Zonder mensen gaat het niet. Reactie op Lodewijk Asscher

i 11 mei 2020 door

Essays, zo is wel eens opgemerkt, zijn eigenlijk een dikker soort brieven aan vrienden. Ik heb dat altijd wel een mooi uitgangspunt gevonden, al was het maar omdat elke proeve op schrift daarmee een uitnodiging is om ook terug te schrijven. Lodewijk Asscher publiceerde onlangs een prachtig essay over de toekomst na de corona-crisis. Het is een mooi stuk, dat inspireert en uitdaagt. Maar dat ook een onuitgesproken risico in zich draagt. Een reactie.

We staan voor een aantal fundamentele keuzes. Het tijdperk waarin ‘de markt het doel was, het individu de oplossing en de overheid het probleem’ loopt op zijn einde, schrijft Asscher. Oude recepten zijn uitgewerkt, nieuwe moeten nu geschreven worden. En met de uitbraak van de Corona-epidemie is dat alleen maar urgenter geworden. Het is zaak opnieuw na te denken over de wereld van morgen. Juist nu.

In de opening van zijn essay refereert Asscher aan de hoop en verwachting die na de Tweede Wereldoorlog de motor was achter de wederopbouw. Een periode die gedragen werd door de gedachte dat een betere wereld ook mogelijk was. Dat we met elkaar een nieuw begin kunnen maken. Het was dit gevoel van hoop en verwachting dat ook aan de basis stond van de nieuwe Partij van de Arbeid. De partij nam een grote diversiteit aan mensen en meningen in zicht op. Maar zij wisten zich, zo memoreerde dominee Willem Banning in zijn toespraak tot het stichtingscongres van de partij in februari 1946, verbonden door ‘de wil tot sociale gerechtigheid en vrijheid’ en ‘het vaste voornemen om samen een nieuw begin te maken’. [1]

Het is opvallend hoezeer – onbedoeld en onbewust waarschijnlijk – dezelfde thematiek opnieuw weerklinkt. Het socialisme, stelde Banning, wilde bouwen aan een samenleving waarin iedereen zich in gelijke mate zou kunnen ontplooien. Omdat het uitging van de persoonlijke waarde van ieder mens. Het was onverbrekelijk verbonden met de democratie en zag de diversiteit van de Nederlandse samenleving niet als een gevaar of zelfs een gegeven, maar als een bron van kracht en vooruitgang. Het erkende dat bezitsverhoudingen niet heilig zijn, maar dat daarin ingegrepen moet worden als dat voor het algemeen welzijn nodig is. Het is een lijn van denken die ook in het essay van Asscher terug te vinden is. Toch is er ook een verschil en over dat verschil gaat deze reactie. Want waar Banning zijn visie op de sociaaldemocratie grondvestte op een uitgewerkt beeld van mens en samenleving, is juist dat in het essay van Asscher nog wat onzichtbaar.

Besmettelijke ongelijkheid
De wereld staat voor een viertal crises: een gezondheidscrisis, een economische crisis, een sociale crisis en een klimaatcrisis. En de ene crisis het hoofd bieden zonder de andere te adresseren is als het monteren van één reservewiel op een auto waarvan vier banden lek zijn. Dan kom je dus niet verder. Bovendien ziet Asscher door de verschillende crises heen een belangrijke constante: de toenemende ongelijkheid in de wereld, die bovendien ‘besmettelijk’ is. ‘Landen en bedrijven concurreren nu met elkaar in een race naar beneden in belasting en bescherming.’

Asscher staat in die analyse niet alleen. De Franse econoom Thomas Piketty opende zijn recente boek Kapitaal en Idologie met de constatering dat ‘het ook heel moeilijk is om oplossingen te vinden voor de andere grote problemen waarmee de wereld zich geconfronteerd ziet, om te beginnen de klimaatverandering en de migratie, wanneer we er niet tegelijkertijd in slagen die ongelijkheid terug te dringen en tot een norm van rechtvaardigheid te komen die voor een grote meerderheid aanvaardbaar is’. Deze ongelijkheid was in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, zeker in West-Europa, enigszins teruggedrongen, maar is in de jaren tachtig en negentig opnieuw enorm toegenomen. [2]

Zonder een fundamentele correctie op de toenemende ongelijkheid – zowel in Nederland als in de wereld – zijn de enorme uitdagingen waar we voor staan dus niet op te lossen. En die oplossing is wel nodig. Want zonder basale vormen van bestaanszekerheid is het opbrengen van onderlinge solidariteit en samenwerking voor veel mensen een onmogelijke opgave. En zonder internationale solidariteit kan Europa niet functioneren als de unie die we in een steeds complexer wereld wel nodig hebben. En zonder de wetenschap dat we de overgang naar een schone energie- en warmtevoorziening samen zullen moeten maken, is die overgang, nodig om onze wereld van de ondergang te redden, per definitie onmogelijk.

Juist daarom komt Asscher terecht met een heel aantal grote en kleine maatregelen. Soms expliciet, soms wat meer terloops, maar telkens vanuit de wetenschap dat de politiek het verschil kan maken en dat een sterke overheid en actieve publieke sector niet het probleem zijn, maar het begin van elke oplossing.

En dat is mooi. Het is goed dat Asscher onderkend dat de machteloosheid van generaties politici – ervan overtuigd dat zich aanpassen aan dwingende economische en electorale omstandigheden het hoogst haalbare was – van eigen makelij geweest is. Wie de recente geschiedenis analyseert, kan niet tot een andere conclusie komen dan dat vooruitgang en voorspoed nooit vanzelfsprekend waren. Ze zijn altijd het resultaat van strijd, van hard werken, van de verbeeldingskracht nodig om te onderkennen dat wat nu is niet noodzakelijkerwijze morgen ook zo hoeft te zijn.

De uitkomst van die verbeeldingskracht is – in de kortst mogelijke samenvatting van Asschers essay – een nieuw sociaal contract tussen overheid en burger. En dat is hoog nodig. Maar een werkbaar contract vraagt twee tekenende partijen. En daar wringt de schoen – bij alle waardering – toch een beetje. Want waar er veel woorden zijn voor de overheid, daar komt de burger er toch wat bekaaid van af. Die mag zich wentelen in de collectief geboden bestaanszekerheid, kan zichzelf ontwikkelen en ontplooien, ademt schone lucht in een mooie wereld en heeft verder weinig klagen meer. Maar beschouwen we mensen dan niet toch nog te veel als consumenten van al het goede dat een sociaaldemocratisch gestuurde overheid hen te bieden heeft? En doen we hen daarmee dan niet tekort? Belangrijker: handhaven we dan niet het mensbeeld van de ideologische tegenstander? Kort en goed: waar blijft de burger, de inwoner, de mens in het sociaaldemocratisch perspectief op de toekomst?

Neoliberale mensbeelden
Asscher stelt met recht dat het dominante neoliberale denken van de afgelopen jaren geen oplossingen biedt voor de grote uitdagingen van vandaag en morgen. Even voorbijgaand aan het gegeven dat ik dat van harte met hem eens kan zijn, moeten we wel vaststellen dat het neoliberalisme meer was en is dan de gedachte dat ‘meer markt’ de oplossing is voor alle problemen. Wat we vandaag de dag aanduiden met het begrip ‘neoliberalisme’ was meer dan de economische paragraaf uit het verkiezingsprogramma van Reagan en Thatcher. De Franse filosoof Michel Foucault wees er in een nog altijd indrukwekkende serie lezingen uit 1979 al op dat er meer op het spel stond. Het ‘hedendaags’ of ‘modern’ liberalisme ging niet zozeer om het bevrijden van de economie van inmenging of bemoeienis van de overheid, maar om het opdringen van het model van de markteconomie aan alle onderdelen van het leven. Het was niet alleen een economische theorie, maar vooral ook een opvatting over mens en samenleving, met als essentie dat de markt het beste regulerende principe is voor alle intermenselijk verkeer. [3]

Die gedachte is de afgelopen dertig jaar zo dominant geworden, dat we haar te weinig herkennen als richtinggevend principe. We zijn er met elkaar zo van doordrongen geraakt dat alles een prijs heeft, dat we ons zelden nog afvragen wat ergens nu precies de waarde van is. Van vrijwel alles kennen we de prijs, omdat veel in onze samenleving een transactie geworden is. Een vraag van voor wat hoort wat. Het wordt pas problematisch als we de prijs niet kennen, want dan is het in de logica van vandaag de dag uiteindelijk ook niets waard. [4]

Een bijkomend probleem van dit transactie-denken is, zoals Asscher ook wel signaleert, dat we succes en falen zijn gaan zien als iets waarvoor mensen in essentie zelf verantwoordelijk zijn. We leven in een tijdperk van verantwoordelijkheid. [5] Of het nu gaat om geluk of tegenslag, succes of falen, uiteindelijk is het de schuld van mensen zelf. En hoewel we instinctief weten dat dit mensbeeld niet het onze is, heeft links het de afgelopen jaren meer bevestigd dan bijgesteld. Bijvoorbeeld door er, met de beste bedoelingen, voortdurend op te wijzen dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin de wetmatigheid dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor succes en falen niet opgaat. Economische omstandigheden, gezondheidsproblemen, sociale achterstanden. Van alles is er opgetuigd om achterstanden weg te werken. Maar de kern van het probleem werd daarmee niet opgelost. Want met het onderkennen dat sommige mensen op bepaalde momenten geen schuld hebben aan hun eigen ongeluk komt ook de erkenning dat dit normaliter wel het geval is. En zo blijft het beeld van de zelfredzame, mondige, moderne burger in stand. De ander is de regel bevestigende uitzondering.

Terwijl we diep in ons hart eigenlijk wel weten dat het anders is. Dat mensen inherent kwetsbaar zijn. Dat we het nooit alleen kunnen, maar altijd anderen nodig hebben. Steker nog, dat mensen eigenlijk pas echt zichzelf zijn in relatie tot anderen. Dat mensen niet aangezet hoeven te worden tot sociaal en maatschappelijk verantwoord gedrag, maar dat ze dat uit zichzelf al doen. Dat we geen participatieverklaring nodig hebben om erbij te willen horen, noch om mee te kunnen doen.

Wanneer de sociaaldemocratie al te zeer meegaat in het mantra van eigen verantwoordelijkheid en geen eigenstandige analyse weet te ontwikkelen van mens en samenleving is het nieuwe sociaal contract tussen overheid en burger niet in evenwicht. De zoektocht van de sociaaldemocratie naar nieuwe vormen en gedachten sinds de jaren tachtig werd bemoeilijkt door twee problemen. Ten eerste de al besproken gedachte dat grote economische en electorale bewegingen niet te keren vielen, als waren het natuurwetten waaraan het eigen denken slechts aangepast kon worden. Realiteitszin als mantra. Ten tweede een gebrekkig besef dat gemeenschap lange tijd een sociaaldemocratisch kernbegrip was en dat een nieuwe visie op de economische orde ook een nieuwe visie op de samenleving nodig heeft. Het ene, zo leerde de sociaaldemocratie al in de jaren dertig van onder andere Willem Banning, kan niet zonder het andere. Maar die lessen vervlogen in een tijd dat gemeenschap iets leek van burgerlijkheid, spruitjeslucht en paternalisme. [6]

Personalistisch socialisme
In 1995 hield Wim Kok onder de titel Wij laten niemand los een inmiddels beruchte rede over de toekomst van de sociaaldemocratie. Die ene bijzin over het afschudden van ideologische veren kleurde ten onrechte de receptie van de rede. Want als je de – overigens door Bram Peper geschreven – tekst naast het essay van Asscher legt, zie je opvallend veel overeenkomsten. In beide gevallen lees je een pleidooi voor een actieve en sterke publieke sector, voor bestaanszekerheid voor iedereen, voor een sterke overheid die het (ruimtelijk) aangezicht van Nederland mag en moet bepalen, voor Europese solidariteit en samenwerking. Maar ook in rede van Kok is de burger betrekkelijk ver weg. Ondanks een kritiek op doorgeschoten individualisme en consumentisme wordt de vraag wie we samen willen zijn niet gesteld. En dus ook niet beantwoord.

Het is natuurlijk een gerechtvaardigde vraag of politieke partijen zich moeten willen wagen aan een denken dat meer omvat dan de manier waarop zij het bestuur willen organiseren. Toch denk ik dat juist dit meer dan ooit nodig is. Politiek wordt steeds sterker vereenzelvigd met bestuur en belangenbehartiging, terwijl het toch ook gaat over de vraag hoe we met elkaar vormgeven aan de ordening van de samenleving? [7] Bovendien heeft het neoliberale transactie-denken ook zijn invloed op het democratisch bestel niet gemist. De Franse filosoof Marcel Gauchet constateerde eerder al een verschuiving in de ‘grondtoon’ van de democratie. Van de gezamenlijke uitoefening van politieke macht door burgers is zij steeds sterker verworden tot het waarborgen van de rechten en belangen van individuen. [8] Het is de bredere basis van een voor-wat-hoort-wat politiek waarin voor ieder deelbelang een eigen partij voorhanden is.

In zijn in de oorlogsjaren geschreven en na de bevrijding gepubliceerde schets van een personalistisch socialisme wees Banning er – in lijn met publicaties uit de jaren dertig – al op dat socialisme meer moest willen zijn dan een theorie over de economie en dat een democratisch-socialistische partij niet versmald moest worden tot een beweging voor arbeidersrechten en een hoger loon. In 1953 kwam Banning tot een aantal richtinggevende stellingen voor de toekomst van de sociaaldemocratie. Hij noemde twee essentiële uitgangspunten. Het eerste was dat ‘een reconstructie van de eigendoms- en sociale verhoudingen’ de kern van sociaaldemocratische politiek was en bleef. Ongelijkheid terugdringen, maar dan wel op alle denkbare vlakken. In inkomen, maar ook in toegang tot cultuur, werk en onderwijs. Zonder fundament van bestaanszekerheid kunnen mensen geen verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en de samenleving. In de tweede plaats kon ‘de socialistische beweging’ slechts dan ‘de concentratie van alle creatieve krachten op politiek terrein’ zijn, ‘indien zij volledig ernst maakt met het beginsel van geestelijke pluriformiteit’. De sociaaldemocratie moest zich willen laten voeden door verschillende overtuigingen en mensen met een brede waaier aan achtergronden waren welkom. En had vervolgens uit die waaier van opvattingen ook zelf een beeld te destilleren van de samenleving die haar voor ogen staat.

Beide uitgangspunten vonden elkaar in een personalistisch socialisme, dat uitging van de gedachte dat mensen altijd welbewust onderdeel wilden zijn van een gemeenschap, zich daardoor beschermd en gedragen weten, in alle verschillen iets van gezamenlijkheid en overeenkomst herkennen en daarom ook uit zichzelf bereid zijn zich voor diezelfde gemeenschap in te spannen. Juist dat beeld, van mensen die mits zij zich geborgen en gedragen weten, ten volle bereid zijn zich in te zetten voor hun lokale, nationale en ook internationale omgeving kan het rijke betoog van Asscher verder verdiepen. Want als de sociaaldemocratie niet in staat is zich los te maken van het mantra van de eigen verantwoordelijkheid, van het neoliberale transactie-denken dat aan alle intermenselijk verkeer een prijskaartje wil hangen, van het beeld van de calculerende burger die zich met liefde wentelt in de beschermende mantel van de overheid zolang hem dat noch wat kost noch beperkingen oplegt, dan zijn we nog weinig opgeschoten.

Morele vraagstukken
De Partij van de Arbeid moet niet alleen breken met de gedachte dat de tijd van de grote overheid gedaan is en dat we ons allemaal zullen moeten aanpassen aan de moderne tijd waarin de markt de maat van alle dingen is, maar juist ook met de gedachte dat morele vragen over mens en samenleving geen onderdeel zouden moeten zijn van het publieke en politieke debat. Een echte waardengedreven politiek gaat juist ook over die vraagstukken die meer omvatten dan inkomensverdeling en koopkrachtplaatjes.

Want juist die vragen dringen zich onmiskenbaar op. Ik noem, ter afronding, drie centrale belangrijke vraagstukken:

  1. Onzekerheid wordt steeds meer een gegeven. De geopolitieke situatie in de wereld en de fundamentele onvoorspelbaarheid van klimaatverandering maken dat we met elkaar een modus zullen moeten vinden om met een fundamenteel gevoel van onzekerheid om te gaan. Klimaatverandering vraagt om het zoeken naar radicaal nieuwe arrangementen. De overheid, op lokaal, nationaal en Europees verband, kan de onzekerheid die daarbij hoort altijd maar deels wegnemen. [9] Sociaaldemocratische politiek is nooit een politiek van illusies geweest en moet dat ook niet willen worden. Zoals Marjan Minnesma in haar recente Banning Lezing al liet zien, is klimaatpolitiek altijd ingewikkeld en onzeker. Het enige dat meer onzekerheid en gevaar genereert is echter niets doen. De kernvraag is dan ook hoe we mensen wapenen tegen onzekerheid. Die kan cynisch maken, een terugtrekken op eigen erf achter hoge hekken en muren veroorzaken, of juist aanzetten tot handelen. Tot een vol goede moed voortgaan op soms nog ongebaande paden. Daar is vertrouwen voor nodig. Vertrouwen dat we er bij tegenslag en teleurstelling samen voor willen staan.
  2. Het oplossen van publieke armoede vraagt een offer van private rijkdom. We zullen als mensen op ten minste twee samenhangende manieren ons leven moeten willen veranderen. De afgelopen jaren is steeds zichtbaarder geworden dat private rijkdom zich een op een vertaalt in publieke armoede. Dat betekent dat we allemaal, en dus niet alleen de rijke bovenlaag of het grote bedrijfsleven, bereid zullen moeten zijn bij te dragen aan de wederopbouw van de publieke sector, kunst en cultuur, onderwijs en zorg. Willen we in der daad zeker kunnen zijn van een publieke sector die er is voor iedereen, dan moeten we daar ook naar draagkracht aan willen bijdragen. Daarnaast is het onontbeerlijk dat we ook individueel onze manier van leven meer in lijn brengen met de draagkracht van de Aarde. Er is geen toekomst voor zielloze consumptie en sociaaldemocratische politiek mag daar wat van vinden, paternalisme of niet. Het ging en gaat ons immers om de kwaliteit van het bestaan. [10]
  3. Ten slotte, maar niet minder belangrijk, is een samenleving waarin er voor iedereen een plek is een samenleving gegrondvest op een actief pluralisme. Bij de oprichting van de Partij van de Arbeid was het een uitgangspunt, verankerd in het beginselprogramma, dat iedereen ongeacht levensbeschouwelijke of politieke achtergrond die bereid was zijn of haar opvattingen over het goede leven in het publiek debat naar voren te brengen gehoord zou worden. Op basis van programmatische overeenstemming, met respect voor verschillen, kon dan gebouwd worden aan een nieuwe samenleving. Een sociaaldemocratie die iedereen eerst in dezelfde mal wil dwingen verloochent haar eigen ontstaansgeschiedenis.

Het zijn de grote vragen van vandaag die vragen om een moreel, ja levensbeschouwelijk geladen antwoord. Een nieuw verhaal voor de sociaaldemocratie is nodig. En dat moet gaan over ongelijkheid. Over de rol van de overheid en de nieuwe economische orde. Over klimaat en energie. Over de kracht van visionaire politiek en debat over morele en ethische afwegingen. Over de vraag hoe we onszelf zien, als mensen zoekend in een wereld die van de ene op de andere dag onze fundamentele kwetsbaarheid en onderlinge afhankelijkheid andermaal bewezen heeft.

Verwijzingen:
[1] Citaten van Willem Banning zijn afkomstig uit mijn boek Geloven in het ideaal. Geschiedenis en actualiteit van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers (Hilversum: Verloren, 2019). Veel van de hiernavolgende gedachten zijn gebaseerd op hoofdstuk 5 uit het boek, waarin de actualiteit van het denken van Banning voor de PvdA besproken wordt. Een vergelijkbare kritiek aan de hand van Banning zoals die hier ontwikkeld wordt, werd eerder geformuleerd door politiek filosoof Rutger Claassen in reactie op het (toen nog) concept-beginselmanifest van de PvdA dat in 2005 door het congres werd aangenomen: ‘Wat zou Banning van het Beginselmanifest vinden?’, Socialisme en Democratie (2004): http://www.rutgerclaassen.nl/wp-content/uploads/2011/02/Claassen-Banning-en-beginselmanifest.pdf.
[2] Thomas Pikketty, Kapitaal en ideologie (Amsterdam: De Geus, 2020), citaat op 33.
[3] Michel Foucault, De geboorte van de biopolitiek. Colleges aan het College de France (1979) (Amsterdam: Boom, 2013).
[4] Deze analyse is voornamelijk gebaseerd op Mariana Mazzucato, The Value of Everything. Making and Taking in the Global Economy (Londen: Pinguin Books, 2019). Voor een inspirerende toepassing van het denken van Mazzucato, vgl. het winnende essay voor de Banning Prijs 2020 van de hand van Camille Creyghton: https://www.banningvereniging.nl/site/wp-content/uploads/2020/02/Taal-tijd-en-waarde.pdf.
[5] Yascha Mounk, The Age of Responsibility. Luck, Choice, and the Welfare State (Cambrigde: Harvard University Press, 2017). Voor een verdere toelichting bij het hiernavolgende mijn essay: ‘Verantwoordelijkheid is het woord niet’ in Socialisme en Democratie: https://www.wbs.nl/publicaties/klaar-met-weg-met-ons-2.
[6] Veel van deze en hiernavolgende gedachten zijn gebaseerd op mijn artikel over de derde weg: ‘Twee hoeraatjes voor de derde weg’, Socialisme en democratie: https://www.wbs.nl/publicaties/twee-hoeraatjes-voor-de-derde-weg.
[7] Pierre Rosanvallon, Good Government. Democracy beyond Elections (Cambridge: Harvard University Press, 2018). Voor de ingrijpende inbreuk van neoliberaal denken op de democratie zie bovendien: Wendy Brown, Undoing the Demos. Neoliberalism’s Stealth Revolution (New York: ZONE Books, 2015).
[8] Marcel Gauchet, The Disenchantment of the World. A Political History of Religion (Princeton: Princeton University Press, 1997).
[9] Hiernavolgende gedachten zijn zeer gebaseerd op het indrukwekkende boek van René ten Bos, Dwalen door het antropoceen (Amsterdam: Boom, 2017), waarin de gedachte wordt uitgewerkt dat dwalen, zoeken en de daarbij behorende onzekerheden tot de kern van de tegenwoordige tijd behoren. Eveneens: René ten Bos, Extinctie (Amsterdam: Boom 2019). Ook in het denken van Bruno Latour (zie bijvoorbeeld zijn essay Waar kunne we landen?) wordt die onzekerheid gethematiseerd. Over verschillende vormen van cynisme als crisisreactie: Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede (Amsterdam: Boom, 2013).
[10] Hier zij uiteraard verwezen naar het rapport Om de kwaliteit van het bestaan uit 1963. De gedachte daarin was dat mensen hier min of meer vanzelfsprekend toe bereid zouden zijn. Dit is, het is ten overvloede opgemerkt, geen vanzelfsprekendheid. In haar boek over de menselijke conditie merkte Hannah Arendt al op: ‘Honderd jaar na Marx weten wij hoezeer hij zich hierin heeft vergist; zijn vrije tijd gebruikt animal laborans nooit voor iets anders dan consumptie, dat wil zeggen behoeftebevrediging, en hoe meer vrije tijd hij heeft, des te begeriger en overzadelijker hij wordt’. Hannah Arendt, De menselijke conditie (Amstrerdam: Boom, 2013) 121. Voor de verhouding tussen consumptie(cultuur) en sociaaldemocratie in deze periode: Chris Dols en Maarten van den Bos, ‘King Customer. Contested Conceptualizations of the Consumer and the Politics of Consumption in the Netherlands, 1920s-1980s, Low Countries Historical Review 132, nr. 3: https://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.10400/.

Dit is een bijdrage van Maarten van den Bos.