NEDERLAND MIJN VADERLAND

i 5 juni 2019 door en

Zihni Özdil groeide op in een volkswijk in Rotterdam-Zuid. Zijn vader was fabrieksarbeider. In de avonduren volgde deze naast zijn werk een Hbo-lerarenopleiding. Zijn moeder was huisvrouw. Thuis hadden ze het niet breed, maar van zijn ouders leerde Özdil dat optimisme en hard werken vooruitgang brengen. Hij ging naar het gymnasium en studeerde daarna geschiedenis. Aan de Erasmus Universiteit en de Universiteit van Amsterdam doceerde hij over economische ongelijkheid en burgerschap. Ook was hij bestuurslid bij de vakbond voor journalisten. Als voormalig NRC-columnist en publicist staat Zihni Özdil bekend als vrijdenker die heersende normen ter discussie stelt. Zijn boek Nederland mijn vaderland verscheen in 2015. Sinds de verkiezingen van 18 maart 2017 maakt hij deel uit van de Tweede Kamerfractie van GroenLinks.

Je hebt met je boek Nederland, mijn vaderland veel aandacht gekregen in de media. In je boek heb je het over het debat als oplossing voor segregatie. Hoe zie je dat?
Het gaat me erom dat als je een buurvrouw met hoofddoek eng vindt, je dan bij haar op de koffie moet gaan en het gesprek met haar moet voeren. Met mijn boek wil ik kennis verspreiden over de geschiedenis van Nederland. Mensen met diepe wortels in Nederland, bijvoorbeeld katholieken, werden tot de zestiger jaren als tweederangs burgers gezien. Lange tijd was in de politiek, het onderwijs en de literatuur antipapisme, antisemitisme en racisme de norm. Ik heb willen aantonen dat segregatie niet nieuw is. Het debat over segregatie heb ik van een historische context willen voorzien.

Van NRC-columnist en docent aan de UvA en de Erasmus universiteit ben je Tweede Kamerlid voor GroenLinks geworden. Hoe bevalt je dat?
Ik ging de politiek in omdat omdat Jesse Klaver de Franse econoom Thomas Pikkety naar Nederland haalde en GroenLinks een antwoord op het dominante rechtse politieke discours formuleerde. Dat deed bij mij hoop, optimisme en ambitie ontbranden. Maar het is geen makkelijk werk. Als Tweede Kamerlid, meer nog dan als columnist, lig je onder de microscoop van de media. Alles wat ik nu tegen jullie zeg, zeg ik niet alleen namens mijzelf maar ook namens GroenLinks. Ik moet mijn woorden goed afwegen. Wat mij verraste als beginner in de politiek, dat bijvoorbeeld iemand als Rutte, die zich in de discussie over de dividendbelasting eruit kletst, een “goed” debater wordt genoemd.

Voor mij veranderde mijn leven in februari 2018 op de avond van de stemming in de Tweede Kamer over de erkenning van de genocide in Armenië. Kamerlid Kuzu van Denk gaf toen op het Binnenhof een interview aan de Turkse pro-Erdogan zender Ahaber. Hij zei daarin letterlijk dat Nederlandse politici van Turkse afkomst, die de Armeense genocide erkenden, tot de orde moesten worden geroepen. Samen met vier andere Tweede Kamerleden met een Turkse achtergrond was ik een maand lang onderwerp van een etnische hetze, van etnische profilering. De Turkse versie van de Telegraaf, met 80 miljoen lezers in Turkije en honderdduizend in Nederland, publiceerde foto’s van ons met een artikel met als kop Landverraders, waarin Kuzu geciteerd werd. Het veroorzaakte ernstige bedreigingen aan ons adres. Daardoor moesten we worden beveiligd. Dat gaat niet in je koude kleren zitten. Dergelijke bedreigingen had ik als columnist nooit. De PVV vind ik een verwerpelijke partij wat betreft hun ideologie maar in debatten met hen ben ik nooit op mijn afkomst aangesproken. Wel door Kuzu. Politieke partij Denk heeft er belang bij dat er geen inclusieve samenleving ontstaat, want zodra dat gebeurt hebben zij geen reden van bestaan meer.

Verderop in dit nummer staat een interview met Marijn Oudenampsen. In zijn boek De conservatieve revolte beschrijft hij hoe een zorgvuldig uitgedachte ideologie de ruk naar rechts in Nederland heeft veroorzaakt. Hoe kijk jij hiertegen aan?
Oudenampsen maakt een interessant punt maar ik ben het niet met hem eens. Ik herken niet dat er een ruk naar rechts zou zijn als het gaat om islamfobie, racisme of uitsluiting. Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig in Brabant en de jaren negentig in Rotterdam. Alles wat nu in de politiek wordt gezegd is niks vergeleken met wat wij daar toen hoorden. Alle voor de hand liggende scheldwoorden kwamen toen van buren en anderen uit de straat. Daarom ben ik het niet eens met de stelling dat er door de politiek een ruk naar rechts in de samenleving zou zijn ontstaan. In mijn beleving is het rechtse denken er altijd geweest. Nederland is één van de best gepeilde landen ter wereld. Vanaf het begin van de tachtiger jaren tot vorige maand is jaarlijks de vraag gesteld: ‘Vinden jullie dat er te veel buitenlanders in Nederland zijn?’ Het antwoord is steeds dat 35 tot 50 procent van de bevolking vindt dat er te veel buitenlanders zijn. Wat ik wel constateer is een democratisering van het politieke debat. Het politieke discours is naar rechts opgeschoven. Die stem wordt nu in de politiek vertolkt terwijl dat voor de opkomst van Bolkestein niet zo was. We kunnen nu niet meer doen alsof er geen rechts Nederland is.

Vind je dat een witte mannelijke politicus zoals de Amsterdamse GroenLinks wethouder Rutger Groot Wassink diversiteit in portefeuille kan hebben?
Ik heb het zelf altijd heel moeilijk gevonden om gereduceerd tot worden tot mijn etnische hokje. Vroeger hadden we goed bedoeld diversiteitsbeleid waarin positieve discriminatie werd bepleit. Toen hielden vrouwen zich met vrouwenemancipatie bezig en mensen van kleur met racisme. Ik vind het beter als iemand met een migratieachtergrond huisvestingsbeleid in portefeuille heeft en dat iemand als Rutger Groot Wassink emancipatie doet. Hij komt uit een arm gezin in Gelderland en heeft daardoor voelsprieten voor emancipatie. Ik vind het te makkelijk om te zeggen “Jij bent wit dus je moet je mond houden over racisme”. Iedereen moet iets kunnen zeggen over diversiteit ongeacht zijn afkomst, huidskleur of geaardheid.

Voor het Mbo-onderwijs ben je woordvoerder in de Tweede Kamer. Hoe kijk jij tegen het Mbo aan?
Toen ik in de Kamer kwam wist ik niet zoveel van het Mbo. Ik heb zelf op een gymnasium gezeten en had niet veel met deze sector te maken. Toen ik twee jaar geleden woordvoeder werd, ben ik me gaan verdiepen in het beroepsonderwijs. Ik heb veel werkbezoeken afgelegd en gesproken met studenten, docenten, zorgcoördinatoren en het management. Langzamerhand heb ik meer oog gekregen voor de problemen die er leven. In de Kamer heb ik de bekostigingssystematiek, het Mbo-onderwijscontract, de docentenopleiding en het opheffen van de creatieve opleidingen geagendeerd.

Politici noemen Mbo-ers wel ‘het cement van de samenleving’. Eén van de maatregelen die daaruit voortvloeit is om hen met ‘student’ aan te spreken en je stelde zelf voor om hen titels te verlenen. Wat wil je hiermee voor de student bereiken? Verwacht je een echte imagoverbetering van het Mbo op deze manier?
Ik vind dat als we de Mbo-er voortaan met student aanspreken daar dan ook titulatuur bij hoort. Een afgestudeerde van de universiteit krijgt toch ook de titel doctorandus. Symbolen zijn belangrijk om waardering in uit te drukken.

Foto Zihni Özdil: Maarten Kools

Banning Leergang 2019: Vroeger was alles beter, toch?

i 5 juni 2019 door

Historici hebben opgemerkt dat er geen politieke stroming zo nadrukkelijk bezig is met haar eigen verleden als de sociaaldemocratie. Er wordt veel geschreven en gesproken over het sociaaldemocratisch verleden en enige nostalgie is daarbij nooit ver weg. Vroeger, dat waren de tijden van echte strijd, van de opbouw van de verzorgingsstaat, van een partij vol van discussie en debat, van echt politiek leiderschap. Vroeger, toen had de PvdA haar veren nog.

De vraag hoe relevant dat verleden eigenlijk is voor de politieke discussies van vandaag en morgen wordt echter minder gesteld. Welke lessen vallen er te leren uit de ideologische en politieke geschiedenis van de sociaaldemocratie? Hoe verhield zij zich tot andere ideologische grootheden in Nederland, hoe verliep de ontwikkeling van haar achterban en hoe ingewikkeld is het politiek te bedrijven in de wetenschap dat je een ruim honderdjarige traditie vertegenwoordigd.

In het jaar dat de Banning Vereniging zelf honderd jaar bestaat gaan we gezamenlijk op zoek naar antwoorden op dit soort vragen. We doen dat met vier interessante sprekers in vier avonden in het najaar. De avonden beginnen om 18.00u met een eenvoudige broodmaaltijd en duren tot (ongeveer) 21.00u. Aanmelden kan via deze link of via de e-mail (info@banningvereniging.nl). Deelname aan de leergang kost 75 euro (25 euro voor minima en studenten). De leergang is erkend als officieel onderdeel van het scholingsaanbod van de Partij van de Arbeid, maar staat open voor iedere belangstellende. Ter voorbereiding worden steeds een of twee teksten aan deelnemers toegezonden.

Programma

Woensdag 25 september: De relevantie van vroeger voor nu? Geschiedenis, politiek en de toekomst van de sociaaldemocratie.

Sprekers: Herman Noordegraaf, emeritus hoogleraar diaconaat en kenner van de sociaaldemocratische traditie en Maarten van den Bos, historicus, secretaris Banning Vereniging en auteur van het komende november te verschijnen boek Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers.

In de openingsbijeenkomst van de Banning Leergang 2019 maken we kennis met de geschiedenis van de sociaaldemocratie en meer specifiek met de rol en functie van het religieus socialisme daar binnen. Ook komt de vraag aan de orde op welke manier (delen van) dat verleden interessant kunnen zijn bij de ideologische en politieke heroriëntatie van de sociaaldemocratie anno nu.

Woensdag 9 oktober: Socialisme, sociaaldemocratie en de lokroep van het neoliberalisme. Over intellectuele tradities en de politieke praktijk.

Spreker: Merijn Oudenampsen, onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Doet onderzoek naar de geschiedenis van het neoliberalisme in Nederland en promoveerde op De conservatieve revolte.

In de tweede bijeenkomst van de leergang staat de recente geschiedenis van de sociaaldemocratie centraal. In hoeverre is de PvdA als vaandeldrager van deze traditie beïnvloed door of meegegaan met de opkomst van het neoliberalisme in Nederland? En wat is dat eigenlijk, neoliberalisme? Hoe zou de sociaaldemocratie zich tot die intellectuele stroming en haar politieke ideeën moeten verhouden en welke internationale voorbeelden zijn wat dat betreft interessant? Denk aan de opkomst van Bernie Sanders in de Verenigde Staten bijvoorbeeld. Maken we een revival mee van het (democratisch) socialisme?

Woensdag 30 oktober: Op zoek naar de kiezer. Waar is de achterban van de PvdA gebleven?

Spreker: Sarah de Lange, J.M. den Uyl-hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur.

Op de derde avond staat de vraag naar de ontwikkeling van de achterban van de PvdA centraal. De Nederlandse sociaaldemocratie kon van oudsher rekenen op een vast deel van het electoraat. In de zestiger jaren begon dat al wat te verbrokkelen, maar vanaf het begin van de jaren tachtig is ook in Europees perspectief een dalende trend zichtbaar. Waar is de achterban van de sociaaldemocratie gebleven, wat kunnen partijen doen om hun achterban vast te houden en heeft de opkomst van partijen als de LPF, de PVV en Forum voor Democratie nu echt een deel van de sociaaldemocratische kiezers naar rechts gedreven? En welke reactie past daar dan bij: opschuiven waar het gaat om standpunten rond migratie en integratie zoals sociaaldemocraten in Denemarken doen? Of juist niet? De nadruk leggen op sociaaldemocratische onderwerpen en vragen rond identiteit en burgerschap links (of beter: rechts) laten liggen? Of juist niet?

Woensdag 20 november: Besturen vanuit en namens een traditie. Interview met Wouter Bos.

We sluiten de leergang af met een blik op de politieke praktijk. Wouter Bos werd gevormd in een zowel door religie als sociaaldemocratie gestempeld milieu. Bij de eerste Banning Prijs zoals die in 1989 werd uitgeschreven kende de jury zijn essay Kiezen voor vrijheid een eervolle vermelding toe. Vervolgens was Bos onder meer Tweede Kamerlid voor de PvdA, staatssecretaris van Financiën in het tweede paarse kabinet, partijleider en fractievoorzitter, minister van Financiën en vicepremier en informateur van het kabinet Rutte-Asscher.

Met Wouter Bos gaan we in gesprek over de vormende kracht van de sociaaldemocratische traditie, maar ook over de spanning tussen de dagelijkse politieke praktijk en de ideologische en politieke traditie van waaruit je in de politiek zit. Wat zou naar zijn oordeel het gewicht moeten zijn van die traditie in het dagelijks politiek handelen en hoe ziet hij de toekomst van de sociaaldemocratie in het Nederland van nu.

Aanmelden voor de leergang kan via deze link of door te mailen naar info@banningvereniging.nl. Wacht niet te lang, want het aantal plaatsen is beperkt. Kosten voor deelname zijn 75 euro (25 euro voor studenten en minima). Dat is inclusief broodmaaltijd aan het begin van elke bijeenkomst. Locatie: Café Seven, Mariaplaats 7 te Utrecht. Meer informatie? Neem gerust contact op met Maarten van den Bos via info@banningvereniging.nl.

Nieuwe bestuursleden Banning Vereniging

i 3 juni 2019 door

Op de jaarvergadering van 26 mei jongstleden nam de vereniging afscheid van Saami Akrouh, Khalil Aitblal en Jan Seeleman als bestuursleden. Chantal Robbe en Vecih Er volgden hen op. Hieronder vertelt Vecih aan de hand van drie vaste vragen over zijn betrokkenheid bij het werk van onze vereniging, in het spoor van Banning.

Wat beweegt je?
Ik ben in Turkije geboren en getogen. Ik kom uit een religieuze familie. De eerste negen jaar van mijn leven heb ik doorgebracht in een klein dorp. Mijn vader was een soort dorpshoofd. In die tijd waren er weinig middelen voor een comfortabel leven. De hele familie moest hard werken in de agrarische sector. In die tijd was er veel solidariteit tussen de mensen. Mensen hadden meer contact met God (Allah).

In 1984 zijn wij verhuisd naar Konya, een grote stad. Daar was alles anders dan ik gewend was. Ik moest integreren in die grote stad. Elke school waar ik op heb gezeten, van de basisschool tot aan de universiteit, was anders. Er waren verschillende subculturen naast elkaar. Mijn schooljaren kun je zien als een soort kleine marathon. Voor een goede schoolcarrière moest ik op landelijk niveau een examen maken en een minimum aantal punten behalen. Op het moment dat je niet aan die norm voldoet, heb je geen toegang tot een universitaire opleiding. Gelukstranen rolden over mijn wangen toen ik te horen kreeg dat ik was aangenomen. Mijn opleiding duurde vier jaar. Na deze vier jaar kreeg ik eindelijk de titel die ik graag wilde hebben: landbouwingenieur. Nu begon de grote marathon: een baan vinden, plannen maken. Helaas verliep niet alles vlekkeloos. Ik had na lang zoeken eindelijk een baan gevonden. In het onderwijs. Dit was een echte uitdaging voor mij.

Tijdens mijn carrière als onderwijzer ben ik gaan verloven, na twee jaar zijn we getrouwd. Mijn echtgenote was afkomstig uit Nederland. Ik wilde in Turkije blijven wonen, bij mijn familie en vrienden. Mijn echtgenote wilde in Nederland wonen. Na lang denken heb ik besloten naar Nederland te gaan. Augustus 1998, een doorbraak in mijn leven. Eenmaal in Nederland voelde het als een déjà-vu: weer nieuwe mensen, nieuwe culturen en nog veel meer nieuwe dingen. Alles begon opnieuw. In mijn jeugd ging ik elke zomervakantie naar de moskee om les over het geloof te volgen. Onze imam zei altijd: ‘geduld en doorzettingsvermogen zijn de sleutels voor succes’. Dit is in Nederland mijn levensmotto geworden. Ik begon de opleiding Culturele Maatschappelijke Vorming op het HBO in 2002. Deze opleiding heb ik met succes afgerond. Eind januari 2015 werd ik uitgeroepen tot een van de vijftig meest invloedrijke Nederlanders van Turkse origine.

Nederland is een vrij land. Door het leven gaan als moslim is aan de ene kant heel makkelijk, maar aan de andere kant ook weer heel moeilijk. Na de gruwelijke terreuraanslag van 11 september is er veel veranderd. De schone naam van de Islam is beschadigd. Ik moest voorzichtiger zijn dan ooit. Alles wat ik niet goed doe, heeft negatief effect op de naam van mijn geloof en dat wilde ik koste wat het kost voorkomen. Mensen kunnen heel makkelijk generaliseren en de naam van de Islam zwart maken. Wij als moslims moeten deze vooroordelen uit de weg ruimen. Als je leeft volgens de normen en waarden van je geloof, word je een rolmodel en kunnen mensen je niet vooroordelen.

Waarom ben je actief in de Banning Vereniging?
De Banning Vereniging is een vereniging die vooral gericht is op levensovertuiging, religie en sociaaldemocratie. Ik wil vanuit mijn perspectief als moslim graag een bijdrage leveren aan de activiteiten van de vereniging. Die activiteiten spreken mij erg aan. Hierdoor verbreed ik ook mijn eigen perspectief.

Wat is een belangrijke tekst in je leven?
Het boek Tarihce-i Hayat (Biografie) van de islamitische geleerde Bediuzzaman Said Nursi, verschenen in 1958. In dit boek wordt een beschrijving gegeven van de normen en waarden die hij probeerde te realiseren in een moeilijke periode van zijn leven. Het boek geeft een illustratie van iemand die de strijd lijkt te hebben verloren in de periode dat hij leeft, maar uiteindelijk zie je hoe hij na zijn dood toch de strijd heeft gewonnen. Dit boek leert je om een rolmodel te zijn in tijden van moeilijkheid.

Brief aan de vereniging: Paul Tang

i 6 mei 2019 door

Essays, zo heeft de Franse schrijver Jean Paul eens opgemerkt, zijn eigenlijk dikkere brieven aan vrienden. Indachtig die gedachte een brief aan de vereniging. Terugschrijven? Neem contact op met de redactie.

Beste mensen,

Facebook is nog een puber, en Google is net 21 en volwassen geworden. Zo jong en toch zo groot. Want deze bedrijven behoren inmiddels tot de grootste bedrijven ter wereld, gemeten naar beurswaarde, tezamen met drie andere Amerikaanse tech-giganten: Amazon, Apple en Microsoft. Het is niet alleen dat ze in de wereldeconomie een machtige positie innemen, maar ook in de politiek en in de samenleving. Zo heeft Facebook zo’n 2,3 miljard en YouTube (Google) 1,9 miljard gebruikers. De jongeren onder de bedrijven hebben grote invloed, zeker op jongeren.

Mijn oudste zoon heeft me ooit het verschil tussen Snapchat en Instagram uitgelegd: de eerste is hoe het leven is, de laatste hoe het leven zou moeten zijn. Dat is een duidelijk, maar heeft voor mij toch meer vragen opgeroepen dan beantwoord. Mij aan het denken gezet. Is het niet zo dat meer dan voorheen jongeren beelden van een geslaagd, succesvol leven voorgeschoteld krijgen? Op Instagram – Facebook is onder jongeren niet zo populair – staan de foto’s van hippe, frisse, goedlachse, vrolijke mensen die met elkaar zijn, op een bijzondere plek verkeren of een waanzinnig gebeurtenis meemaken. Zo beschouwd is het leven een aaneenschakeling van gedeeld geluk. En is het niet zo dat meer dan voorheen jongeren de druk van de eigen verantwoordelijkheid voor een geslaagd leven voelen? Als ik spreek met docenten, zien velen een verband met de toename van scholieren en studenten die overspannen worden of burn-out raken. Het lijkt erop dat deze tegenslagen steeds vroeger in het leven plaatsvinden. Het lijkt erop dat de frustratie over het eigen onvermogen om het leven ook een aaneenschakeling van gedeeld geluk te maken een deel van de jongeren nu al parten speelt. Er is op Instagram en andere sociale media geen ruimte voor geduld en doorzettingsvermogen, voor verwarring en twijfel, en alles wat nodig is om te durven investeren in later en om te accepteren dat niet elk periode van het leven bij Instagram past.

Het zijn niet alleen jongeren die de druk van eigen verantwoordelijkheid voelen. Steeds meer mensen hebben geen vast dienstverband en zijn deel geworden van de kluseconomie waarin ze per klus betaald krijgen. Een Uber-chauffeur krijgt een beoordeling en geeft de klant ook een beoordeling. Zoals een restaurant afhankelijk is van de beoordeling op Tripadvisor of in Google Maps, zo zijn zij, en wij, deel van een economie geworden waarin publieke reputatie van groot belang is. Het aantal volgers op LinkedIn, het aantal likes op Facebook, de beoordelingen op websites. We staan in de etalage want we zijn te koop.

Yuval Harari stelt dat de voortgaande veranderingen in technologie, economie en samenleving het steeds onwaarschijnlijker maken dat we gedurende het hele leven één beroep hebben. Waarvoor we in de vroege jaren leren en waarin we in de latere jaren werken. Mensen zullen over hun leven verschillende werkzaamheden hebben en dus ook een bijpassende publieke reputatie moeten hebben. Harari’s advies aan jongeren is dan ook om ‘licht’ door het leven te reizen. Hecht niet te zeer aan wat je nu doet en daarmee aan wat je nu bent. Er komt een moment om dat los te laten. ‘You will have to repeatedly let go of some of what you know best, and learn to feel at home with the unknown. Unfortunately, teaching kids to embrace the unknown while maintaining their mental balance is far more difficult than teaching them an equation in physics or the causes of the First World War.’

Nog verrassender dan dat Facebook en Google zo snel zo groot zijn geworden, is het gebrek aan reactie daarop. Waarom laten we een commerciële gigant volledig bepalen wat kinderen en jongeren te zien krijgen op Youtube? Waarom kan Facebook zo lang ontkennen een uitgever te zijn en feitelijk meewerken aan nepnieuws (en beïnvloeding van verkiezingen)? Waarom zijn er uitgebreide discussies over het curriculum van de studie economie, maar is er nog weinig aandacht voor mentale weerbaarheid onder jongeren? Deze en andere vragen zijn relevant in de datasamenleving en de kluseconomie.

Juist sociaal-democraten zou de concentratie van geld en macht zorgen moeten baren. De spreiding ervan is juist een klassieke opgave. Misschien wel meer dan ooit, nu de techreuzen onze data voor hun winsten willen benutten. De opdracht is klassiek, de antwoorden zullen nieuw moeten zijn.

Onze pubers moeten de ruimte krijgen hun eigen weg in het leven te vinden, met alle fouten en tegenslagen die daarbij horen. Maar om die ruimte te geven zullen de ander pubers, die zo jonge maar zo grote techreuzen, tot volwassenen gedrag aangezet moeten worden.

Paul Tang

Zekerheid, maar van wie en waartoe eigenlijk?

i 4 april 2019 door

Zeker zijn. Wie momenteel politici van de PvdA hoort spreken over welk willekeurig onderwerp dan ook kan van een ding op aan: we moeten ergens zeker van kunnen zijn. Zeker zijn van goede zorg, van goed werk, van een betaalbare woning. Zekerheid lijkt het alfa en omega van de partij onder Lodewijk Asscher. Maar wie die zekerheid garandeert, wie ervoor in aanmerking komt en wat er gebeurt als er enige mate van zekerheid gerealiseerd is, is ondertussen de vraag. En dat wringt.

Zeker zijn. Wie momenteel politici van de PvdA hoort spreken over welk willekeurig onderwerp dan ook kan van een ding op aan: we moeten ergens zeker van kunnen zijn. Zeker zijn van goede zorg, van goed werk, van een betaalbare woning. Zekerheid lijkt het alfa en omega van de partij onder Lodewijk Asscher. Maar wie die zekerheid garandeert, wie ervoor in aanmerking komt en wat er gebeurt als er enige mate van zekerheid gerealiseerd is, is ondertussen de vraag. En dat wringt.

‘Iedereen moet zeker kunnen zijn van goede zorg’, stelde Lilianne Ploumen in een interview in het voorgaande nummer van Tijd&Taak. Het klinkt niet alleen logisch, maar lijkt ook een navolgenswaardig ideaal. Wie wil er nu niet de zekerheid dat er goede zorg is voor zichzelf of zijn naasten wanneer dat nodig is? Precies die vanzelfsprekendheid is zo aantrekkelijk. Ze geeft eenheid aan de politieke boodschap van de PvdA, past bovendien wonderwel bij haar ideologische traditie en vloeit logisch voort uit het project Van Waarde, de meest recente ideologische herbezinningsoperatie van de Nederlandse sociaaldemocratie.

Toch is de campagne rond zekerheid niet direct een uitvloeisel van doortimmerd politiek-filosofisch denkwerk. In zijn in januari 2017 verschenen boek De kunst van het kiezen analyseerde merkendeskundige Marc Oosterhuis, oprichter van reclamebureau N=5, het electorale potentieel van zeven politieke partijen. Op het moment dat Oosterhuis tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen aan tafel zat bij Eva Jinek was ook Asscher daar te gast. Vervolgens ging het snel. Een reconstructie in De Volkskrant leerde hoe Oosterhuis de PvdA ging adviseren met de campagne rond het thema zekerheid als resultaat.

Gele hesjes aan de kapstok

Het zou wat al te gemakkelijk zijn nu het vingertje te heffen uit weerzin tegen de commercialisering van de politiek. Partijen kunnen steeds minder rekenen op een vaste achterban en moeten elke verkiezing weer vechten om de kiezersgunst. En wie in de tussentijd op verlies staat in een van de talloze peilingen heeft daarbij bovendien direct een hele ingewikkelde uitgangspositie. Daarbij zijn inzichten uit de reclamewereld, communicatiewetenschap en marketing eerder regel dan uitzondering. Bovendien dekt de in samenspraak met Oosterhuis ontworpen vlag de lading uitstekend. Bestaanszekerheid is al lange tijd een kernbegrip in de sociaaldemocratische traditie. In het Plan van de Arbeid dat de SDAP in 1935 lanceerde werd als ‘minimale wens’ neergelegd dat alle Nederlanders moesten kunnen rekenen op ‘bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil’.

Bij publicatie van het plan werd nog met veel omhaal van woorden uitgelegd dat het hier eigenlijk geen socialisme betrof. In de SDAP woedde al sinds de oprichting een even intensief als verlammend debat over de vraag of het socialisme nu langs revolutionaire of parlementaire weg naderbij gebracht diende te worden. Het Plan van de Arbeid markeerde een kantelpunt in deze discussie, het utopisch vergezicht van een geheel nieuwe samenleving werd verlaten ten faveure van de acceptatie van de bestaande verhoudingen om deze vervolgens stapsgewijs en langs democratische weg ten goede bij te buigen. Bestaanszekerheid werd in deze meer pragmatische politiek het centrale begrip. In het nieuwe beginselprogramma dat de partij in 1937 vaststelde, een programma waarop dominee en partijbestuurslid Willem Banning een stevig stempel drukte, werden ‘welvaart en bestaanszekerheid’ voor iedereen direct in het eerste artikel als centrale doelstellingen van het ‘democratisch socialisme’ neergelegd.

Sindsdien is het niet meer weg te denken uit het sociaaldemocratisch vocabulaire. Niet zonder reden werd in het project Van Waarde – dat door de Wiardi Beckman Stichting in 2009 werd ingezet om te komen tot een ‘verbindende politieke visie’ die richtinggevend zou zijn bij lastige politieke afwegingen, voorspelbaar zou maken wat de PvdA zou doen in concrete kwesties en een rechtvaardiging kon bieden voor genomen besluiten – het begrip bestaanszekerheid aangeduid als eerste kernwaarde. Politiek, schreef toenmalig directeur van de WBS Monika Sie in 2013, ging met name om ‘greep op het leven’. En als uit de talloze interviews die in het kader van het project met mensen gehouden werden een ding duidelijk werd, dan was het wel dat de zekerheid van het dagelijks bestaan voor velen onder druk stond. De ‘oude bestaansonzekerheidsproblematiek’ was terug, terwijl nieuwe onzekerheden opkwamen en er een steeds groter verschil aan het ontstaan was tussen die groepen die deze onzekerheden het hoofd wisten te bieden en zij die dat niet of slechts ten koste van veel konden.

Hoewel het project niet de directe aanleiding was voor de huidige campagne waarin zekerheid en zeker zijn centraal staan, vloeit de kernboodschap dus wel degelijk betrekkelijk logisch voort uit de ideologische heroriëntatie die Van Waarde in essentie was. Daarbij moet worden vastgesteld dat de analyse van Sie als het gaat om de groeiende bestaansonzekerheid bij mensen nog weinig in actualiteit en urgentie heeft ingeboet. Integendeel. Naar aanleiding van het verschijnen van een bundel columns onder de weinig geruststellende titel Veenbrand gaf Kim Putters, voormalig senator voor de PvdA en nu directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, in een interview aan dat veel Nederlanders de fundamentele onzekerheid ervaren of zij voldoende toegerust zijn om de uitdagingen van het moderne leven het hoofd te bieden. Het is een gevoel van onzekerheid, aldus Putters, dat zich bovendien uit in een sluimerende woede. De ‘gele hesjes’, naar aanleiding van de grootschalige demonstraties in Frankrijk inmiddels een begrip met een mythische bijklank, hangen naar zijn inzicht bij veel mensen al aan de kapstok.

Begin- of eindpunt?

In die context lijkt een campagne gericht op het wegnemen van die fundamentele onzekerheden zowel inhoudelijk als electoraal verstandig. En toch knaagt er iets. En dan niet omdat het geheel inmiddels tot soms kolderieke proporties wordt opgeblazen, zodanig dat op sociale media zelfs een goed geplaatste verkiezingsposter vergezeld gaat van de slogan: ‘zeker zijn van een rode stad’. Wezenlijker is dat de campagne wat al te veel blijft hangen in wat het in essentie is: een campagne. Want het te pas en te onpas gebruiken van het begrip zekerheid roept ook vragen op. Ik noem er drie: wie mogen (of moeten) er eigenlijk zeker kunnen zijn? Wie zorgt (en betaalt) daar uiteindelijk voor? En wat gebeurt er wanneer mensen opnieuw bestaanszekerheid ervaren?

Een antwoord op die vragen is urgent, want aan een campagne rond het begrip zekerheid kleven twee risico’s. Het eerste ligt voor de hand: teleurstelling. Ook als het volledige programma van de PvdA door een volgende regering zou worden uitgevoerd, dan nog zijn niet alle onzekerheden van het leven weggenomen. Mensen zijn inherent kwetsbaar: voor ziekte en ongeval, voor tegenslag en verdriet. Het is even wenselijk als verstandig dat voor ogen te houden. Wie alle onzekerheden van het leven zegt te kunnen wegnemen, verkoopt niets meer dan een illusie. Het lijkt voor de hand te liggen maar het is goed dat af en toe te onderkennen.

Belangrijker is een tweede risico: conservatisme. Wie pleit voor zekerheid pleit al snel ook voor behoud. Behoud van bestaande regelingen, van bekende arrangementen, van bestaande verhoudingen. Het nieuwe is immers per definitie minder zeker dan het bestaande en remmen geeft meer vastigheid dan het gas eens stevig intrappen. Maar soms is juist dat laatste nodig. Bijvoorbeeld omdat huidige regels en regelingen voor hen die er aanspraak op kunnen maken veel zekerheid bieden, maar mede daardoor de onzekerheid van zij die er buiten vallen vergroten. Dan is zekerheid een beetje als een glazen huis: binnen is het warm en behaaglijk, buiten is het guur. En niet in de laatste plaats omdat een blik naar binnen leert dat voor hen die wel in de bestaande regelingen passen het leven een stuk eenvoudiger is.

Naast de vraag voor wie al die zekerheden nu eigenlijk toegankelijk zijn is ook de vraag naar de betaalbaarheid van een en ander van belang. Het garanderen van goede zorg bijvoorbeeld is duur, zeker gezien de demografische ontwikkelingen. De zekerheid van goede zorg blijft dan een groot goed, maar ten koste van wat eigenlijk? De opbrengst van het Van Waarde project deed Wouter Bos al eens denken aan een eindeloos verlanglijstje zonder dat duidelijk was wie daarvoor de rekening moest gaan betalen. Dat was wellicht een wat luie kritiek, want daar ging het project niet over, maar helemaal onzin was het ook weer niet. Zekerheden, zo weet iedereen die wel eens een auto of wasmachine kocht, zijn nooit gratis.

De kernvraag bij het hele project is dan ook: wie biedt eigenlijk zekerheid en wie mag zich erin wentelen. Met de sociaaldemocratische traditie in het achterhoofd zou je zeggen: de overheid geeft, de burger neemt, maar dat is niet vanzelfsprekend. Het vroege socialisme had een wat complexe verhouding met de overheid. ‘De staat verdrukt, de wet is logen’, klinkt het niet voor niets in de Internationale. Het duurde – opnieuw – tot medio jaren dertig voordat de oude SDAP de staat ging beschouwen als centrale institutie in het realiseren van een sociaaldemocratische samenleving. In de loop van de jaren zeventig kwam die opvatting ook binnen de PvdA echter meer en meer onder druk te staan. In het zeer invloedrijke rapport Schuivende panelen uit 1987 werd het vervolgens met enige nadruk terzijde geschoven. De nationale staat had aan kracht ingeboet ten faveure van het lokale en bovenstatelijke niveau. Mede hierdoor was de PvdA betrekkelijk slecht bestand tegen de opkomende intellectuele mode om van de overheid in plaats van de oplossing vooral problemen te verwachten.

Verantwoordelijkheid

De gedachte dat de overheid bij het oplossen van problemen niet zelden de belangrijkste sta-in-de-weg was gaf ruim baan aan de opvatting dat mensen in de eerste plaats vooral zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven. Het was een opvatting die ook binnen de PvdA, zij het in de wat welwillender mantel van het verantwoordelijk burgerschap gehuld, opgeld deed. De van oorsprong Duitse politiek filosoof Yascha Mounk bestempelde de periode sinds de jaren tachtig in een twee jaar terug verschenen studie als het tijdperk van de verantwoordelijkheid. Het was, betoogde hij, steeds meer aan mensen zelf om de risico’s van het leven te dragen. Wie daartoe goed in staat was en mede daardoor succes kende was vervolgens een voorbeeld, wie pech of tegenslag had een schlemiel. Collectieve regelingen om te voorkomen dat de gevolgen van pech of tegenslag onevenredig zouden neerslaan bij het individu kwamen in de hele westerse wereld onder druk te staan. Eigen verantwoordelijkheid betekende bij succes niet zelden dat de winst voor eigen rekening kwam, bij tegenslag wilde het evenzo zeggen dat de gevolgen voor jezelf waren. Eigen schuld, dikke bult.

Met het thema zekerheid kan het vervolgens twee kanten op. Enerzijds kan het bedoeld zijn om de meest verstrekkende gevolgen van deze ontwikkelingen wat af te vlakken. Voor wie de uitdagingen van de moderne tijd om welke reden dan ook tijdelijk of meer permanent een maatje te groot zijn is er de zekerheid te kunnen terugvallen op collectieve regelingen. Zeker zijn van de basisuitgangspunten dat er voor iedereen een fatsoenlijke woning, een redelijk inkomen, goede zorg en een perspectief is voor zijn of haar kinderen, is dan de kern. Dat lijkt mooi, maar draagt het risico met zich mee dat die collectieve regelingen automatisch beschouwd worden als minderwaardig. Een sociale huurwoning is dan per definitie voor hen die niet zelfstandig konden kopen, een uitkering het gevolg van onvoldoende capaciteit of doorzettingsvermogen. In zorg en onderwijs zijn er de minimale regelingen voor hen die geen eigen geld hebben en de maximale mogelijkheden voor alle anderen.

Dat is een ontwikkeling die me niet alleen hoogst onwenselijk lijkt, maar die ook geen recht doet aan de sociaaldemocratische traditie. Juist daarom zou ik willen pleiten voor een veel duidelijker antwoord op de naar aanleiding van de campagne rond zekerheid gestelde vragen. Een antwoord daarop zou mijns inziens moeten beginnen met een ook door Mounk voorgestane herovering van het begrip verantwoordelijkheid. Daarbij zou het niet langer moeten gaan over de vraag hoeveel verantwoordelijkheid mensen op welk punt aankunnen en wanneer men gebruik kan maken van collectieve arrangementen, maar juist over de vraag op welke manier iedereen in staat gesteld wordt verantwoordelijk te zijn voor zichzelf en zijn omgeving. De overheid – op welk niveau dan ook – zou opnieuw de fundamentele zekerheid moeten verschaffen dat er een fundament onder de samenleving ligt waar niemand doorheen kan zakken. Dit maakt van de overheid opnieuw een plek waar iedereen samenkomt en niemand erbuiten valt. Dat geeft mensen vervolgens – of ze nu veel of weinig ondersteuning nodig hebben – de mogelijkheid met opgeheven hoofd onderdeel te zijn van onze samenleving. Die zekerheid staat naar mijn stellige overtuiging aan de basis van alle andere zekerheden, waarbij de menselijke waardigheid onverkort uitgangspunt is. De uitdaging voor de PvdA is dan vervolgens om de goede campagne rond zekerheid en zeker zijn als het ware te vullen met een aantal funderende inzichten over de meest wenselijke inrichting van de samenleving en de rol van de staat daarbij.

Nieuw zijn deze gedachten overigens niet, ze staan aan de basis van de oprichting van de partij. In het beginselprogramma van 1937 werd al in het hierboven reeds aangehaalde openingsartikel een vaste koppeling gelegd tussen bestaanszekerheid en ontplooiing. Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar al snel het begrip vrijheid bij. Bestaanszekerheid was vanuit dat perspectief een basis, een fundament waarop een menswaardig bestaan, persoonlijke ontplooiing en individuele vrijheid gebouwd werden. Het was een gedachte die Willem Banning tot het hart van zijn personalistisch socialisme maakte en waarop sociaaldemocraten van velerlei slag elkaar vonden bij de vorming van een brede, vooruitstrevende, sociaaldemocratische volkspartij. Het zijn gedachten die het verdienen vandaag de dag opnieuw onder de aandacht gebracht te worden. In de eerste plaats omdat de op zichzelf goede campagne rond het thema zekerheid een breder ideologisch fundament verdient. Maar in de tweede plaats evenzo omdat de politieke versnippering in Nederland noopt tot het aangaan van nieuwe allianties. Daarbij kunnen oude vormen en gedachten wellicht een bruikbare basis zijn.

De Banning Vereniging bestaat in 2019 honderd jaar. In november 1919 werd zij opgericht als Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Natuurlijk willen we dit moment gebruiken om terug te kijken op wat de afgelopen honderd jaar ons gebracht hebben én vooruit kijken naar wat wij als vereniging vanuit onze traditie de sociaaldemocratie en de samenleving kunnen meegeven. Daarom verschijnt dit najaar een boek onder de titel Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers.

Ook grijpen we ons jubileumjaar graag aan om de discussie over de in dit artikel besproken vragen gezamenlijk op een nieuwe manier te verkennen. We gaan daarom op verschillende plaatsen in het land in discussie over de betekenis van het begrip verantwoordelijkheid anno nu. Waarvoor voelen mensen zich verantwoordelijk? Hoe geven zij die verantwoordelijkheid concreet handen en voeten? Waar gaat dat goed en waar gaat dat soms mis? En welke steun hebben ze daarbij gemist en hoe kunnen we helpen? Als gemeenschappen, als politiek, als overheid? Over die vragen en veel meer gaan we ook graag met leden en belangstellenden in gesprek. Op dinsdag 14 mei organiseren we daarvoor een bijeenkomst in Utrecht. Meer weten of direct aanmelden? Klik hier voor meer informatie.