In maart 2020 bespraken we bij PvdA Duurzaam de mogelijkheid om de miljarden van volgende steunpakketten te verbinden aan vergaande vergroeningsplannen, en om bedrijven als KLM gerichte transitieplannen te laten maken als conditie voor verdere steun. Een jaar later spraken we weer met elkaar hierover, en inmiddels was duidelijk geworden dat er geen vergroeningscondities waren gesteld. En dat terwijl de Duitse overheid inmiddels wel miljarden van haar steun geoormerkt had voor een stimulering van elektrisch rijden.

Toch meenden de leden dat het nog steeds mogelijk is om het momentum te benutten. We kunnen juist nu vaart maken met CO2– en kerosinebelastingen en met gerichte investeringen aan het spoor, zodat de luchtvaart niet meer terugkeert op het oude, vervuilende niveau. Het is natuurlijk maar de vraag of de staat sterk zal blijven. Gebaseerd op ervaringen uit het verleden lijkt dit overheidsingrijpen een tijdelijke crisismaatregel en geen trendbreuk in het beleid. Immers, na de bankencrisis in 2008 werden er ook grote sommen geld uitgegeven om de banken te nationaliseren, waarop snoeihard bezuinigingsbeleid volgde om hiervoor te compenseren – beleid waar de PvdA tussen 2012 en 2017 aan heeft bijgedragen.

Het (langzaam) veranderende economische discours over begrotingsdiscipline en de rol van de overheid doet hopen dat het nu anders gaat. De economen Stephanie Kelton en Mariana Mazzucato brachten beiden middenin de coronacrisis een boek uit. Kelton schreef The Deficit Myth, dat kanttekeningen plaatst bij de obsessie van overheden om het begrotingstekort terug te dringen. Daarbij sluit ze aan bij iets wat Nederlandse economen als Dirk Bezemer, Coen Teulings en Irene van Staveren al eerder betoogden in diverse opiniestukken in Nederlandse kranten zoals Trouw en NRC. Mazzucato schreef Mission Economy, waarin ze voortborduurt op eerder werk waarin ze boekstaafde dat overheidsinvesteringen cruciaal zijn voor innovatie. In dit boek ijvert ze voor planmatige interventies in de economie om onder andere problemen zoals klimaatverandering tegen te gaan. Hoewel deze inzichten onder economen niet onomstreden zijn, sluit het aan bij de veranderende tijdsgeest. Ook de verkiezingsprogramma’s van de PvdA en GroenLinks maken duidelijk dat grote investeringen niet geschuwd moeten worden om een duurzame transitie mogelijk (en rechtvaardig) te maken. Met name de oproepen voor transitiefondsen, onder andere voor de landbouw, lijken een trendbreuk te impliceren met het bezuinigingsbeleid van weleer.

Het versterken van de fundamenten
Maar de coronacrisis heeft ook laten zien dat simpelweg het openzetten van de geldkraan niet alles oplost, zeker niet als de fundamenten van de staat door datzelfde bezuinigingsbeleid zijn aangetast. Schrijver en acteur Ramsey Nasr schreef de De Fundamenten, waarin hij reflecteert op wat we kunnen leren van de coronacrisis voor de nakende klimaatcrisis. Hij schrijft dat we de fundamenten van onze samenleving, zoals zorg en onderwijs, als ornamenten zijn gaan beschouwen, versiersels waar we niets voor hoeven te doen. Tijdens de coronacrisis bleek hoe kwetsbaar én noodzakelijk deze fundamenten zijn.

Bij PvdA Duurzaam kwam dit thema ook terug, zowel in 2020 als in 2021. Lange tijd hebben we hoogwaardige zorg en genoeg voedsel in onze supermarkten als vanzelfsprekend beschouwd. De coronacrisis heeft ons laten zien dat dit niet automatisch zo is. Het ontbreken van voldoende testcapaciteit, beademingsapparatuur, productiecapaciteit om op grote schaal mondkapjes te maken; dit alles maakte ons in het begin van de coronacrisis enorm kwetsbaar. En hoewel het voedselsysteem uiteindelijk grotendeels overeind bleef, bleek dat ook lange logistieke aanvoerlijnen kwetsbaar zijn. Deze kwestie is zeer relevant bij een klimaatramp, die talloze dreigingen biedt aan dezelfde aanvoerlijnen. De Braziliaanse schrijver Alex Hochuli schreef onlangs een stuk in het tijdschrift American Affairs waarin hij betoogde dat de coronacrisis de westerse wereld laat inzien dat we aan het einde van de End of History-ideologie zijn gekomen, de these van Francis Fukuyama dat de westerse verworvenheden eeuwigdurend en onkwetsbaar zijn. Hochuli stelt dat de coronacrisis aan het licht heeft gebracht dat juist de Global North in toenemende mate op de Global South begint te lijken, met groeiende ongelijkheid, flexibilisering van de arbeidsmarkt, de val van de middenklasse, maar ook een uitgehold neoliberaal overheidsapparaat dat veel moeite had om de coronacrisis te bezweren.

In een recent artikel in de Correspondent, Hoe kwetsbaar Europa is leer je van een broodrooster, betoogt Maurits Martijn dat er, omdat we in Europa zoveel productie uitbesteden, een groot gebrek is aan parate kennis over hoe alle verworvenheden die we zo waarderen daadwerkelijk technisch in elkaar steken. Daarom is het ook zo lastig om fundamentele zaken weer zelf te gaan leveren wanneer de nood eenmaal aan de man is; dan is het vaak al te laat. Ook in de klimaatcrisis speelt dit een rol, aangezien er een groot tekort is aan technische mensen om bijvoorbeeld de energietransitie vorm te geven. Tegelijkertijd biedt de duurzaamheidstransitie ook kansen om deze kwetsbaarheid te verkleinen. De klimaatcrisis kent zijn eigen fundamenten zoals hernieuwbare en betaalbare energie en warmte, en een gezond en veerkrachtig voedselsysteem. Door zelf de expertise en kennis op te bouwen en te bestendigen voorkomen we nieuwe afhankelijkheden in de toekomst. Een sterke staat, die investeringen niet schuwt, kan deze fundamenten versterken.

Internationale solidariteit en bestaanszekerheid
De hernieuwde aandacht voor onze fundamenten en de afhankelijkheden die bestaan ten opzichte van de rest van de wereld, is geen vrijbrief om ons af te keren van de problematiek buiten onze landsgrenzen. Zowel de corona- als de klimaatcrisis is grensoverschrijdend en roept nieuwe vragen op over onze verhoudingen ten opzichte van de rest van de wereld. De relatie van de Global North met de Global South is al enige tijd scheef, iets wat door de coronacrisis weer extra voor het voetlicht is gebracht. Antropoloog Jason Hickel heeft hier veel onderzoek naar gedaan. In 2021 stond een artikel van hem in het tijdschrift New Political Economy, waarin hij aantoonde dat in één jaar tijd goedkope grondstoffen ter waarde van 2,2 biljoen dollar in westerse prijzen van het zuiden naar het noorden vloeien, genoeg om vijftien keer de mondiale armoedeproblematiek op te lossen. Een jaar eerder schreef hij voor The Lancet Planetary Health een artikel waarin hij liet zien dat 92 procent van de mondiale klimaatemissies afkomstig zijn van de Global North. Kortom, niet alleen draagt de Global South slechts een fractie bij aan de totale ecologische voetafdruk van de wereld, het is ook nog altijd het wingewest van de Global North. Tijdens de coronacrisis werd deze verstoorde verhouding pijnlijk duidelijk, met de ongelijkheid ten aanzien van hulpmiddelen tegen de pandemie, met eerst de mondkapjes en later de vaccins. De filosoof Peter Sloterdijk vergeleek recentelijk in een interview met Noema Magazine de coronacrisis en de klimaatcrisis als een poging van de ene groep om zichzelf te ‘immuniseren’ en dus te beschermen ten koste van een andere groep door de externe kosten op diegene te verhalen. Hij riep op tot co-immunisme, om juist de volledige wereld te beschermen tegen de rampen die nog komen.

Dit leidt echter wel tot een dilemma voor de sociaaldemocratie. Socioloog en filosoof Bruno Latour verwoordde het in zijn reflectie op de coronacrisis treffend:

Zo was er bijvoorbeeld een Nederlandse bloemenkweker op televisie, met tranen in zijn ogen, omdat hij enorme hoeveelheden kant-en-klare tulpen had moeten weggooien die hij door gebrek aan klanten niet meer per vliegtuig over de hele wereld kon versturen. Natuurlijk kunnen we niet anders dan met hem meevoelen, en het is alleen maar eerlijk dat hij wordt gecompenseerd. Maar toen de camera zich terugbewoog naar de tulpen die hij onder kunstlicht uit de grond laat groeien, alvorens ze af te leveren aan de vrachtvliegtuigen van Schiphol waar de kerosine uitregent, maakte het dat je je afvraagt: Maar is het echt nodig om deze manier van het produceren en verkopen van dit type bloem te verlengen?
(Vertaling: Esmé Bosma en Marieke Hoogwout)

Met andere woorden, er is in een klimaatbestendige economie geen ruimte meer voor kerosineslurpende tulpenhandel, maar wat rest dan de tulpenhandelaar? Net als de coronacrisis vergt de klimaatcrisis op de korte termijn grote ingrepen in de economie, die op zijn beurt ook de burger treffen. Anders dan de coronacrisis is het niet tijdelijk, maar permanent. Bovendien vergt deze transitie een heroriëntatie op waarde, niet alleen economisch maar ook cultureel. Dat wat nu inkomen, werk en status oplevert, heeft misschien geen plaats meer in een klimaatbestendige economie. Dit leidt tot een lastig dilemma voor de sociaaldemocratie. Enerzijds staat zij voor de bestaanszekerheid van de burger en dan met name de burger met een kleine portemonnee. Anderzijds staat zij ook voor internationale solidariteit en daarmee ook voor het opkomen voor de Global South.

Ook bij PvdA Duurzaam leidde dit tot felle discussies, onder andere over de wenselijkheid van het kwijtschelden van schulden van landen die nog altijd in een afhankelijkheidsrelatie zitten met Nederland. Lang niet alle leden zijn daar een voorstander van. Desondanks hoeft de bestaanszekerheid van de Nederlandse burger niet noodzakelijkerwijs op gespannen voet te staan met internationale solidariteit. Jason Hickel heeft hiervoor onlangs een aanzet gegeven in zijn boek Less is More. Hierin zet hij zijn ‘ontgroei’-visie uiteen. Anders dan vaak wordt gedacht is het breken met economische groei niet hetzelfde als het inleveren van welzijn in de Global North ten faveure van de Global South. In tegendeel. Volgens Hickel is er een grens aan de hoeveelheid welzijn die kan worden gehaald door een hoger inkomen. In ontwikkelde landen leidt meer economische groei juist tot verlies van welzijn, door onder andere toenemende economische ongelijkheid, stress en slaapverlies door overwerken, en ziektes zoals diabetes door een ongezonde levensstijl. Daar komt nog bij dat meer inkomen niet leidt tot meer geluk. Meer ongelijke samenlevingen consumeren meer, maar zijn niet gelukkiger dan meer gelijke samenleving met een lager inkomenspeil.

Volgens Hickel is niet het inkomenspeil indicatief voor welzijn, maar publieke voorzieningen, zoals toegang tot hoogwaardig onderwijs, zorg, kinderopvang en sociale voorzieningen op buurtniveau. Laten dit nou net de fundamenten zijn die we de laatste jaren als ornamenten zijn gaan beschouwen, en die we door bezuinigingen, privatiseringen en decentralisaties steeds verder hebben laten afkalven. Door meer te investeren in publieke voorzieningen en werkweken te verkorten, alsmede economische ongelijkheid te verkleinen, worden we minder afhankelijk van schadelijke (over)consumptie om in ons welzijn te voorzien. Zo beschouwd zijn het terugbrengen van economische groei en het versterken van onze fundamenten geen tegenstellingen, maar versterken ze elkaar juist. Het nemen van vergaande maatregelen om schadelijke consumptie en vervuilende sectoren terug te dringen kan gepaard gaan met het versterken van de fundamenten om deze transitie dragelijk te maken. Deze fundamenten vervangen dan niet zozeer schadelijke consumptie, maar nemen uiteindelijk de vraag ernaar weg. Een lastige factor in het ontgroeiverhaal is dat destructieve consumptie, van biefstukjes tot Benidorm, voor veel mensen nu voelen als een verworvenheid en een teken van welvaart. De vraag is of minder werken, meer inkomen en betere zorg voldoende vooruitzichten bieden om deze verworvenheden op te geven.

Corona, klimaat en de sociaaldemocratie
Wat betekent dit voor de sociaaldemocratie in het herstel na corona? De terugkeer van de sterk(er)e staat, en daarmee een ruimer begrotingsbeleid, lijkt prima te rijmen met de huidige koers van de PvdA. Het is echter zaak voor linkse partijen om niet verblind te worden door de schone schijn van (groene) herstelfondsen. De strijd tussen links en rechts op het gebied van begrotingsbeleid lijkt zich de komende jaren toe te gaan spitsen op het verschil tussen incidentele en structurele investeringen. Dat is nu al terug te zien in het onderwijs, waar het huidige demissionaire kabinet met een incidenteel steunbudget is gekomen maar waar linkse partijen voor structurele hogere lonen van leraren blijven ijveren. Zolang de PvdA de focus blijft houden op het versterken van de fundamenten, en instrumenten als transitiefondsen niet uitruilt maar gepaard laat gaan met structurele investeringen in de publieke sector, zou dit goed moeten komen.

Tegelijkertijd zijn er zorgen wat betreft het klimaat. Ook dit keer is, ondanks stevig aandringen van PvdA Duurzaam, duurzaamheid als een afzonderlijk thema in het verkiezingsprogramma van de PvdA behandeld. In de verkiezingen heeft de PvdA zich er nauwelijks op geprofileerd, hetgeen te maken kan hebben met de samenwerking met GroenLinks dat vaker als ‘issue-owner’ op dit thema wordt gezien. Echter, de duurzaamheidstransitie is niet los te zien van de fundamenten van onze samenleving en de publieke sector zoals wonen, werk, inkomen en de zorg. Voor de transitie naar meer duurzame energie zijn elektrotechnici nodig om onder andere zonnepanelen te installeren, nieuwe verwarmingstechnieken te ontwikkelen, te plaatsen en te onderhouden, hetgeen een enorme omscholingsoperatie vereist. Daarnaast kan de energietransitie een enorme bijdrage leveren aan het beter betaalbaar maken van wonen, bijvoorbeeld door het grootschalig isoleren van huizen. Tot slot zorgen de excessen van het huidige landbouwbeleid voor talloze gezondheidsrisico’s, van Parkinson tot hartfalen, nog los van het gevaar van nieuwe pandemieën doordat dieren dicht op elkaar leven.

Kortom, het is zaak om de klimaatcrisis chefsache te maken als onderdeel van het coronaherstel. Dat hoeft niet ten koste te gaan van (de betaalbaarheid van) de zorg, wonen, en vele andere klassieke sociaalthema’s, in tegendeel. Door ze slim met elkaar te verknopen kan er een sterk, sociaal en groen perspectief ontstaan die het versterken van de staat, en de fundamenten van de samenleving laat samengaan met het aanpakken van de klimaatcrisis. Maar dat vereist wel dat de sociaaldemocratie zich positioneert als alternatief voor de liberale visie waar groene groei en innovatie een continuering impliceren van onze huidige consumptiemaatschappij. Een sociaaldemocratische visie zou daar ontgroei tegenover moeten te stellen, waar het vergroten van bestaanszekerheid en daarmee het herstellen van de fundamenten gekoppeld wordt aan het tegengaan van de klimaatcrisis. De uitdaging wordt dan om binnen deze nieuwe visie met de achterban in gesprek te gaan over hoe dit nieuwe verhaal zich verhoudt tot de oude verworvenheden. Alleen dan is de sociaaldemocratie toekomstbestendig in de wereld na corona.

Koen van der Gaast is als promovendus verbonden aan de Wageningen Universiteit en Aeres Hogeschool Almere, waar hij onderzoek doet naar duurzaam ondernemerschap in de voedselsector. Daarnaast is hij vicevoorzitter van PvdA Duurzaam. Dit artikel verscheen in Tijd en Taak, 2021, nummer 2.