Banning Leergang 2020: een effectieve, sociaaldemocratische klimaatpolitiek?

i 2 juni 2020 door

‘Het meest elementaire mensenrecht, is dat je je gerustgesteld en beschermd voelt’, schreef de Franse antropoloog en wetenschapsfilosoof Bruno Latour in zijn essay Waar kunnen we landen? over politiek in tijden van klimaatverandering. Juist dat gevoel van veiligheid en geborgenheid staat naar zijn analyse onder druk. De vraag hoe mensen in tijden dat de gevolgen van de opwarming van de aarde zowel zichtbaarder worden als zwaarder gaan wegen opnieuw gerustgesteld en beschermd kunnen worden, is voor een politieke stroming die ‘zekerheid’ centraal stelt urgenter dan ooit.

Tegelijkertijd is de weg naar een sociaaldemocratische klimaatpolitiek niet zonder hobbels. Want waar hebben we het eigenlijk over? Wat verstaan we onder ‘klimaat’? Wat kunnen we doen en zijn we daar niet al veel te laat mee? Hoe zorgen we ervoor dat klimaatpolitiek bestaande ongelijkheid niet nog verder vergroot? En hoe ontwikkelen we een klimaatpolitiek waarin mensen durven te geloven? Het zijn vragen die verder gaan dan het huidige debat over ‘duurzaamheid’. Dat enerzijds vooral gaat over wat we zelf kunnen doen en daarmee wat blijft steken in goede bedoelingen. En dat anderzijds nogal technisch van aard is, terwijl we toch vooral ook politieke – en dat wil zeggen: morele – keuzes moeten maken.

Met vier vooraanstaande sprekers gaan we op zoek naar antwoorden. De avonden beginnen om 18.00u met een eenvoudige broodmaaltijd en duren tot (ongeveer) 21.00u. Aanmelden kan via deze link of via e-mail (info@banningvereniging.nl). Deelname aan de leergang kost 75 euro (25 voor minima en studenten). De leergang is erkend als officieel onderdeel van het scholingsaanbod van de Partij van de Arbeid, maar staat open voor iedere belangstellende. Ter voorbereiding worden telkens een of twee teksten aan deelnemers toegezonden.

NB: uiteraard is het moeilijk te zeggen welke mogelijkheden we hebben voor het organiseren van bijeenkomsten in het najaar. Het is niet onwaarschijnlijk dat we wat terughoudend moeten zijn in het aantal mensen dat kan deelnemen aan de leergang. Daarom zullen we vooralsnog een beperkt aantal deelnemers toelaten. Wacht dus niet te lang met aanmelden. Uiteraard houden we ons bij het organiseren van bijeenkomsten of het nemen van een besluit over al dan niet doorgaan daarvan altijd aan de richtlijnen van de Rijksoverheid.

Programma

Woensdag 7 oktober 2020: Onze aarde onder druk
Spreker: Heleen de Coninck, hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven en universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze was een van de auteurs van het in 2018 verschenen rapport van het IPCC over hoe de temperatuurstijging te beperken is tot maximaal anderhalve graad. Een uitvoerig interview met Heleen de Coninck is te vinden in het themanummer klimaatpolitiek van Tijd en Taak.

In de openingsbijeenkomst van de Banning Leergang 2020 verkennen we de problematiek met een van de vooraanstaande internationale experts op het gebied van klimaat, energie en innovatie. Hoe staan we ervoor, wat gebeurt er eigenlijk als we de opwarming van de aarde niet weten te beperken tot anderhalve graad, waar liggen risico’s en kansen. En op welke manier vinden we sociaaldemocratische antwoorden op de uitdagingen waar we voor staan?

Woensdag 28 oktober 2020: Denken over het antropoceen
Spreker: René ten Bos, hoogleraar filosofie van de managementwetenschappen aan de Radboud Universiteit en tussen 2017 en 2019 denker des vaderlands. Ten Bos schreef in het drieluik Dwalen in het antropoceen, Het volk in de grot en Extinctie uitvoerig over zowel de complexiteit van het denken over het klimaat als over het politieke en maatschappelijke debat erover. Ten Bos pleit in zijn werk vooral voor het loslaten van voorbarige zekerheden. Hoe verhoudt zich dat tot de wens van politici hun kiezers een helder omlijnd toekomstperspectief te schetsen?

In de tweede bijeenkomst van de leergang verkennen we de complexiteit van het vraagstuk. In zijn werk trekt Ten Bos alles wat we weten of denken te weten in twijfel, opent hij al zoekend nieuwe perspectieven en schetst hij een beeld van een nieuwe, ondoorzichtige realiteit waarin we niet alleen moeten leren leven, maar die ons ook de vraag opdringt wie of wat ‘de mens’ eigenlijk is.

Woensdag 11 november 2020: Kiezen voor klimaatpolitiek
Spreker: Sarah de Lange, J.M. den Uyl-hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur. In haar onderzoek staan nieuwe breuklijnen in de samenleving centraal waar de sociaaldemocratie zich toe te verhouden heeft. Ook doet De Lange onderzoek naar de vraag hoe de sociaaldemocratie reageert op de opkomst en het succes van radicaalrechts-populistische partijen én groene en sociaalliberale partijen in Nederland en daarbuiten.

Op de derde avond staat de vraag centraal of een verbindende, sociaaldemocratische klimaatpolitiek eigenlijk wel mogelijk is. Is een electoraat te overtuigen van een dergelijke politiek, of is de (natuurlijke) achterban van de sociaaldemocratie daarvoor veel te verdeeld over het vraagstuk. Of liet de campagne van Frans Timmermans bij de Europese verkiezingen van 2019 zien dat een campagne die klimaatpolitiek centraal stelt juist wel succesvol kan zijn?

Woensdag 25 november 2020: Effectieve klimaatpolitiek
Zoals de laatste jaren gebruikelijk sluiten we de leergang af met een interview. Dit keer spreken we met Marjan Minnesma, directeur van Urgenda. In haar Banning Lezing liet ze in februari al zien langs welke lijnen een effectieve klimaatpolitiek te ontwikkelen valt. Met haar gaan we in gesprek over de (politieke) mogelijkheden en onmogelijkheden, over de verhouding tussen recht, maatschappelijk activisme en politiek en het belang van een snel en effectief politiek handelen.

Aanmelden voor de leergang kan via deze link of door te mailen naar info@banningvereniging.nl. Wacht niet te lang, want het aantal plaatsen is beperkt. Kosten voor deelname zijn 75 euro (25 euro voor studenten en minima). Dat is inclusief broodmaaltijd aan het begin van elke bijeenkomst. Locatie (onder voorbehoud): Café Seven, Mariaplaats 7 te Utrecht. Meer informatie? Neem gerust contact op met Maarten van den Bos via info@banningvereniging.nl.

Zonder mensen gaat het niet. Reactie op Lodewijk Asscher

i 11 mei 2020 door

Essays, zo is wel eens opgemerkt, zijn eigenlijk een dikker soort brieven aan vrienden. Ik heb dat altijd wel een mooi uitgangspunt gevonden, al was het maar omdat elke proeve op schrift daarmee een uitnodiging is om ook terug te schrijven. Lodewijk Asscher publiceerde onlangs een prachtig essay over de toekomst na de corona-crisis. Het is een mooi stuk, dat inspireert en uitdaagt. Maar dat ook een onuitgesproken risico in zich draagt. Een reactie.

We staan voor een aantal fundamentele keuzes. Het tijdperk waarin ‘de markt het doel was, het individu de oplossing en de overheid het probleem’ loopt op zijn einde, schrijft Asscher. Oude recepten zijn uitgewerkt, nieuwe moeten nu geschreven worden. En met de uitbraak van de Corona-epidemie is dat alleen maar urgenter geworden. Het is zaak opnieuw na te denken over de wereld van morgen. Juist nu.

In de opening van zijn essay refereert Asscher aan de hoop en verwachting die na de Tweede Wereldoorlog de motor was achter de wederopbouw. Een periode die gedragen werd door de gedachte dat een betere wereld ook mogelijk was. Dat we met elkaar een nieuw begin kunnen maken. Het was dit gevoel van hoop en verwachting dat ook aan de basis stond van de nieuwe Partij van de Arbeid. De partij nam een grote diversiteit aan mensen en meningen in zicht op. Maar zij wisten zich, zo memoreerde dominee Willem Banning in zijn toespraak tot het stichtingscongres van de partij in februari 1946, verbonden door ‘de wil tot sociale gerechtigheid en vrijheid’ en ‘het vaste voornemen om samen een nieuw begin te maken’. [1]

Het is opvallend hoezeer – onbedoeld en onbewust waarschijnlijk – dezelfde thematiek opnieuw weerklinkt. Het socialisme, stelde Banning, wilde bouwen aan een samenleving waarin iedereen zich in gelijke mate zou kunnen ontplooien. Omdat het uitging van de persoonlijke waarde van ieder mens. Het was onverbrekelijk verbonden met de democratie en zag de diversiteit van de Nederlandse samenleving niet als een gevaar of zelfs een gegeven, maar als een bron van kracht en vooruitgang. Het erkende dat bezitsverhoudingen niet heilig zijn, maar dat daarin ingegrepen moet worden als dat voor het algemeen welzijn nodig is. Het is een lijn van denken die ook in het essay van Asscher terug te vinden is. Toch is er ook een verschil en over dat verschil gaat deze reactie. Want waar Banning zijn visie op de sociaaldemocratie grondvestte op een uitgewerkt beeld van mens en samenleving, is juist dat in het essay van Asscher nog wat onzichtbaar.

Besmettelijke ongelijkheid
De wereld staat voor een viertal crises: een gezondheidscrisis, een economische crisis, een sociale crisis en een klimaatcrisis. En de ene crisis het hoofd bieden zonder de andere te adresseren is als het monteren van één reservewiel op een auto waarvan vier banden lek zijn. Dan kom je dus niet verder. Bovendien ziet Asscher door de verschillende crises heen een belangrijke constante: de toenemende ongelijkheid in de wereld, die bovendien ‘besmettelijk’ is. ‘Landen en bedrijven concurreren nu met elkaar in een race naar beneden in belasting en bescherming.’

Asscher staat in die analyse niet alleen. De Franse econoom Thomas Piketty opende zijn recente boek Kapitaal en Idologie met de constatering dat ‘het ook heel moeilijk is om oplossingen te vinden voor de andere grote problemen waarmee de wereld zich geconfronteerd ziet, om te beginnen de klimaatverandering en de migratie, wanneer we er niet tegelijkertijd in slagen die ongelijkheid terug te dringen en tot een norm van rechtvaardigheid te komen die voor een grote meerderheid aanvaardbaar is’. Deze ongelijkheid was in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, zeker in West-Europa, enigszins teruggedrongen, maar is in de jaren tachtig en negentig opnieuw enorm toegenomen. [2]

Zonder een fundamentele correctie op de toenemende ongelijkheid – zowel in Nederland als in de wereld – zijn de enorme uitdagingen waar we voor staan dus niet op te lossen. En die oplossing is wel nodig. Want zonder basale vormen van bestaanszekerheid is het opbrengen van onderlinge solidariteit en samenwerking voor veel mensen een onmogelijke opgave. En zonder internationale solidariteit kan Europa niet functioneren als de unie die we in een steeds complexer wereld wel nodig hebben. En zonder de wetenschap dat we de overgang naar een schone energie- en warmtevoorziening samen zullen moeten maken, is die overgang, nodig om onze wereld van de ondergang te redden, per definitie onmogelijk.

Juist daarom komt Asscher terecht met een heel aantal grote en kleine maatregelen. Soms expliciet, soms wat meer terloops, maar telkens vanuit de wetenschap dat de politiek het verschil kan maken en dat een sterke overheid en actieve publieke sector niet het probleem zijn, maar het begin van elke oplossing.

En dat is mooi. Het is goed dat Asscher onderkend dat de machteloosheid van generaties politici – ervan overtuigd dat zich aanpassen aan dwingende economische en electorale omstandigheden het hoogst haalbare was – van eigen makelij geweest is. Wie de recente geschiedenis analyseert, kan niet tot een andere conclusie komen dan dat vooruitgang en voorspoed nooit vanzelfsprekend waren. Ze zijn altijd het resultaat van strijd, van hard werken, van de verbeeldingskracht nodig om te onderkennen dat wat nu is niet noodzakelijkerwijze morgen ook zo hoeft te zijn.

De uitkomst van die verbeeldingskracht is – in de kortst mogelijke samenvatting van Asschers essay – een nieuw sociaal contract tussen overheid en burger. En dat is hoog nodig. Maar een werkbaar contract vraagt twee tekenende partijen. En daar wringt de schoen – bij alle waardering – toch een beetje. Want waar er veel woorden zijn voor de overheid, daar komt de burger er toch wat bekaaid van af. Die mag zich wentelen in de collectief geboden bestaanszekerheid, kan zichzelf ontwikkelen en ontplooien, ademt schone lucht in een mooie wereld en heeft verder weinig klagen meer. Maar beschouwen we mensen dan niet toch nog te veel als consumenten van al het goede dat een sociaaldemocratisch gestuurde overheid hen te bieden heeft? En doen we hen daarmee dan niet tekort? Belangrijker: handhaven we dan niet het mensbeeld van de ideologische tegenstander? Kort en goed: waar blijft de burger, de inwoner, de mens in het sociaaldemocratisch perspectief op de toekomst?

Neoliberale mensbeelden
Asscher stelt met recht dat het dominante neoliberale denken van de afgelopen jaren geen oplossingen biedt voor de grote uitdagingen van vandaag en morgen. Even voorbijgaand aan het gegeven dat ik dat van harte met hem eens kan zijn, moeten we wel vaststellen dat het neoliberalisme meer was en is dan de gedachte dat ‘meer markt’ de oplossing is voor alle problemen. Wat we vandaag de dag aanduiden met het begrip ‘neoliberalisme’ was meer dan de economische paragraaf uit het verkiezingsprogramma van Reagan en Thatcher. De Franse filosoof Michel Foucault wees er in een nog altijd indrukwekkende serie lezingen uit 1979 al op dat er meer op het spel stond. Het ‘hedendaags’ of ‘modern’ liberalisme ging niet zozeer om het bevrijden van de economie van inmenging of bemoeienis van de overheid, maar om het opdringen van het model van de markteconomie aan alle onderdelen van het leven. Het was niet alleen een economische theorie, maar vooral ook een opvatting over mens en samenleving, met als essentie dat de markt het beste regulerende principe is voor alle intermenselijk verkeer. [3]

Die gedachte is de afgelopen dertig jaar zo dominant geworden, dat we haar te weinig herkennen als richtinggevend principe. We zijn er met elkaar zo van doordrongen geraakt dat alles een prijs heeft, dat we ons zelden nog afvragen wat ergens nu precies de waarde van is. Van vrijwel alles kennen we de prijs, omdat veel in onze samenleving een transactie geworden is. Een vraag van voor wat hoort wat. Het wordt pas problematisch als we de prijs niet kennen, want dan is het in de logica van vandaag de dag uiteindelijk ook niets waard. [4]

Een bijkomend probleem van dit transactie-denken is, zoals Asscher ook wel signaleert, dat we succes en falen zijn gaan zien als iets waarvoor mensen in essentie zelf verantwoordelijk zijn. We leven in een tijdperk van verantwoordelijkheid. [5] Of het nu gaat om geluk of tegenslag, succes of falen, uiteindelijk is het de schuld van mensen zelf. En hoewel we instinctief weten dat dit mensbeeld niet het onze is, heeft links het de afgelopen jaren meer bevestigd dan bijgesteld. Bijvoorbeeld door er, met de beste bedoelingen, voortdurend op te wijzen dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin de wetmatigheid dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor succes en falen niet opgaat. Economische omstandigheden, gezondheidsproblemen, sociale achterstanden. Van alles is er opgetuigd om achterstanden weg te werken. Maar de kern van het probleem werd daarmee niet opgelost. Want met het onderkennen dat sommige mensen op bepaalde momenten geen schuld hebben aan hun eigen ongeluk komt ook de erkenning dat dit normaliter wel het geval is. En zo blijft het beeld van de zelfredzame, mondige, moderne burger in stand. De ander is de regel bevestigende uitzondering.

Terwijl we diep in ons hart eigenlijk wel weten dat het anders is. Dat mensen inherent kwetsbaar zijn. Dat we het nooit alleen kunnen, maar altijd anderen nodig hebben. Steker nog, dat mensen eigenlijk pas echt zichzelf zijn in relatie tot anderen. Dat mensen niet aangezet hoeven te worden tot sociaal en maatschappelijk verantwoord gedrag, maar dat ze dat uit zichzelf al doen. Dat we geen participatieverklaring nodig hebben om erbij te willen horen, noch om mee te kunnen doen.

Wanneer de sociaaldemocratie al te zeer meegaat in het mantra van eigen verantwoordelijkheid en geen eigenstandige analyse weet te ontwikkelen van mens en samenleving is het nieuwe sociaal contract tussen overheid en burger niet in evenwicht. De zoektocht van de sociaaldemocratie naar nieuwe vormen en gedachten sinds de jaren tachtig werd bemoeilijkt door twee problemen. Ten eerste de al besproken gedachte dat grote economische en electorale bewegingen niet te keren vielen, als waren het natuurwetten waaraan het eigen denken slechts aangepast kon worden. Realiteitszin als mantra. Ten tweede een gebrekkig besef dat gemeenschap lange tijd een sociaaldemocratisch kernbegrip was en dat een nieuwe visie op de economische orde ook een nieuwe visie op de samenleving nodig heeft. Het ene, zo leerde de sociaaldemocratie al in de jaren dertig van onder andere Willem Banning, kan niet zonder het andere. Maar die lessen vervlogen in een tijd dat gemeenschap iets leek van burgerlijkheid, spruitjeslucht en paternalisme. [6]

Personalistisch socialisme
In 1995 hield Wim Kok onder de titel Wij laten niemand los een inmiddels beruchte rede over de toekomst van de sociaaldemocratie. Die ene bijzin over het afschudden van ideologische veren kleurde ten onrechte de receptie van de rede. Want als je de – overigens door Bram Peper geschreven – tekst naast het essay van Asscher legt, zie je opvallend veel overeenkomsten. In beide gevallen lees je een pleidooi voor een actieve en sterke publieke sector, voor bestaanszekerheid voor iedereen, voor een sterke overheid die het (ruimtelijk) aangezicht van Nederland mag en moet bepalen, voor Europese solidariteit en samenwerking. Maar ook in rede van Kok is de burger betrekkelijk ver weg. Ondanks een kritiek op doorgeschoten individualisme en consumentisme wordt de vraag wie we samen willen zijn niet gesteld. En dus ook niet beantwoord.

Het is natuurlijk een gerechtvaardigde vraag of politieke partijen zich moeten willen wagen aan een denken dat meer omvat dan de manier waarop zij het bestuur willen organiseren. Toch denk ik dat juist dit meer dan ooit nodig is. Politiek wordt steeds sterker vereenzelvigd met bestuur en belangenbehartiging, terwijl het toch ook gaat over de vraag hoe we met elkaar vormgeven aan de ordening van de samenleving? [7] Bovendien heeft het neoliberale transactie-denken ook zijn invloed op het democratisch bestel niet gemist. De Franse filosoof Marcel Gauchet constateerde eerder al een verschuiving in de ‘grondtoon’ van de democratie. Van de gezamenlijke uitoefening van politieke macht door burgers is zij steeds sterker verworden tot het waarborgen van de rechten en belangen van individuen. [8] Het is de bredere basis van een voor-wat-hoort-wat politiek waarin voor ieder deelbelang een eigen partij voorhanden is.

In zijn in de oorlogsjaren geschreven en na de bevrijding gepubliceerde schets van een personalistisch socialisme wees Banning er – in lijn met publicaties uit de jaren dertig – al op dat socialisme meer moest willen zijn dan een theorie over de economie en dat een democratisch-socialistische partij niet versmald moest worden tot een beweging voor arbeidersrechten en een hoger loon. In 1953 kwam Banning tot een aantal richtinggevende stellingen voor de toekomst van de sociaaldemocratie. Hij noemde twee essentiële uitgangspunten. Het eerste was dat ‘een reconstructie van de eigendoms- en sociale verhoudingen’ de kern van sociaaldemocratische politiek was en bleef. Ongelijkheid terugdringen, maar dan wel op alle denkbare vlakken. In inkomen, maar ook in toegang tot cultuur, werk en onderwijs. Zonder fundament van bestaanszekerheid kunnen mensen geen verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en de samenleving. In de tweede plaats kon ‘de socialistische beweging’ slechts dan ‘de concentratie van alle creatieve krachten op politiek terrein’ zijn, ‘indien zij volledig ernst maakt met het beginsel van geestelijke pluriformiteit’. De sociaaldemocratie moest zich willen laten voeden door verschillende overtuigingen en mensen met een brede waaier aan achtergronden waren welkom. En had vervolgens uit die waaier van opvattingen ook zelf een beeld te destilleren van de samenleving die haar voor ogen staat.

Beide uitgangspunten vonden elkaar in een personalistisch socialisme, dat uitging van de gedachte dat mensen altijd welbewust onderdeel wilden zijn van een gemeenschap, zich daardoor beschermd en gedragen weten, in alle verschillen iets van gezamenlijkheid en overeenkomst herkennen en daarom ook uit zichzelf bereid zijn zich voor diezelfde gemeenschap in te spannen. Juist dat beeld, van mensen die mits zij zich geborgen en gedragen weten, ten volle bereid zijn zich in te zetten voor hun lokale, nationale en ook internationale omgeving kan het rijke betoog van Asscher verder verdiepen. Want als de sociaaldemocratie niet in staat is zich los te maken van het mantra van de eigen verantwoordelijkheid, van het neoliberale transactie-denken dat aan alle intermenselijk verkeer een prijskaartje wil hangen, van het beeld van de calculerende burger die zich met liefde wentelt in de beschermende mantel van de overheid zolang hem dat noch wat kost noch beperkingen oplegt, dan zijn we nog weinig opgeschoten.

Morele vraagstukken
De Partij van de Arbeid moet niet alleen breken met de gedachte dat de tijd van de grote overheid gedaan is en dat we ons allemaal zullen moeten aanpassen aan de moderne tijd waarin de markt de maat van alle dingen is, maar juist ook met de gedachte dat morele vragen over mens en samenleving geen onderdeel zouden moeten zijn van het publieke en politieke debat. Een echte waardengedreven politiek gaat juist ook over die vraagstukken die meer omvatten dan inkomensverdeling en koopkrachtplaatjes.

Want juist die vragen dringen zich onmiskenbaar op. Ik noem, ter afronding, drie centrale belangrijke vraagstukken:

  1. Onzekerheid wordt steeds meer een gegeven. De geopolitieke situatie in de wereld en de fundamentele onvoorspelbaarheid van klimaatverandering maken dat we met elkaar een modus zullen moeten vinden om met een fundamenteel gevoel van onzekerheid om te gaan. Klimaatverandering vraagt om het zoeken naar radicaal nieuwe arrangementen. De overheid, op lokaal, nationaal en Europees verband, kan de onzekerheid die daarbij hoort altijd maar deels wegnemen. [9] Sociaaldemocratische politiek is nooit een politiek van illusies geweest en moet dat ook niet willen worden. Zoals Marjan Minnesma in haar recente Banning Lezing al liet zien, is klimaatpolitiek altijd ingewikkeld en onzeker. Het enige dat meer onzekerheid en gevaar genereert is echter niets doen. De kernvraag is dan ook hoe we mensen wapenen tegen onzekerheid. Die kan cynisch maken, een terugtrekken op eigen erf achter hoge hekken en muren veroorzaken, of juist aanzetten tot handelen. Tot een vol goede moed voortgaan op soms nog ongebaande paden. Daar is vertrouwen voor nodig. Vertrouwen dat we er bij tegenslag en teleurstelling samen voor willen staan.
  2. Het oplossen van publieke armoede vraagt een offer van private rijkdom. We zullen als mensen op ten minste twee samenhangende manieren ons leven moeten willen veranderen. De afgelopen jaren is steeds zichtbaarder geworden dat private rijkdom zich een op een vertaalt in publieke armoede. Dat betekent dat we allemaal, en dus niet alleen de rijke bovenlaag of het grote bedrijfsleven, bereid zullen moeten zijn bij te dragen aan de wederopbouw van de publieke sector, kunst en cultuur, onderwijs en zorg. Willen we in der daad zeker kunnen zijn van een publieke sector die er is voor iedereen, dan moeten we daar ook naar draagkracht aan willen bijdragen. Daarnaast is het onontbeerlijk dat we ook individueel onze manier van leven meer in lijn brengen met de draagkracht van de Aarde. Er is geen toekomst voor zielloze consumptie en sociaaldemocratische politiek mag daar wat van vinden, paternalisme of niet. Het ging en gaat ons immers om de kwaliteit van het bestaan. [10]
  3. Ten slotte, maar niet minder belangrijk, is een samenleving waarin er voor iedereen een plek is een samenleving gegrondvest op een actief pluralisme. Bij de oprichting van de Partij van de Arbeid was het een uitgangspunt, verankerd in het beginselprogramma, dat iedereen ongeacht levensbeschouwelijke of politieke achtergrond die bereid was zijn of haar opvattingen over het goede leven in het publiek debat naar voren te brengen gehoord zou worden. Op basis van programmatische overeenstemming, met respect voor verschillen, kon dan gebouwd worden aan een nieuwe samenleving. Een sociaaldemocratie die iedereen eerst in dezelfde mal wil dwingen verloochent haar eigen ontstaansgeschiedenis.

Het zijn de grote vragen van vandaag die vragen om een moreel, ja levensbeschouwelijk geladen antwoord. Een nieuw verhaal voor de sociaaldemocratie is nodig. En dat moet gaan over ongelijkheid. Over de rol van de overheid en de nieuwe economische orde. Over klimaat en energie. Over de kracht van visionaire politiek en debat over morele en ethische afwegingen. Over de vraag hoe we onszelf zien, als mensen zoekend in een wereld die van de ene op de andere dag onze fundamentele kwetsbaarheid en onderlinge afhankelijkheid andermaal bewezen heeft.

Verwijzingen:
[1] Citaten van Willem Banning zijn afkomstig uit mijn boek Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers (Hilversum: Verloren, 2019). Veel van de hiernavolgende gedachten zijn gebaseerd op hoofdstuk 5 uit het boek, waarin de actualiteit van het denken van Banning voor de PvdA besproken wordt. Een vergelijkbare kritiek aan de hand van Banning zoals die hier ontwikkeld wordt, werd eerder geformuleerd door politiek filosoof Rutger Claassen in reactie op het (toen nog) concept-beginselmanifest van de PvdA dat in 2005 door het congres werd aangenomen: ‘Wat zou Banning van het Beginselmanifest vinden?’, Socialisme en Democratie (2004): http://www.rutgerclaassen.nl/wp-content/uploads/2011/02/Claassen-Banning-en-beginselmanifest.pdf.
[2] Thomas Pikketty, Kapitaal en ideologie (Amsterdam: De Geus, 2020), citaat op 33.
[3] Michel Foucault, De geboorte van de biopolitiek. Colleges aan het College de France (1979) (Amsterdam: Boom, 2013).
[4] Deze analyse is voornamelijk gebaseerd op Mariana Mazzucato, The Value of Everything. Making and Taking in the Global Economy (Londen: Pinguin Books, 2019). Voor een inspirerende toepassing van het denken van Mazzucato, vgl. het winnende essay voor de Banning Prijs 2020 van de hand van Camille Creyghton: https://www.banningvereniging.nl/site/wp-content/uploads/2020/02/Taal-tijd-en-waarde.pdf.
[5] Yascha Mounk, The Age of Responsibility. Luck, Choice, and the Welfare State (Cambrigde: Harvard University Press, 2017). Voor een verdere toelichting bij het hiernavolgende mijn essay: ‘Verantwoordelijkheid is het woord niet’ in Socialisme en Democratie: https://www.wbs.nl/publicaties/klaar-met-weg-met-ons-2.
[6] Veel van deze en hiernavolgende gedachten zijn gebaseerd op mijn artikel over de derde weg: ‘Twee hoeraatjes voor de derde weg’, Socialisme en democratie: https://www.wbs.nl/publicaties/twee-hoeraatjes-voor-de-derde-weg.
[7] Pierre Rosanvallon, Good Government. Democracy beyond Elections (Cambridge: Harvard University Press, 2018). Voor de ingrijpende inbreuk van neoliberaal denken op de democratie zie bovendien: Wendy Brown, Undoing the Demos. Neoliberalism’s Stealth Revolution (New York: ZONE Books, 2015).
[8] Marcel Gauchet, The Disenchantment of the World. A Political History of Religion (Princeton: Princeton University Press, 1997).
[9] Hiernavolgende gedachten zijn zeer gebaseerd op het indrukwekkende boek van René ten Bos, Dwalen door het antropoceen (Amsterdam: Boom, 2017), waarin de gedachte wordt uitgewerkt dat dwalen, zoeken en de daarbij behorende onzekerheden tot de kern van de tegenwoordige tijd behoren. Eveneens: René ten Bos, Extinctie (Amsterdam: Boom 2019). Ook in het denken van Bruno Latour (zie bijvoorbeeld zijn essay Waar kunne we landen?) wordt die onzekerheid gethematiseerd. Over verschillende vormen van cynisme als crisisreactie: Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede (Amsterdam: Boom, 2013).
[10] Hier zij uiteraard verwezen naar het rapport Om de kwaliteit van het bestaan uit 1963. De gedachte daarin was dat mensen hier min of meer vanzelfsprekend toe bereid zouden zijn. Dit is, het is ten overvloede opgemerkt, geen vanzelfsprekendheid. In haar boek over de menselijke conditie merkte Hannah Arendt al op: ‘Honderd jaar na Marx weten wij hoezeer hij zich hierin heeft vergist; zijn vrije tijd gebruikt animal laborans nooit voor iets anders dan consumptie, dat wil zeggen behoeftebevrediging, en hoe meer vrije tijd hij heeft, des te begeriger en overzadelijker hij wordt’. Hannah Arendt, De menselijke conditie (Amstrerdam: Boom, 2013) 121. Voor de verhouding tussen consumptie(cultuur) en sociaaldemocratie in deze periode: Chris Dols en Maarten van den Bos, ‘King Customer. Contested Conceptualizations of the Consumer and the Politics of Consumption in the Netherlands, 1920s-1980s, Low Countries Historical Review 132, nr. 3: https://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.10400/.

Levensbeschouwing in crisistijd

i 30 maart 2020 door

Crisistijd is een tijd van tegengestelde gevoelens en ervaringen. Het zal voor u als lezer van deze nieuwsbrief van de Banningvereniging niet anders zijn. Er is angst, onzekerheid, verdriet en eenzaamheid. Dagelijks worden ziekenhuisopnames en dodencijfers door het RIVM gepubliceerd. Er zijn ook zorghelden die vechten voor levens. Er zijn verrassende hulpacties, creatieve oplossingen, klokken van hoop, warme blijken van solidariteit. Er is humor. En er zijn ook in deze crisistijd allerlei politieke beschouwingen en vergezichten. Over de waarde van een goed functionerende overheid, over de noodzaak nog verdergaande klimaatmaatregelen te nemen, over het failliet van het kapitalisme zelfs. De ervaring leert dat in crisistijd voorgestelde grote veranderingen nog wel eens snel vergeten worden als de crisis weer voorbij is. We zullen zien. In ieder geval zullen de klimaatplannen van het Kabinet pas later in het jaar geconcretiseerd worden. Plannen die juist centraal stonden in de laatste grote bijeenkomst die de Banningvereniging organiseerde: de Banninglezing van Marjan Minnesma van Urgenda in de Rode Hoed op vrijdag 21 februari j.l. (de geboortedag van Willem Banning).

Natuurlijk zal ook de Banningvereniging op later tijdstip stil staan bij de (politieke) gevolgen van de crisis. Op deze plaats een enkele gedachte over de waarde van godsdienst en levensbeschouwing in crisistijd. Want tot de kern van het gedachtegoed van onze vereniging behoort het immers om godsdienst en levensbeschouwing te willen verbinden met ethiek en politiek. Ook in crisistijd.

Wat maakt in deze verwarrende tijd godsdienst en levensbeschouwing waardevol? Het reikt mensen een oriëntatiekader aan. Biedt troost, vertrouwen, uitzicht op zin én een handelingsperspectief. In een werkelijkheid die van toeval aan elkaar lijkt te hangen en waarin mensen in al hun kwetsbaarheid samen een begaanbare weg moeten zien te vinden.

Levensbeschouwing, al dan niet in godsdienstige vorm, maakt daarbij gebruik van precies die middelen die ook psychologen nu aanbevelen om de crisis door te komen: rituelen die angst reduceren en houvast bieden; symbolen die ons bepalen bij wat echt belangrijk is in het leven. En verhalen, de schat aan verhalen die elke levensbeschouwing bewaart en doorgeeft. Successchrijver Yuval Noah Harari benadrukt het keer op keer in zijn boeken, wij mensen zijn verhalenvertellers: ‘homo sapiens is a storytelling animal’. Juist in tijden van crisis zuigen we eindeloos veel verhalen in ons op. Via de krant, de telefoon, sociale media, via de vele boeken en films die we (nog gaan) lezen en bekijken. Verhalen, al dan niet uit het echte leven gegrepen, die vertellen van mensen die eerder dan wij geconfronteerd werden met onverwachte ziekte, dood en verdriet. En die daarin hun weg moesten vinden, zoekend naar licht, naar liefde, naar het hogere, naar God. Ook zij poogden de moed niet te verliezen. Soms ontvingen ze steun uit onverwachte hoek, zagen licht in het duister en ervoeren op bijzondere wijze aanwezigheid van de ander/Ander in hun bestaan.

Eens, als de huidige crisis voorbij zal zijn, zullen ook wij op het voorjaar 2020 terugkijken in collectieve, betekenis-gevende verhalen. Verdrietige verhalen over wie en wat we verloren, verhalen over hoe we onze kinderen bij de les hielden, hoe we onze (groot)ouders op afstand moesten bijstaan, en tja, ook hoe we eerst niet wilden luisteren en toch massaal het strand op gingen. Die verhalen over het voorjaar van 2020 zullen toegevoegd worden aan de verhalenschat die we als mensheid met ons meedragen.

Natuurlijk, we leven niet van een verhalenschat alleen. We leven van concrete vormen van solidariteit hier en nu, creatieve oplossingen, het werk van zorghelden, supermarkthelden, publieke diensten die iets van het ‘normale’ leven gaande houden. Maar godsdienst en levensbeschouwing nodigen uit daar dan ook bij stil te staan, er dankbaar voor te zijn, goede voorbeelden na te volgen en te bezien hoe we ook zelf aan elkaar dienstbaar kunnen zijn.

Daarbij hoort het besef dat juist in crisistijd de allerkwetsbaarsten de zwaarste lasten dreigen te gaan dragen. Een van de meest kwetsbare groepen is natuurlijk die van de vluchtelingen wereldwijd. Vaak gevestigd in overvolle tentenkampen met enorme tekorten aan medicijnen, voedsel en slecht sanitair. Ook binnen de Europese Unie met als tragisch voorbeeld het kamp Moria op Lesbos. Mag ik u vragen de oproep te ondersteunen van Europese artsen die een ramp voorzien als het corona-virus de Griekse eilanden bereikt? Dat kan via deze link.

En, mocht u zelf op enige manier steun kunnen gebruiken, ook als bestuur van de Banningvereniging willen we graag pogen iets te betekenen, al is het maar in de vorm van een luisterend oor.

Namens het bestuur wens ik u tot slot heel veel sterkte in de situatie waarin u zich bevindt, in de hoop dat u ondersteuning krijgt waar nodig. In de hoop ook dat wij elkaar in juni ook als Banningvereniging weer in levende lijve kunnen ontmoeten. We houden contact.

KLIMAATONDERZOEKER HELEEN DE CONINCK OVER DE KLIMAATCRISIS

i 30 maart 2020 door en

Australië wordt geteisterd door vuurzeeën, Afrika kampt met grote droogte en in de Alpen smelten de gletsjers. Als we doorgaan met de huidige plannen koersen we af op drie graden opwarming in 2100. Dat is rampzalig. We bevinden ons in een situatie waarin we moeilijke en moedige keuzes moeten maken. De PvdA wil werken aan een schone en rechtvaardige wereld en de lusten en lasten op weg naar duurzaamheid eerlijk verdelen. Wat kunnen we bedenken om dat voor elkaar te krijgen? Om een antwoord op die vraag te vinden interviewen we Heleen de Coninck.

Klimaatonderzoeker De Coninck was een van de vijftien hoofdauteurs van het veelbesproken rapport uit 2018 van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties. Het rapport concludeerde dat er onmiddellijk drastische maatregelen genomen moeten worden én dat de wereld binnen dertig jaar op netto nul CO2-emissies moet zitten om nog een kans te houden om onder de anderhalve graad temperatuurstijging te blijven (zie kader). Heleen is universitair hoofddocent innovatiestudies en duurzaamheid aan de Radboud Universiteit. Per april 2020 is ze benoemd tot hoogleraar socio-technische innovatie en klimaatverandering aan de Technische Universiteit Eindhoven. Na de middelbare school ging ze scheikunde studeren. Milieu had al vanaf haar jeugd haar belangstelling. Sinds 2001 houdt ze zich bezig met klimaatverandering. Begin februari sprak ze in Zwolle op het PvdA Toekomstlab over duurzaamheid. We spreken Heleen op haar werkkamer van de Radboud Universiteit in Nijmegen, waar het certificaat van de Nobelprijs voor de Vrede 2007, die ze met haar medeauteurs van de IPCC-klimaatrapporten dat jaar deelde met Al Gore, aan de muur hangt.

Je was bij de COP eind 2019 in Madrid. Wat is de COP en wat deed jij tijdens deze internationale bijeenkomst?
De COP, Conference of the Parties, is de VN Klimaatconferentie die jaarlijks moet worden gehouden volgens de VN Klimaatconventie uit 1992. Tijdens de COP spreken alle landen met elkaar om gevaarlijke klimaatveranderingen te voorkomen. Er zijn vertegenwoordigers en beleidsmakers uit alle 195 deelnemende landen, maar ook waarnemers. Dat zijn bijvoorbeeld wetenschappers, die er hun onderzoeksresultaten komen presenteren, en oliemaatschappijen, georganiseerd in brancheorganisaties, om hun oplossingen te delen. Actiegroepen zoals het Wereld Natuur Fonds ontmoeten er beleidsmakers en wetenschappers. Er komen meer dan tienduizend mensen, verspreid over twee weken.

Tijdens de COP in Madrid zijn landen aangezet om meer ambitie te tonen in hun nationale klimaatplannen. Het was ook nodig dat er regels voor emissiehandel onder het Parijsakkoord zouden worden afgesproken, maar dat is niet gelukt. De sfeer tijdens deze COP belooft weinig goeds voor de volgende, de landen die geen belang hebben bij meer ambitie hingen aan de rem, en dat zie je duidelijk terug in de compromistekst. Op de COP gaf ik een aantal presentaties. Eén presentatie ging over de financiële sector en wat het betekent voor investeringen als we onder de anderhalve graad willen blijven. Het is belangrijk dat centrale banken zeggen dat de risico-inschatting anders moet. Hoe schatten we risico’s in van beschadigingen van de infrastructuur door extreem weer? Hoe beoordeel je de rentabiliteit van kolencentrales als die misschien voortijdig dicht moeten? Pensioenfondsen hebben aandelen in Shell, omdat olie en gas een stabiele en zeer rendabele investering zijn. Stel dat Shell gaat verduurzamen, dan dalen mogelijk de inkomsten voor de pensioenfondsen, met alle gevolgen van dien. Als banken stoppen met investeren in niet duurzame projecten, kan het hard gaan. Het is daardoor echt een systeemvraagstuk. Iedereen moet tegelijk bewegen, maar dat is heel ingewikkeld.

Een van mijn andere presentaties ging over het beleid waarmee je emissies (uitstoot van schadelijke stoffen zoals luchtvervuiling en broeikasgassen) in de zware industrie kunt reduceren, bijvoorbeeld in de haven van Rotterdam. De benodigde investeringen zijn heel groot. En het is een sector die vrijwel volledig draait op fossiele brandstof. Het gebruik van die fossiele brandstoffen – voor spullen, energie, mobiliteit en verwarming – is de belangrijkste oorzaak van klimaatverandering. Daarnaast dragen de industriële landbouw en ontbossing er flink aan bij. De uitstoot van broeikasgassen moet de komende jaren hard dalen om de ergste klimaatverandering te voorkomen. We zijn kostbare jaren verloren. Wat begin jaren negentig nog doenlijk leek is nu al een stuk moeilijker. Politieke en economische belangen spelen hierbij een grote rol. De Rotterdamse haven was in 2015 verantwoordelijk voor bijna een vijfde van de totale Nederlandse CO2-uitstoot. De overgang naar minder CO2-uitstoot in de zware industrie is grootschalig en ingrijpend. Dat ziet er anders uit dan in de transportsector, de landbouw of in huishoudens, waarbij je meer gebouw voor gebouw en auto voor auto te werk kunt gaan. Bij de zware industrie heb je een ‘big bang’ nodig, en allerlei processen hangen bovendien met elkaar samen. De industrie kan op verschillende manieren de uitstoot terugdringen: door op fossiel gebaseerde processen en grondstoffen te vervangen door CO2-vrije elektriciteit, biomassa en waterstof. Via CO2-afvang, -opslag en -hergebruik. Op de schaal van een fabriek gaan zulke veranderingen om miljardeninvesteringen. De grote vraag is: hoe krijg je dat voor elkaar? Het is verleidelijk om in de politiek het vraagstuk plat te slaan tot het principe ‘de vervuiler betaalt’. Dat is in de praktijk alleen vol te houden als de kosten betaalbaar zijn voor die vervuiler. Of als je bereid bent de fabrieken van die vervuiler te sluiten. Maar ik denk niet dat we dat willen, ook als PvdA niet.

Waarom veranderen we niet radicaal?
Tien jaar geleden werd ik uitgenodigd om mee te gaan met een cruise naar Spitsbergen, georganiseerd door NRC Handelsblad. Een fantastische ervaring, wat is het mooi daar, wat is de natuur indrukwekkend. Maar, de helft van de deelnemers geloofde niet dat klimaatverandering aan de hand was, of door de mens kwam. Een aantal deelnemers vond het arrogant om te denken dat wij als nietige mensen de enorme aarde zo kunnen veranderen. De reis vond plaats net na de mislukte COP in Kopenhagen, dat was een desillusie voor veel mensen. Gedragswetenschap toont aan dat mensen de neiging hebben een probleem te ontkennen als er geen zicht is op een oplossing. Jonathan Safran Foer beschrijft in zijn boek Het Klimaat zijn wij hoe tijdens de Tweede Wereldoorlog een Joodse man uit het getto van Warschau werd gesmokkeld en naar het Congres in Amerika werd gebracht om daar uit de eerste hand te vertellen wat er voor vreselijke dingen gebeurden in Warschau. De reactie van een congreslid was: ‘Ik denk niet dat je liegt maar ik kan je niet geloven’. Hij voelde zich totaal machteloos. Dat speelt ook bij ontkenning van klimaatverandering. Niet veel mensen denken dat klimaatwetenschappers liegen. Sommige mensen kunnen de conclusies niet accepteren. Anderen accepteren het wel rationeel, maar leven er niet naar. En maar heel weinig mensen veranderen hun gedrag voldoende en leven in lijn met het voorkomen van klimaatverandering.

Hoe beoordeel je wat er gebeurt in Nederland op klimaatgebied?
Het is een gemengd verhaal. Van alle EU-landen heeft Nederland de minste duurzame energie: 7,4 procent, al stijgt het nu wel hard. De uitstoot van CO2 is min of meer gelijk gebleven. We hebben daar ook wel argumenten voor: we hebben weinig potentieel voor duurzame energie en geen waterkracht, we zijn geen ideaal land voor zonne-energie en uit biomassa van eigen grond kunnen we ook niet genoeg halen. Maar ondertussen gebeurt er ook echt te weinig, we hebben vijftien jaar grotendeels op onze handen gezeten.

Op andere milieuvraagstukken doen we het vaak weer beter. In afvalverwerking is Nederland één van de best presterende landen ter wereld, wij hebben geen vuilnisbelten meer. Met het gebruik van fietsen in plaats van auto’s zijn we verder dan welk land ook, dankzij overheidsinvesteringen in infrastructuur, maar ook de onvermoeibare Fietsersbond. Duitsland doet veel aan duurzame elektriciteit, maar burgers daar krijgen nog subsidie voor gas- en olieverwarmingen. Ook de transportsector loopt daar door de autolobby sterk achter. De enorme kostendalingen in zonne-energie danken we overigens aan het jarenlange Duitse beleid en de Chinese innovatiekracht. Dat was niet zo gepland, maar die combinatie heeft een mondiale impact, want elektriciteit uit zonne-energie kan nu op veel plekken concurreren met kolenstroom.

Het klimaatbeleid in Nederland is vergeleken met vijf jaar terug sterk verbeterd. De VVD lag altijd dwars, maar voor de Klimaatwet kwam Kamerbrede steun. Het gaat nog steeds niet ver genoeg om onder die anderhalve graad te blijven, maar er gebeurt nu wel echt wat. De kunst is om de benodigde kennis bij alle delen van de bevolking te krijgen. We hebben in Nederland tienduizenden C.V.-ketelinstallateurs die al zeer binnenkort een gasvrije verwarming moeten kunnen installeren en onderhouden. Alle opleidingen, van MBO tot universitair, zullen een beroepsbevolking moeten opleiden die klaar is voor een duurzame toekomst. Het gaat om toekomstbestendig onderwijs voor iedereen.

Veel aandacht gaat ondertussen ook naar de landbouw. Boeren voelen zich de laatste tijd geraakt in de kern van wie ze zijn. Ze hebben eer in hun vak en opeens zijn ze de kwaaie pier. Mijn dochter gaat naar een gastouder, een gezin met een boerderij met zestig koeien. Dit boerengezin ziet het probleem en werkt met natuurorganisaties samen. Ze hebben stroken met bloemen, breiden niet uit maar hebben de lening van de bank gebruikt om te investeren in massa’s zonnepanelen op de schuur. Ze zijn kritisch op boeren die industrieel bezig zijn, maar tegelijkertijd zullen ze hen nooit afvallen. In die sector zit een sterke saamhorigheid. Daardoor lijken grote industriële boeren en de boerenbeweging die aan wetenschapsontkenning doet de hele sector te vertegenwoordigen. Als de boeren de overheid kunnen vertrouwen en die overheid hen ook werkbare oplossingen biedt, zouden velen zich niet zo machteloos voelen.

Je wordt hoogleraar aan de Technische Universiteit in Eindhoven met als onderzoeksgebied de overdracht van technologische kennis naar ontwikkelingslanden. Waarom is dit belangrijk?
Al in 1992, bij het afspreken van de VN-Klimaatconventie, is vastgelegd dat rijke landen arme landen moeten helpen met technologieoverdracht en capaciteitsopbouw. Dat was ook cruciaal om in Parijs tot een akkoord te komen, en het is ook hard nodig. Arme landen missen vaak de goed functionerende instituties en goed opgeleide mensen. Die heb je allebei nodig om een transitie vorm te geven. Je kunt wel stellen dat de rijke landen daar niet genoeg aan gedaan hebben, ondanks dat het dus al 25 jaar moet en opnieuw werd bevestigd in het Parijsakkoord. Ook door Nederland. Maar ondertussen moest klimaattechnologieoverdracht vooral ook het eigen belang dienen. Nederlandse handelsbelangen staan centraal, ook Lilian Ploumen zat als ontwikkelingsminister op die lijn. Zo maak je je niet geloofwaardig bij de internationale klimaatonderhandelingen.

Een voorbeeld: in Twente was een hele goede masteropleiding, speciaal voor high-potentials uit ontwikkelingslanden, veel studenten kwamen uit Afrika. Die master is wegbezuinigd, hij was immers niet in het Nederlands belang. Ik kom nu bij de klimaatonderhandelingen vaak Afrikaanse onderhandelaars tegen, inclusief de huidige minister van milieu van Oeganda, die haar master bij dat ITC in Twente heeft gedaan. Goed besteed geld, denk ik dan. Waarom stop je daarmee?

Een land als Indonesië is een voorbeeld van waarom technologie- en kennisoverdracht zo belangrijk zijn. Dit land exporteert klimaatverandering: het verkoopt fossiele brandstoffen, het is na Australië de grootste kolenexporteur en er is veel ontbossing voor de winning van palmolie. Ze hebben die inkomsten nodig omdat ze een groeiende consumentenmarkt hebben en ze alles moeten importeren, er wordt bijna niks in het land zelf gemaakt. Je kunt dat doorbreken door lokaal een duurzame economie op te bouwen. Maar daarvoor moet je goed opgeleide mensen hebben. En het onderwijs is zo beperkt en ondermaats dat Indonesiërs nauwelijks eigen maakbedrijven starten. Rijke landen moeten daarbij helpen, dat is een solidariteits- en een rechtvaardigheidsvraagstuk waar de PvdA volledig achter moet gaan staan.

Je bent Fellow (gastonderzoeker) bij de Wiardi Beckman Stichting en was van 2012-2017 lid van de kompasgroep die het Van Waarde project ondersteunde. Duurzaamheid was daarin ondergebracht bij bestaanszekerheid, niet als een aparte waarde. Hoe kijk je aan tegen het huidige klimaatbeleid van de PvdA?
Eurocommissaris Frans Timmermans werkt aan een klimaatplan voor de Europese Unie met als doel om als Europa in 2050 het eerst klimaatneutrale continent te zijn, maar op een sociaaldemocratische manier. Dat vind ik fantastisch. Timmermans heeft met zijn familie in Limburg de mijnsluitingen meegemaakt en ervaren dat een omslag mogelijk is, maar ook hoe moeilijk het kan zijn. Door die ervaring begrijpt hij wat mensen die betrokken zijn bij zo’n transitie meemaken. De EU wil Polen financiële ondersteuning geven bij het afbouwen van de kolenindustrie daar en het opvangen van de negatieve sociale en economische gevolgen daarvan in lokale gemeenschappen. Dat is niet alleen goed, maar ook nodig. Ook Polen moet op zijn eigen voorwaarden mee worden genomen in de klimaattransitie.

Ik ben lid van de PvdA, niet van GroenLinks. De PvdA begint meer bij alle mensen. Ik chargeer, maar GroenLinks wil het liefst van iedereen GroenLinksers maken. De PvdA laat mensen meer in hun waarde en beschouwt mensen, in al hun diversiteit, als noodzakelijk element van een verandering die we samen ingaan. In het begin van het Van Waarde project is duurzaamheid een beetje vergeten. En als ik eerlijk ben, lukte het niet heel goed om het een volwaardige plek te geven. Maar bij iedere bijeenkomst met PvdA-leden werd door een deelnemer wel de opmerking gemaakt dat duurzaamheid toch ook ‘Van Waarde’ is.

In interviews in de Volkskrant en het NRC wordt er steeds verslag gedaan van je privéleven. Je leven op een woonboot met je Amerikaanse echtgenoot en dochter vormen een belangrijk onderdeel van deze artikelen. Hoe ervaar je die belangstelling?
Het voelt oncomfortabel. Ik vind mezelf helemaal niet zo interessant. NRC trok me over de streep met het argument dat een interview over een wetenschapper, en dus niet alleen over het IPCC-rapport, door veel meer mensen wordt gelezen. Dat gold nog sterker voor een toegankelijker medium zoals het Volkskrant Magazine. Ik krijg vaak de vraag wat ik zelf doe om de klimaatcrisis te lijf te gaan. Ik heb altijd gemengde gevoelens over die vraag. Ik begrijp hem – ik moet zelf ook geloofwaardig zijn. En persoonlijk gedrag is belangrijk, iedere ton CO2, iedere actie, ieder jaar dat die actie eerder gebeurt, betekent dat we die CO2 later niet uit de lucht hoeven te halen. Dus: doe het, het helpt! Maar zeker net zo belangrijk is dat de systemen waarin we ons bewegen – het energiesysteem, ons consumptiepatroon, ons grondgebruik – veranderen. Dat kunnen individuen niet alleen. Die stappen moeten van de overheid komen en in iets mindere mate van grote bedrijven.

Over de opwarming van de aarde en de gevolgen van temperatuurstijging:

De aarde is sinds de industriële revolutie al met 1°C opgewarmd, volgens het weerinstituut KNMI ‘bij benadering geheel door toedoen van de mens’. In Nederland is het in die tijdspanne 1,7°C warmer geworden. Vooral de laatste decennia gaat het hard. En de stijging gaat door, zelfs als de CO2-uitstoot drastisch vermindert.
Als de landenplannen in het Parijsakkoord worden uitgevoerd, zou het aan het eind van deze eeuw rond de 3 graden warmer zijn, aldus het IPCC. De temperatuurstijging kan nog tot 1.5°C beperkt worden, maar dan moet er wel heel snel heel veel gaan veranderen.

Bij 2°C stijging: vrijwel alle warmwaterkoraal weg. Bij 1.5°C nog 10-30% over.
Bij 2°C: 10 cm meer zeespiegelstijging dan bij 1.5°C in 2100 (op ruwweg een meter), op de langere termijn meer.
Keerpunt irreversibel afsmelten landijs ergens tussen 1.5 en iets boven de 2°C. Bij afsmelten landijs wordt de zeespiegelstijging in 2100 al veel hoger.
In 2050 lopen honderden miljoenen mensen meer risico’s op armoede bij 2°C dan bij 1.5°C, vooral door extreem weer.
Hoe hoger de temperatuurstijging, des te ernstiger de gevolgen.

De lege stoel van de politiek

i 3 maart 2020 door

Op 21 februari sprak Marjan Minnesma, directeur van stichting Urgenda, in De Rode Hoed de tweede Banning Lezing uit. Nadat Lodewijk Asscher in de eerste Banning Lezing twee jaar geleden iets liet zien van een nieuw sociaaldemocratisch verhaal na de enorme dreun die de PvdA te verwerken kreeg bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017, toonde Minnesma in haar lezing wat in dat verhaal nog ontbrak. Want hoe bevlogen en innemend haar presentatie ook was, er werden harde waarheden gesproken. Over de schier onmogelijke opdracht die we te vervullen hebben, over de al te geringe neiging echt in actie te komen en over het collectieve falen van de politiek. Noch de sociaaldemocratie, noch de Partij van de Arbeid uitgezonderd.

In een goedgevulde Rode Hoed was de opening van de avond aan de vier genomineerden die een essay schreven over sociaaldemocratie en klimaatpolitiek. Een opvallende constante in de essays was dat alle auteurs het er wel over eens leken dat de sociaaldemocratische traditie eigenlijk alles in handen heeft om een helder en stevig standpunt te formuleren waar het gaat om klimaatverandering. Toch leek geen van de vier essayisten er echt gerust op, meermaals werd de sociaaldemocratie in het algemeen en de PvdA in het bijzonder aangespoord kleur te bekennen. Minnesma leek dat wel met hen eens. Wat terloops verhaalde zij over een moment dat ze werd gevraagd mee te werken aan het PvdA-verkiezingsprogramma. Ongebonden, want omwille van de onafhankelijkheid lid van geen enkele politieke partij, maar wel altijd bereid tot advies ging ze op de uitnodiging in. Om vervolgens vast te stellen dat het in de programmacommissie soms een paar minuten over duurzaamheid ging, maar dan altijd al snel weer over iets anders. Alsof er, zo leek het, toch altijd net weer een aantal belangrijker kwesties aan de orde waren.

Het verhaal toverde een glimlach op het gezicht van veel bezoekers. Van herkenning wellicht, of omdat Minnesma haar verhaal zoals gezegd bracht met een aanstekelijk optimisme. Terwijl de boodschap eigenlijk onvoorstelbaar was. Beknopt samengevat was het verhaal dat we al betrekkelijk lang met grote mate van zekerheid weten dat de uitstoot van broeikasgassen zorgt voor opwarming van de aarde. De gevolgen daarvan – ook in het interview met Heleen de Coninck in dit tijdschrift wordt dat andermaal helder – zijn in potentie even onvermijdelijk als desastreus. Zo is bij een opwarming van twee graden of meer al het koraal in de wereldzeeën ten dode opgeschreven. En wordt het gebied rond de Sahara, waar nu grofweg tweehonderd miljoen mensen wonen – onleefbaar. En wie denkt dat dergelijke ontwikkelingen vooral anderen raken heeft het mis. Waar het rapport van de Commissie Veerman – die moest rapporteren over de toekomstbestendigheid van de Nederlandse duinen en dijken – in 2008 nog rekende met een zeespiegelstijging die door velen voor onmogelijk gehouden werd, lijkt dat nu een paar jaar later een betrekkelijk reële inschatting. Zo hard gaat het dus: wat in 2008 nog op zwartkijken leek is nu reëel. Voor een land dat voor een behoorlijk deel onder zeeniveau ligt is dat een gevaarlijke ontwikkeling: de situatie wordt steeds zorgelijker. Tezelfdertijd schrikken we er steeds minder van, de eerste komische toespelingen op Arnhem aan Zee waren inmiddels te horen.

Het verschil tussen een opwarming van maximaal anderhalve graad, het streven dat in het Klimaatakkoord van Parijs werd afgesproken, en de opwarming met twee graden lijkt klein maar is dat allerminst. Het valt echter in het niet bij de daadwerkelijke ontwikkelingen. Als we doorgaan op ingezette wegen, waarlangs de eerste effectieve slachtoffers van de opwarming van de aarde her en der al zichtbaar worden, dan warmt de aarde deze eeuw geen twee graden op, maar drie. Of meer. En dat, zo werd mooi impliciet duidelijk, kent gevolgen die we niet kunnen overzien. En misschien ook wel niet kunnen overleven.

De vraag waarom we dan zo weinig doen is een vraag die we maar moeilijk van een antwoord kunnen voorzien. Toen stichting Urgenda in 2012 constateerde dat vijf jaar positieve aandacht voor het klimaat in combinatie met tal van projecten en plannen bij lange na niet voldoende resultaat genereerde, werd duidelijk dat echte vooruitgang van de overheid zou moeten komen. De afspraken die ook toen al gemaakt werden over het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen teneinde de snelle opwarming van de planeet af te remmen moesten worden nagekomen. Maar dat gebeurde niet. En nog altijd niet. Inmiddels staat Nederland – de voortdurende blijmoedige opmerkingen van minister-president Rutte dat we zo veel doen en derhalve moeten oppassen niet te ver voor de troepen uit te lopen ten spijt – stijf onderaan waar het gaat om de opwekking van duurzame energie.

Dan spreken over ‘het groenste kabinet ooit’ is een gotspe. Maar voordat we ons handenwringend verkneukelen over het gegeven dat inmiddels tachtig procent van de Nederlanders zich zorgen maakt over klimaatverandering en de kiezersaanhang van de coalitiepartijen gezien de weigerachtigheid hier serieus werk van te maken derhalve nog sneller zal verdwijnen dan het poolijs, is het verstandig de vraag te stellen wat we daar, als sociaaldemocratische beweging, eigenlijk tegenover stellen. Naar de combinatie van de op feiten en onderzoek gebaseerde redelijkheid en de door inzicht in urgentie ingegeven overtuigingskracht van Minnesma is het, ook op links, lang zoeken. Ernstiger dan het bagatelliseren van de problemen door de huidige regering, zelfs ernstiger dan het eenvoudigweg ontkennen van de problemen door sommige anderen, is het totale falen van de politiek als geheel om dit probleem op een fatsoenlijke wijze echt op de agenda te krijgen en te houden. Naar het oordeel van Minnesma is er een nieuwe politiek nodig, een combinatie van John F. Kennedy met zijn pleidooi om de mensheid binnen tien jaar op de maan te krijgen en Franklin D. Roosevelt met zijn overtuiging dat de Verenigde Staten de luchtmacht kon bouwen die de Tweede Wereldoorlog zou winnen. Ondanks de van de laatste geleende terminologie van de New Deal zijn we van hun visie en overtuigingskracht nog ver weg.

Juist dit falen van de politiek als geheel bracht Urgenda tot een gang naar de rechter en dat is begrijpelijk. In een rechtsstaat is het burgers die zich niet beschermd weten door de eigen overheid immers mogelijk zich tot de rechter te wenden teneinde diezelfde overheid op haar nalatigheid aan te spreken. Precies dat was wat Urgenda met haar zaak betoogde: de Nederlandse staat faalt in haar primaire taak, het beschermen van leven en goed van zijn inwoners. En precies dat is wat de rechter telkens weer bevestigde: de opwarming van de aarde betekent een gevaarzetting voor burgers waarvan de Staat niet mag wegkijken. Het niet nakomen van afspraken, het niet halen van gestelde doelen, het niet concretiseren van voorgenomen maatregelen. Het is niet acceptabel.

In het debat dat volgde op het arrest van de Hoge Raad in de zaak is veelvuldig opgemerkt dat de rechter hier op de stoel van de politiek is gaan zitten. Minnesma wist in haar lezing helder uit te leggen dat dit laatste niet het geval was. De rechter deed wat hij in de rechtsstaat behoord te doen: het beschermen van burgers tegen een (in dit geval) nalatige overheid. In een even beknopt als helder opiniestuk in NRC Handelsblad (16 januari 2020) bevestigden de juristen Tim Bleeker, Kees van den Bos en Rianka Rijnhout juist die redenering. Noch de rechtsgang door Urgenda, noch de bij herhaling tot aan de Hoge Raad bevestigde uitspraak, was buiten de orde van de rechtsstaat. Het was juist de essentie ervan.

Toch blijft er een wat wrange nasmaak over. En ook Minnesma lijkt het juridisch succes niet echt te willen vieren. Want waarom moet de Staat der Nederlanden langs juridische weg gedwongen worden zich te houden aan langs democratische weg tot stand gekomen afspraken? Waarom lukt het ‘de politiek’, op wiens stoel de rechter dan zou hebben plaatsgenomen, niet om zelfstandig dat te doen wat nodig is om voornemens en afspraken ook om te zetten in beleid en vervolgens de stapsgewijze uitvoering daarvan? Nu de politiek haar eigen zetel stelselmatig leeg laat, haar verantwoordelijkheid ontloopt, is het aan anderen om de overheid, wiens primaire taak toch gelegen is bij de bescherming van zijn inwoners, bij de les te houden. Dat is niet leuk, en misschien ook wel niet wenselijk, maar wel noodzaak. Helaas.

Op de vraag waarom die stoel van de politiek in dit debat zo angstvallig leeg is gebleven, zeker in Nederland, ging Minnesma in haar lezing niet echt in. Tijdens het interview dat ik met Wouter Bos had tijdens de afsluitende bijeenkomst van de Banning Leergang afgelopen jaar hintte Bos op een verklaring. Het vraagstuk van klimaatverandering sneed dusdanig door de bestaande politieke verhoudingen en achterbannen heen, dat het schier ondoenlijk is voor bestaande partijen om zich er een eenduidige opvatting over te vormen. En hoe cynisch sommigen ook zijn over de relatie tussen de ideeën van partijen en het handelen van de regering, zonder die ideeën gebeurt er niets. Of in ieder geval veel te weinig.

De campagne van Frans Timmermans, waarin klimaatverandering en klimaatpolitiek eigenlijk voor de eerste keer tot de essentie van de politieke boodschap werden gemaakt, laat zien wat er kan gebeuren als politici besluiten de centrale opdracht van de hedendaagse politiek wel serieus te nemen. Niet alleen sloeg de campagne aan, natuurlijk mede omdat Timmermans veruit de meest bekende lijsttrekker was en hij als voorman van de Europese sociaaldemocraten meer uitstraling had en aandacht kreeg, maar toch ook omdat Timmermans consequent en bij herhaling het verband tussen klimaatpolitiek en sociale rechtvaardigheid naar voren bracht. Precies die onderwerpen die op het moment om een wenkend politiek perspectief vragen. En precies die onderwerpen waar de sociaaldemocratie zich kan onderscheiden.

In zijn recente boek werkt Thomas Piketty de gedachte uit dat het heel moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn grote problemen van de wereld, om te beginnen klimaatverandering en migratie, op te lossen wanneer er niet gelijktijdig wordt gewerkt aan het terugdringen van de groeiende ongelijkheid en het vergroten van de sociale rechtvaardigheid. Die gedachte is de basis voor een sociaaldemocratische klimaatpolitiek. Maar dat kan geen rechtvaardiging zijn voor het wachten met het remmen van de opwarming van de aarde totdat ongelijkheid tot een acceptabel niveau is teruggebracht. Daarvoor ontbreekt, zo liet Minnesma overtuigend zien, simpelweg de tijd.

Toch is dat hetgeen wat nu wel een beetje aan de orde lijkt te zijn, met de Europese ambitie van Timmermans als hoopgevende uitzondering. Ook Nederlandse sociaaldemocraten dienen zich te realiseren dat er geen hoop is op een betere wereld als we niet in staat zijn een klimaatpolitiek te formuleren die zowel verbindend als effectief weet te zijn. Het formuleren van die politiek staat nog in de kinderschoenen, maar moet die snel ontgroeien. De handvatten en aanknopingspunten zijn er, de overtuigingskracht ook. Dat werd 21 februari in De Rode Hoed wel zichtbaar. Het is de hoogste tijd om aan het werk te gaan.

Fotografie: Paul te Stroete