AFSCHEID VAN EEN LINKS-RELIGIEUZE POWERVROUW

i 26 november 2019 door

IN MEMORIAM MIJNKE BOSMAN-HUIZINGA (1944-2019)

Op 22 november 2019 overleed na een kort ziekbed Mijnke Bosman-Huizinga op de leeftijd van 75 jaar. Mijnke Bosman was gedurende de periode 2007 – 2015 voorzitter van de Banningvereniging. Daarnaast was zij lid van Trefpunt, lid van de redactie van Tijd & Taak en in een eerdere periode medewerker publiciteit en organisatie van de AG der Woodbrokers (1984-1986). Onder haar voorzitterschap werd de naam van de vereniging van Zingeving.net gewijzigd in Banningvereniging. Tevens vond toen de verkoop plaats van de Rode Hoed. Het zijn twee besluiten geweest die voor de vereniging goed hebben uitgepakt. Voor de PvdA zat Mijnke in de gemeenteraden van Putten en Oegstgeest. Aan het eind van haar carrière was zij lid en fractiesecretaris van de PvdA-fractie in de Staten van Gelderland. Zij maakte zich er sterk voor cultuur. Tevens was ze lid van de redactie van Lokaal Bestuur.

Mijnke Bosman-Huizinga

Mijnke Bosman-Huizinga.

Mijnke Bosman was remonstrants predikant. Velen kenden haar vanuit het werk als algemeen secretaris van de Remonstrantse Broederschap, een functie die zij ruim 18 jaar vervulde (1989-2007). In die functie kon ze haar betrokkenheid bij maatschappelijke vragen uitstekend kwijt. Vanuit die functie verrichtte ze veel werk voor de Raad van Kerken in Nederland, onder andere als vicevoorzitter (1998-2003). Een aantal Nationale Kerkendagen werd mede door haar bezielende organisatorische talent een succes. ‘Al doende geloven’ (de titel van het boekje dat haar bij haar afscheid als algemeen secretaris werd aangeboden) was ook haar levensmotto. Haar tomeloze energie en enorme betrokkenheid bij geloof, mens en maatschappij vervult velen nog steeds met respect en dankbaarheid. ‘Zij die geloven haasten niet’, maar Mijnke had altijd haast. Als het onderwerp van het telefoongesprek klaar was gooide ze subiet met een ‘hoi’ de hoorn op de haak. Het volgende gesprek, de volgende taak wachtte al weer.

Vele jaren stond Mijnkes portret in Tijd & Taak. Luisterend, maar tegelijk wilskrachtig. Van het afscheidsportret dat Naomi Woltring, ambtelijk secretaris in haar voorzittersperiode, van haar schreef luidde de titel: ‘Portret van een links-religieuze powervrouw.’ Voor wie Mijnke Bosman gekend heeft een zeer herkenbare typering. Mijnke was doelgericht en wist wat ze wilde, maar tegelijk kon ze heel ruimhartig oppakken wat haar hand onderweg te doen vond. Zoals ze zelf zei: ‘het leven hangt van toevalligheden aan elkaar.’ Zo zette ze zich zeer in voor mensen die het moeilijk hadden, bijvoorbeeld gedurende vele jaren in de Rotterdamse Pauluskerk.

Mijne Bosman had een vaardige hand van schrijven. Vele jaren schreef ze columns, ook in Tijd & Taak. In haar laatste column als voorzitter van de Banningvereniging, oktober 2015, reflecteerde ze op de voor Tijd & Taak zo typerende regels uit Psalm 24, ‘Aan God behoort de aarde en haar volheid’. Ze heeft begrip voor het feit dat deze psalmwoorden in een tijd van secularisatie niet langer de voorkant van Tijd & Taak sieren. Maar ze vindt het ook jammer omdat deze psalmwoorden iedereen wat te zeggen hebben, gelovig of niet. In de psalm wordt de mens op een goede wijze op zijn plaats gezet. Belangrijk en bescheiden tegelijk. ‘De aarde en haar volheid mogen worden bewoond en gebruikt, maar niemand kan claimen dat de aarde van hem of haar is.’ De column spitst dit vervolgens toe op het vluchtelingenvraagstuk. Nederland is niet alleen van de Nederlanders. Wie het recht heeft hier binnen te komen mag volledig meedoen ‘in de samenleving van het stukje aarde dat wij mogen bewonen en gebruiken’.

Het is en blijft een voor Mijnke Bosman typerende column: bewogen, veelzijdig, betrokken, een doener met het hart op de goede plek.

Ook als Banningvereniging zijn we haar veel dank verschuldigd. We zullen haar missen. Onze gedachten gaan uit naar de nabestaanden.

Banning Prijs 2020: Het sociaaldemocratisch menu 2040

i 3 juli 2019 door

Klimaatcrisis. Biodiversiteit. Opwarming van de aarde. In het politieke debat over de toekomst van onze planeet gaat het vaak om grote begrippen. En dat is ook logisch, maar heel soms zou je verlangen naar een meer concreet vergezicht. Hoe verwarmen we ons huis in 2040? Hoe komen we van A naar B? En wat zetten we dat jaar op tafel?

Tegelijkertijd is er twijfel. Twijfel of we wel verworvenheden willen offeren op het altaar van het klimaatevangelie. Minder vliegen, geen vlees, minder met de auto? En hoe komen we daar? Inzetten op technologische vooruitgang? Stimuleren of dwingen, ontmoedigen of verbieden? Wat verwachten we van de overheid en wat moeten we zelf doen? En is dit eigenlijk een debat voor politici die wetten maken, juristen die de overheid dwingen zich aan die wetten te houden of juist een moreel vraagstuk voor ons allen? Want wie wil er nu geen leefbare planneet achterlaten voor kinderen en kleinkinderen?

Het debat over duurzaamheid is zowel ingewikkeld als versplinterd. Ingewikkeld omdat het gaat over grote begrippen en soms verstrekkende consequenties. Versplinterd omdat het zelden duidelijk is wat precies de gevolgen zijn. Omdat we nu eenmaal niet in de toekomst kunnen kijken. Maar is dat een reden om maar op de handen te gaan zitten? Of moeten we juist een tandje bij zetten.

Wat zijn de concrete gevolgen van de enorme veranderingen waar we voor staan? Hoe overtuigen we mensen dat zij hun levenswijze moeten aanpassen, of is dat helemaal niet nodig? En waar zou activisme voor een schone, leefbare toekomst zich op moeten richten? De politiek, of heeft dat geen zin en is een gang naar de rechter effectiever? Wij zijn op zoek naar het sociaaldemocratisch menu van 2040. En naar de weg er naartoe. Schrijf er voor 21 december 2019 een compact en prikkelend essay over. Werk toe naar een puntige conclusie, verbindt concrete inzichten met verrassende vergezichten en onderbouw je betoog met stevige feiten, heldere argumenten en levendige voorbeelden in een originele stijl.

Prijzen en uitreiking

De winnaar van de Banning Prijs 2020 ontvangt 1000 euro. De overige drie genomineerden ontvangen elk 250 euro. De vier genomineerde essays worden gebundeld in een boekje. Het winnende essay komt bovendien in aanmerking voor publicatie in Socialisme & Democratie. De Banning Prijs 2020 wordt op 21 februari uitgereikt, voorafgaand aan de Banning Lezing door Marjan Minnesma (Urgenda). Alle inzenders zijn van harte uitgenodigd uitreiking en lezing als gast bij te wonen. Bovendien ontvangen ze allemaal een reactie op hun essay en krijgen ze een jaarlidmaatschap van de Banning Vereniging cadeau.

Deelname
Mail je essay van maximaal 2000 woorden uiterlijk 21 december 2019 voor 21.00u als word-bestand naar info@banningvereniging.nl. Vermeld je naam, geboortedatum, adres, telefoon-nummer en studierichting of beroep. Inzenders zijn niet ouder dan 35 jaar. Ontvangst van inzending wordt altijd bevestigd.

Jury

Diederik Samsom (voorzitter)
Annemarieke Nierop (Wiardi Beckman Stichting)
Mariska Heijs (Banning Vereniging)
Matthijs Nijboer (Vereniging Woodbrookers Barchem)
Twan van Lieshout (winnaar Banning Prijs 2018)
Maarten van den Bos (ambtelijk secretaris Banning Vereniging)

Over de Banning Prijs

De Banning Prijs is een politieke essayprijs voor mensen tot en met 35 jaar. De Banning Vereniging wil middels de prijs het denken over waarden en democratie stimuleren. Onder voormalig winnaars van de prijs zijn Dick Pels, Pieter Hilhorst en Wimar Bolhuis. De prijs wordt om het jaar uitgereikt, vanaf 2018 in combinatie met het uitspreken van een Banning Lezing.

DE CONSERVATIEVE REVOLTE

i 5 juni 2019 door en

Merijn Oudenampsen (1979, Amsterdam) is socioloog en politicoloog. Hij is als postdoc verbonden aan de UvA, waar hij onderzoek doet naar de politieke geschiedenis van het neoliberalisme in Nederland. Voor zijn promotieonderzoek bij de Universiteit van Tilburg, bracht hij het gedachtegoed achter de Fortuyn-revolte in kaart. In het najaar van 2018 verscheen De conservatieve revolte, de Nederlandse handelseditie van zijn proefschrift, bij uitgeverij VanTilt. De doorbraak van het rechtspopulisme is in Nederland overwegend beschreven als een opstand van de onderbuik. De conservatieve revolte verkent de opstand in de bovenkamer. Het is genomineerd als beste filosofieboek van 2018 en beste boek van 2018 door de NRC boekenredactie. Oudenampsen schrijft regelmatig essays en analyses voor de Groene Amsterdammer, Krisis, de Gids, de Helling en Socialisme en Democratie.

De omslag van je boek bevat een schilderij van Bolkestein dat in het bezit is van de Tweede Kamerfractie van de VVD. Waarom koos je voor dit beeld?
Ik zie Bolkestein als belangrijkste grondlegger van de conservatieve revolte in Nederland. In de jaren negentig was hij een politiek figuur met aanzien. Bolkestein profileerde zich nadrukkelijk in het publieke debat en introduceerde allerlei internationale nieuwrechtse denkers die hier weinig gelezen werden. Er ontstond een groep om hem heen, veelal verbonden aan de Leidse universiteit, die uiteindelijk zeer invloedrijk werd in het publieke debat. Doordat ik het schilderij gebruikte als omslag voor mijn proefschrift merkte ik dat het beeld veel reacties opriep, daarom past het bij mijn boek.

Wat wil je met de titel De conservatieve revolte zeggen?
Het boek gaat over de Fortuynrevolte. Ik laat zien welke ideeën inwerken op Fortuyn, welke ideeën hij kopieert, in welke stroming van het denken hij stond. Daarbij speelt conservatisme een belangrijke rol. In Nederland associëren we conservatisme vaak met prudentie, gematigdheid; met het midden aanhouden. Het Anglo-Amerikaanse conservatisme van Thatcher en Reagan is echter veel activistischer en radicaler van karakter. Dat is een inspiratie geweest voor een vergelijkbare vorm van conservatieve politiek in Nederland.

Daarvoor had je Janmaat die met één been in de extreemrechtse traditie stond. Hij had antisemitische mensen in zijn partij, mensen die veroordeeld waren voor geweldsdelicten. Janmaat was onderdeel van een periode waarin zorgen over migratie en buitenlanders met extreemrechts werden geassocieerd en daardoor niet bespreekbaar waren in het politieke domein. Zowel Bolkestein als Fortuyn richtte zich op immigratie, maar zij gebruikten daarbij een nieuw politiek discours en namen afstand van het oude extreemrechtse denken. Daardoor is het anti-immigratie discours van kleur veranderd en acceptabel geworden.

Als je kijkt naar het huidige opinie- en internetklimaat dan zie je daarin veel denkbeelden terug die overeenkomen met wat Fortuyn en Bolkestein al vanaf begin jaren negentig zeiden: er is een linkse elite van cultuurrelativisten aan de macht, er is een botsing der beschavingen gaande tussen het westen en de islam, de jaren zestig en zeventig hebben geleid tot decadentie en verwaarlozing van de nationale identiteit. Mijn boek legt er de nadruk op dat ideeënpolitiek belangrijk is geweest en dat het niet simpelweg een opstand van de onderbuik was, maar ook van de bovenkamer. Hoe mensen denken over maatschappelijke thema’s, is afhankelijk van de frames die hen worden aangereikt door politiek en media. Martin Bosma van de PVV schrijft bijvoorbeeld dat de PVV een partij is die niet alleen electoraal wil scoren maar bovenal geïnteresseerd is in het verspreiden van de eigen boodschap. Bosma beschrijft hoe hij in verschillende dorpen en steden in Nederland met mensen spreekt en naar zijn tevredenheid ontdekt dat de boodschap van de PVV daar geland is. Noties zoals dat de sharia dreigt te wordt ingevoerd en dat links in een complot zit met de islam. Vaak is het minder extreem, maar op die manier kunnen ideeën een vormende invloed hebben. Middenpartijen zoals de PvdA zijn veel minder bezig met het uitventen van hun wereldbeeld. De PvdA heeft in de jaren negentig een technocratische slag gemaakt. Het ging daarbij veel meer om hoe je bestuurt op een efficiënte manier dan om hoe je mensen overtuigt van jouw ideeën.

In je boek stel je dat het de taak van de wetenschapper is om de praktische overtuigingen te herleiden tot een ideologisch wereldbeeld. Wat bedoel je daarmee?
Het is een referentie aan een beroemde lezing van de socioloog Max Weber. Hij stelde daarin dat het de taak van de sociale wetenschap is om aan mensen duidelijk te maken hoe praktische standpunten zich verhouden tot een wereldbeeld of ideologie. Grof gesteld, als je pleit voor een minimale staat, ben je dan een anarchist, een liberaal of een conservatief? Hij zag het als de taak van de sociologie om daarin duidelijkheid te scheppen, zodat mensen zich rekenschap konden geven van de zin van het eigen handelen. In mijn boek probeer ik op eenzelfde wijze te reconstrueren wat de verschillende ideologische posities zijn in het Nederlandse debat ten tijde van de Fortuyn-revolte. Alleen is niet iedereen daar even enthousiast over. Als je mensen een bepaald label geeft zoals bijvoorbeeld conservatief, dan nemen ze je dat niet in dank af. Hans Achterhuis schreef in de Volkskrant in een recensie over mijn boek dat hij dat labelen irritante etikettenplakkerij vindt. Voor een wetenschapper is etikettenplakkerij echter een heel basaal uitgangspunt, dat heet taxonomie.
Maar in Nederland zijn mensen daar niet zo op gesteld, omdat in ons bestel de middenpositie in het debat de ultieme machtspositie is. In Nederland gaat het erom de eigen ideeën dominant te maken door te doen alsof het nuchter realisme is. Zo zei Bolkestein dat hij een realist was.

Dit heeft alles te maken met de Nederlandse coalitiepolitiek. Als je als VVD-er een bezuiniging wil doorvoeren op sociale huisvesting is het beter om te doen alsof die niet gemotiveerd wordt vanuit een ideologie over een kleinere overheid. Je kunt beter zeggen dat het om puur pragmatische redenen noodzakelijk is, om zo andere partijen mee te krijgen. Dit klassieke Nederlandse schikken en plooien is een enorme prikkel in de politiek, maar ook in het publieke debat, om meer ideologische denkbeelden te verhullen. Dat heeft voordelen maar ook nadelen. Bas Heijne hamert erop dat politici niet meer de taal spreken van waardegedreven politiek. De vraag wat een goede samenleving is raakt steeds meer op de achtergrond.

In het boek baseer jij je op o.a. Hans Daalder en James Kennedy. Wil je dat toelichten?
Hans Daalder, Leids hoogleraar in de Wetenschap der Politiek in de periode 1963-1993, wordt gezien als grondlegger van de Nederlandse politicologie. Hij was in zijn beginperiode een beetje een rebel, ik identificeerde me wel enigszins met hem. Hij leverde in 1964 kritiek op het regenteske karakter van het Nederlandse bestel en werd zo een belangrijke invloed op de progressieve protestbewegingen uit die tijd.

De politiek bestond toen uit de zogenaamde levensbeschouwelijke zuilen: protestanten, katholieken, sociaaldemocraten en liberalen. De elites kwamen bij elkaar in allerlei commissies en besturen en bedisselden daar allerlei zaken onderling in een technocratische taal die onbegrijpelijk was voor het bredere publiek. Hierdoor kreeg de politiek een sterk elitair karakter. Daalders kritiek op de regentencultuur komt steeds weer terug. Het is eveneens een belangrijke inspiratie voor Fortuyn geweest, die zich in de jaren negentig tegen de regenten keerde.

Het werk van James Kennedy, hoogleraar Moderne Nederlandse geschiedenis, heb ik als een opstapje gebruikt voor mijn eigen analyse. Ik bouw voort op zijn theorie die zegt dat in de jaren zestig en zeventig een progressieve wende plaats kon vinden omdat de traditionele elites mee-veerden met de progressieve beweging. Ik stel dat het omgekeerde gebeurt in de jaren negentig. Toen vond een conservatieve wende plaats die ook werd opgevangen door de mee-verende elites.

In de Paradisolezing van Joop den Uyl uit 1981 voorzag hij dat de opkomst van de ‘vrije markt ideologie’ van Hayek en Friedman de verzorgingsstaat bedreigde. Dit ging samen met depolitisering, technocratisering en pragmatische maatregelen. Waarom is er met die waarschuwing van Den Uyl niets gedaan binnen de PvdA?
In de jaren zeventig werden de bakens verzet in het economisch beleid. Electoraal was de PvdA toen op een hoogtepunt maar het lukte de partij niet om coalities te smeden met andere partijen want die hadden hun denken inmiddels bijgesteld. Wilde de PvdA nog in beeld blijven als coalitiepartner dan moest ze meegaan in het nieuwe marktgerichte denken. Tegelijkertijd kwam een nieuwe generatie op in de partij die een marktgericht beleid voorstond. Dat waren mensen als Willem Vermeend, Rick van der Ploeg, Dik Wolfson, allemaal economen.

Den Uyl vertegenwoordigde een rijke intellectuele traditie. Hij was sterk geïnspireerd door Galbraith, een Amerikaanse keynesiaanse econoom, die het boek The Affluent Society schreef. Dat boek is nog steeds heel relevant. Hij stelde de vraag wat welvaart werkelijk betekent? Welvaart gaat om kwaliteit van leven, om de kwaliteit van het bestaan en veel minder om economische groei sec. Dat is nu met klimaatverandering en alle problemen die er zijn met stress en burnouts een boodschap die opnieuw relevant is. Een vierdaagse werkweek is een van de meest effectieve maatregelen tegen klimaatverandering. Begin jaren tachtig raakte Den Uyl echter gemarginaliseerd en brak het marktdenken door.

Je publiceert over de sociaaldemocratie. Zo schreef je een hoofdstuk in het boek bij de Van Waarde resolutie. Hoe kijk je aan tegen de discussie in de PvdA hierover?
Ik was in 2013 bij de presentatie van het Van Waarde onderzoek en de bijbehorende resolutie. Monika Sie, toen directeur van de WBS, gaf aan dat het ook een kritiek was op de toenmalige koers van de PvdA. Zij riep de partij op om te laten zien waarin de positie van de PvdA verschilde met die van de VVD. Samsom zei dat de PvdA zich niet ter linkerzijde van het regeerakkoord bevond maar enkel op een ander punt in de tijd. Hij vond dat de PvdA de waardes even in de vrieskast moest zetten ten tijde van de bezuinigingen en als de crisis voorbij was dan kon de PvdA weer haar ideologische veren opschudden. De resolutie werd op dat moment feitelijk door Diederik Samsom onklaar gemaakt.

Je stelt dat de PvdA macro-economisch rechtse politiek voert, maar micro-economisch zich links opstelt. Waarom blijft de PvdA sociaaleconomisch rechts?
De PvdA accepteert de basale premisses van de aanbodeconomie, namelijk dat de markt efficiënter is dan de overheid en dat elke vorm van herverdeling inefficiënt is. Dat accepteer je als basaal gegeven maar om politieke redenen, vanuit de waarde van rechtvaardigheid, wil je bijsturen. Dat bijsturen leidt echter altijd tot verlies van efficiëntie en welvaart. Het is een sociaaldemocratische luxe die je alleen kunt financieren in tijden van overvloed. Dat is een breuk met het keynesiaanse denken. Zo vergeleek Asscher (in een toespraak in De Balie in 2015) keynesiaans beleid met een gokverslaafde vader met grote schulden, die zijn kinderen vakantie belooft. De kinderen, ofwel de kiezer, weten dat de belofte leeg is. Dat is een vrij rechtse manier om naar overheidsinvesteringen te kijken. Ik vind het jammer dat economisch beleid zo weinig onderwerp van debat is in de PvdA.

De laatste tijd zien we gelukkig dat er een andere wind is gaan waaien. Ongelijkheid was lange tijd helemaal geen onderwerp van debat binnen de economie. Thomas Piketty heeft dat op de agenda gezet. Er zijn ook andere onderzoekers die laten zien dat ongelijkheid op lange termijn schadelijk is. Niet alleen voor de economie maar ook voor het vertrouwen in instituties. De analyse is dat die groeiende ongelijkheid mondiaal een belangrijke factor is die de onvrede met de politiek voedt. Dat creëert ruimte voor herverdeling, het garanderen van basisvoorzieningen en het verschaffen van zekerheid. Dat is een belangrijke verschuiving die zeker zijn stempel zal drukken op Nederland.

Nederland is vaak een land dat zich aanpast aan ontwikkelingen in het buitenland. De Verenigde Staten zijn de belangrijkste plek waar over dit soort dingen gedebatteerd wordt. Je ziet dat de Democratische partij, die echt een Derde Weg partij is, een verschuiving naar links aan het maken is. Ik denk dat dit indirect een grote uitwerking zal hebben, net als de verkiezing van Trump een enorme impact had in Nederland.

Wat gebeurde er bij de religieuze partijen?
In Nederland heeft het christelijk-sociale denken een merkwaardige dubbelrol gespeeld. Binnen het christelijke denken was er in de jaren vijftig feitelijk een meer sociale vleugel en een meer neoliberale vleugel. Het laatste kamp was voor een kleinere rol van de overheid, en verdedigde dat met christelijke termen als subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring. In de jaren tachtig zie je dat door het CDA teruggegrepen wordt op het christelijk-sociale denken om het bezuinigingsbeleid van Lubbers te verdedigen. Herman Wijffels speelde hier een belangrijke rol in. Hij stelde begin jaren tachtig dat er behoefte was aan een nieuwe ideologie om marktwerking door te voeren en stelde dat het christelijk-sociale denken hiertoe heruitgevonden kon worden. Het gaat feitelijk om een neoliberaal gemeenschapsdenken, het afbouwen van de verzorgingsstaat zou leiden tot hernieuwde gemeenschapszin en verantwoordelijkheidsgevoel. De intellectuele wortels van de huidige participatiesamenleving gaan terug tot die tijd.

Waar zie je linkse politiek? Wie weet zich te ontworstelen aan het vrije markt denken? Bij de presentatie van je boek bood je dat GroenLinks wethouder Rutger Groot Wassink aan. Waarom aan hem?
Eerder vroeg ik Femke Halsema omdat zij mijn boek vrij uitgebreid aanhaalde in haar essay voor de maand van de filosofie in 2018. Ze kon niet en toen heb ik Rutger Groot Wassink gevraagd. Hij is van een nieuwe generatie politici die niet bang is om stelling te nemen en waardegerichte politiek ambieert en bedrijft. Daar ontbreekt het veelal aan op links.

Ik ben niet echt een partijdier maar ik identificeer me met de linkervleugels van de linkse partijen. Ik ben net lid geworden van Groen Links omdat ik denk dat klimaatverandering hét thema gaat worden van de komende decennia. Ik krijg binnenkort een kind. En ik vind het schokkend dat er in tamelijk kort tijdsbestek een vrij breed gedragen beweging van klimaatsceptici is opgekomen. De Telegraaf speelt daarin een belangrijke rol. Nederland is hekkensluiter op klimaatbeleid in Europa terwijl wij heel kwetsbaar zijn voor zeespiegelstijging. De vraag is hoe de kosten van de energietransitie verdeeld gaan worden. Je zou daar een links beleid op moeten voeren. De overheid moet een veel belangrijker rol spelen dan zij nu doet. In feite zegt de overheid nu: “Beslist u maar maatschappelijk middenveld, gaat u maar aan de klimaattafel zitten. Wij kijken toe wat u opschrijft en zullen dan iets gaan doen.” Als je een fundamentele verandering wil, moet je dat met hardere hand afdwingen.

Je werkt nu aan een onderzoek naar neoliberalisme. Wat houdt dat in?
In opdracht van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek doen Bram Mellink, Naomi Woltering en ikzelf onderzoek naar de politieke geschiedenis van het neoliberalisme in Nederland van 1945 tot 2002. In 2021 geven we een boek over dit onderwerp uit. Daarvoor zullen we regelmatig onze bevindingen publiceren.

Foto Merijn Oudenampsen: Steven Ligthert

NEDERLAND MIJN VADERLAND

i 5 juni 2019 door en

Zihni Özdil groeide op in een volkswijk in Rotterdam-Zuid. Zijn vader was fabrieksarbeider. In de avonduren volgde deze naast zijn werk een Hbo-lerarenopleiding. Zijn moeder was huisvrouw. Thuis hadden ze het niet breed, maar van zijn ouders leerde Özdil dat optimisme en hard werken vooruitgang brengen. Hij ging naar het gymnasium en studeerde daarna geschiedenis. Aan de Erasmus Universiteit en de Universiteit van Amsterdam doceerde hij over economische ongelijkheid en burgerschap. Ook was hij bestuurslid bij de vakbond voor journalisten. Als voormalig NRC-columnist en publicist staat Zihni Özdil bekend als vrijdenker die heersende normen ter discussie stelt. Zijn boek Nederland mijn vaderland verscheen in 2015. Sinds de verkiezingen van 18 maart 2017 maakt hij deel uit van de Tweede Kamerfractie van GroenLinks.

Je hebt met je boek Nederland, mijn vaderland veel aandacht gekregen in de media. In je boek heb je het over het debat als oplossing voor segregatie. Hoe zie je dat?
Het gaat me erom dat als je een buurvrouw met hoofddoek eng vindt, je dan bij haar op de koffie moet gaan en het gesprek met haar moet voeren. Met mijn boek wil ik kennis verspreiden over de geschiedenis van Nederland. Mensen met diepe wortels in Nederland, bijvoorbeeld katholieken, werden tot de zestiger jaren als tweederangs burgers gezien. Lange tijd was in de politiek, het onderwijs en de literatuur antipapisme, antisemitisme en racisme de norm. Ik heb willen aantonen dat segregatie niet nieuw is. Het debat over segregatie heb ik van een historische context willen voorzien.

Van NRC-columnist en docent aan de UvA en de Erasmus universiteit ben je Tweede Kamerlid voor GroenLinks geworden. Hoe bevalt je dat?
Ik ging de politiek in omdat omdat Jesse Klaver de Franse econoom Thomas Pikkety naar Nederland haalde en GroenLinks een antwoord op het dominante rechtse politieke discours formuleerde. Dat deed bij mij hoop, optimisme en ambitie ontbranden. Maar het is geen makkelijk werk. Als Tweede Kamerlid, meer nog dan als columnist, lig je onder de microscoop van de media. Alles wat ik nu tegen jullie zeg, zeg ik niet alleen namens mijzelf maar ook namens GroenLinks. Ik moet mijn woorden goed afwegen. Wat mij verraste als beginner in de politiek, dat bijvoorbeeld iemand als Rutte, die zich in de discussie over de dividendbelasting eruit kletst, een “goed” debater wordt genoemd.

Voor mij veranderde mijn leven in februari 2018 op de avond van de stemming in de Tweede Kamer over de erkenning van de genocide in Armenië. Kamerlid Kuzu van Denk gaf toen op het Binnenhof een interview aan de Turkse pro-Erdogan zender Ahaber. Hij zei daarin letterlijk dat Nederlandse politici van Turkse afkomst, die de Armeense genocide erkenden, tot de orde moesten worden geroepen. Samen met vier andere Tweede Kamerleden met een Turkse achtergrond was ik een maand lang onderwerp van een etnische hetze, van etnische profilering. De Turkse versie van de Telegraaf, met 80 miljoen lezers in Turkije en honderdduizend in Nederland, publiceerde foto’s van ons met een artikel met als kop Landverraders, waarin Kuzu geciteerd werd. Het veroorzaakte ernstige bedreigingen aan ons adres. Daardoor moesten we worden beveiligd. Dat gaat niet in je koude kleren zitten. Dergelijke bedreigingen had ik als columnist nooit. De PVV vind ik een verwerpelijke partij wat betreft hun ideologie maar in debatten met hen ben ik nooit op mijn afkomst aangesproken. Wel door Kuzu. Politieke partij Denk heeft er belang bij dat er geen inclusieve samenleving ontstaat, want zodra dat gebeurt hebben zij geen reden van bestaan meer.

Verderop in dit nummer staat een interview met Marijn Oudenampsen. In zijn boek De conservatieve revolte beschrijft hij hoe een zorgvuldig uitgedachte ideologie de ruk naar rechts in Nederland heeft veroorzaakt. Hoe kijk jij hiertegen aan?
Oudenampsen maakt een interessant punt maar ik ben het niet met hem eens. Ik herken niet dat er een ruk naar rechts zou zijn als het gaat om islamfobie, racisme of uitsluiting. Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig in Brabant en de jaren negentig in Rotterdam. Alles wat nu in de politiek wordt gezegd is niks vergeleken met wat wij daar toen hoorden. Alle voor de hand liggende scheldwoorden kwamen toen van buren en anderen uit de straat. Daarom ben ik het niet eens met de stelling dat er door de politiek een ruk naar rechts in de samenleving zou zijn ontstaan. In mijn beleving is het rechtse denken er altijd geweest. Nederland is één van de best gepeilde landen ter wereld. Vanaf het begin van de tachtiger jaren tot vorige maand is jaarlijks de vraag gesteld: ‘Vinden jullie dat er te veel buitenlanders in Nederland zijn?’ Het antwoord is steeds dat 35 tot 50 procent van de bevolking vindt dat er te veel buitenlanders zijn. Wat ik wel constateer is een democratisering van het politieke debat. Het politieke discours is naar rechts opgeschoven. Die stem wordt nu in de politiek vertolkt terwijl dat voor de opkomst van Bolkestein niet zo was. We kunnen nu niet meer doen alsof er geen rechts Nederland is.

Vind je dat een witte mannelijke politicus zoals de Amsterdamse GroenLinks wethouder Rutger Groot Wassink diversiteit in portefeuille kan hebben?
Ik heb het zelf altijd heel moeilijk gevonden om gereduceerd tot worden tot mijn etnische hokje. Vroeger hadden we goed bedoeld diversiteitsbeleid waarin positieve discriminatie werd bepleit. Toen hielden vrouwen zich met vrouwenemancipatie bezig en mensen van kleur met racisme. Ik vind het beter als iemand met een migratieachtergrond huisvestingsbeleid in portefeuille heeft en dat iemand als Rutger Groot Wassink emancipatie doet. Hij komt uit een arm gezin in Gelderland en heeft daardoor voelsprieten voor emancipatie. Ik vind het te makkelijk om te zeggen “Jij bent wit dus je moet je mond houden over racisme”. Iedereen moet iets kunnen zeggen over diversiteit ongeacht zijn afkomst, huidskleur of geaardheid.

Voor het Mbo-onderwijs ben je woordvoerder in de Tweede Kamer. Hoe kijk jij tegen het Mbo aan?
Toen ik in de Kamer kwam wist ik niet zoveel van het Mbo. Ik heb zelf op een gymnasium gezeten en had niet veel met deze sector te maken. Toen ik twee jaar geleden woordvoeder werd, ben ik me gaan verdiepen in het beroepsonderwijs. Ik heb veel werkbezoeken afgelegd en gesproken met studenten, docenten, zorgcoördinatoren en het management. Langzamerhand heb ik meer oog gekregen voor de problemen die er leven. In de Kamer heb ik de bekostigingssystematiek, het Mbo-onderwijscontract, de docentenopleiding en het opheffen van de creatieve opleidingen geagendeerd.

Politici noemen Mbo-ers wel ‘het cement van de samenleving’. Eén van de maatregelen die daaruit voortvloeit is om hen met ‘student’ aan te spreken en je stelde zelf voor om hen titels te verlenen. Wat wil je hiermee voor de student bereiken? Verwacht je een echte imagoverbetering van het Mbo op deze manier?
Ik vind dat als we de Mbo-er voortaan met student aanspreken daar dan ook titulatuur bij hoort. Een afgestudeerde van de universiteit krijgt toch ook de titel doctorandus. Symbolen zijn belangrijk om waardering in uit te drukken.

Foto Zihni Özdil: Maarten Kools

Banning Leergang 2019: Vroeger was alles beter, toch?

i 5 juni 2019 door

Historici hebben opgemerkt dat er geen politieke stroming zo nadrukkelijk bezig is met haar eigen verleden als de sociaaldemocratie. Er wordt veel geschreven en gesproken over het sociaaldemocratisch verleden en enige nostalgie is daarbij nooit ver weg. Vroeger, dat waren de tijden van echte strijd, van de opbouw van de verzorgingsstaat, van een partij vol van discussie en debat, van echt politiek leiderschap. Vroeger, toen had de PvdA haar veren nog.

De vraag hoe relevant dat verleden eigenlijk is voor de politieke discussies van vandaag en morgen wordt echter minder gesteld. Welke lessen vallen er te leren uit de ideologische en politieke geschiedenis van de sociaaldemocratie? Hoe verhield zij zich tot andere ideologische grootheden in Nederland, hoe verliep de ontwikkeling van haar achterban en hoe ingewikkeld is het politiek te bedrijven in de wetenschap dat je een ruim honderdjarige traditie vertegenwoordigd.

In het jaar dat de Banning Vereniging zelf honderd jaar bestaat gaan we gezamenlijk op zoek naar antwoorden op dit soort vragen. We doen dat met vier interessante sprekers in vier avonden in het najaar. De avonden beginnen om 18.00u met een eenvoudige broodmaaltijd en duren tot (ongeveer) 21.00u. Aanmelden kan via deze link of via de e-mail (info@banningvereniging.nl). Deelname aan de leergang kost 75 euro (25 euro voor minima en studenten). De leergang is erkend als officieel onderdeel van het scholingsaanbod van de Partij van de Arbeid, maar staat open voor iedere belangstellende. Ter voorbereiding worden steeds een of twee teksten aan deelnemers toegezonden.

Programma

Woensdag 25 september: De relevantie van vroeger voor nu? Geschiedenis, politiek en de toekomst van de sociaaldemocratie.

Sprekers: Herman Noordegraaf, emeritus hoogleraar diaconaat en kenner van de sociaaldemocratische traditie en Maarten van den Bos, historicus, secretaris Banning Vereniging en auteur van het komende november te verschijnen boek Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers.

In de openingsbijeenkomst van de Banning Leergang 2019 maken we kennis met de geschiedenis van de sociaaldemocratie en meer specifiek met de rol en functie van het religieus socialisme daar binnen. Ook komt de vraag aan de orde op welke manier (delen van) dat verleden interessant kunnen zijn bij de ideologische en politieke heroriëntatie van de sociaaldemocratie anno nu.

Woensdag 9 oktober: Socialisme, sociaaldemocratie en de lokroep van het neoliberalisme. Over intellectuele tradities en de politieke praktijk.

Spreker: Merijn Oudenampsen, onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Doet onderzoek naar de geschiedenis van het neoliberalisme in Nederland en promoveerde op De conservatieve revolte.

In de tweede bijeenkomst van de leergang staat de recente geschiedenis van de sociaaldemocratie centraal. In hoeverre is de PvdA als vaandeldrager van deze traditie beïnvloed door of meegegaan met de opkomst van het neoliberalisme in Nederland? En wat is dat eigenlijk, neoliberalisme? Hoe zou de sociaaldemocratie zich tot die intellectuele stroming en haar politieke ideeën moeten verhouden en welke internationale voorbeelden zijn wat dat betreft interessant? Denk aan de opkomst van Bernie Sanders in de Verenigde Staten bijvoorbeeld. Maken we een revival mee van het (democratisch) socialisme?

Woensdag 30 oktober: Op zoek naar de kiezer. Waar is de achterban van de PvdA gebleven?

Spreker: Sarah de Lange, J.M. den Uyl-hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur.

Op de derde avond staat de vraag naar de ontwikkeling van de achterban van de PvdA centraal. De Nederlandse sociaaldemocratie kon van oudsher rekenen op een vast deel van het electoraat. In de zestiger jaren begon dat al wat te verbrokkelen, maar vanaf het begin van de jaren tachtig is ook in Europees perspectief een dalende trend zichtbaar. Waar is de achterban van de sociaaldemocratie gebleven, wat kunnen partijen doen om hun achterban vast te houden en heeft de opkomst van partijen als de LPF, de PVV en Forum voor Democratie nu echt een deel van de sociaaldemocratische kiezers naar rechts gedreven? En welke reactie past daar dan bij: opschuiven waar het gaat om standpunten rond migratie en integratie zoals sociaaldemocraten in Denemarken doen? Of juist niet? De nadruk leggen op sociaaldemocratische onderwerpen en vragen rond identiteit en burgerschap links (of beter: rechts) laten liggen? Of juist niet?

Woensdag 20 november: Besturen vanuit en namens een traditie. Interview met Wouter Bos.

We sluiten de leergang af met een blik op de politieke praktijk. Wouter Bos werd gevormd in een zowel door religie als sociaaldemocratie gestempeld milieu. Bij de eerste Banning Prijs zoals die in 1989 werd uitgeschreven kende de jury zijn essay Kiezen voor vrijheid een eervolle vermelding toe. Vervolgens was Bos onder meer Tweede Kamerlid voor de PvdA, staatssecretaris van Financiën in het tweede paarse kabinet, partijleider en fractievoorzitter, minister van Financiën en vicepremier en informateur van het kabinet Rutte-Asscher.

Met Wouter Bos gaan we in gesprek over de vormende kracht van de sociaaldemocratische traditie, maar ook over de spanning tussen de dagelijkse politieke praktijk en de ideologische en politieke traditie van waaruit je in de politiek zit. Wat zou naar zijn oordeel het gewicht moeten zijn van die traditie in het dagelijks politiek handelen en hoe ziet hij de toekomst van de sociaaldemocratie in het Nederland van nu.

Aanmelden voor de leergang kan via deze link of door te mailen naar info@banningvereniging.nl. Wacht niet te lang, want het aantal plaatsen is beperkt. Kosten voor deelname zijn 75 euro (25 euro voor studenten en minima). Dat is inclusief broodmaaltijd aan het begin van elke bijeenkomst. Locatie: Café Seven, Mariaplaats 7 te Utrecht. Meer informatie? Neem gerust contact op met Maarten van den Bos via info@banningvereniging.nl.