Naomi Woltring woont met haar gezin in een jarenzestigwoning in Eindhoven. Deze woningen werden gebouwd voor medewerkers van Philips die met grote gezinnen naar Eindhoven kwamen, en werden later aan de bewoners verkocht. De aanleiding dat we haar daar opzoeken is Naomi’s proefschrift over de invloed van het neoliberalisme op de Nederlandse verzorgingsstaat tussen 1989 en 2008. Woltring is een bekende van Tijd&Taak omdat ze van 2013 tot en met 2016 ambtelijk secretaris van de Banning Vereniging was en voor elk nummer een boekrecensie schrijft. 

Door Joke van der Neut en Evelien Polter

Toen je secretaris van de Banning Vereniging was nodigde je regelmatig sprekers uit en op een avond van de leergang van 2016 zei je: “Ik wil zelf achter die tafel zitten als deskundige.” Heb je deze ambitie gerealiseerd?
“Ik heb met heel veel plezier gewerkt bij de Banning Vereniging, maar op een gegeven moment dacht ik: “Ik wil zelf ook wel eens op een podium staan in plaats van steeds een podium voor anderen te bouwen.” Dat is inderdaad de reden dat ik ervoor koos om een proefschrift te schrijven. Het was niet makkelijk om een betaalde baan als promovendus te vinden, maar op de dag dat ik was uitgerekend om te bevallen van mijn eerste kind kreeg ik een appje: “We hebben een enorme subsidie binnengehaald voor een onderzoek naar neoliberalisme, wil je solliciteren?” Ik antwoordde: “Ja, ik wil wel, maar ik moet eerst iets anders doen.” Tijdens de laatste week van mijn verlof ben ik toen aangenomen. Door de kennis die ik door mijn onderzoek opdeed ben ik afgelopen jaar uitgenodigd door het televisieprogramma Andere Tijden en door o.a. het Eindhovens Dagblad.”

“Ik wil zelf ook wel eens op een podium staan.”

Beviel het werk als onderzoeker je?
“Ik had niet verwacht dat het zo zwaar zou zijn. Het onderzoek en het schrijven van dat proefschrift vielen volledig samen met de periode dat ik twee kinderen kreeg. Promoveren in combinatie met mijn gezinsleven was lastig. Af te schakelen, mijn hoofd stop te zetten en gewoon te gaan spelen met mijn kinderen vond ik soms een uitdaging.’ 

Wie waren er betrokken bij het onderzoek?
“Mijn onderzoek maakt deel uit van een breder onderzoek naar de geschiedenis van neoliberalisme in Nederland. Bram Mellink en Merijn Oudenampsen dachten dat onderzoeksproject uit en dienden de subsidieaanvraag in samen met de hoogleraren Ido de Haan en Ewald Engelen.”

“Ik was soms boos en verbijsterd over het handelen van PvdA-politici.”

Het boek Dat hadden we nooit moeten doen, (Duco Hellema en Margriet van Lith) en de documentaire What’s left – de puinhopen van links (Jonathan Fretz), gaan beide over hoe de PvdA het marktdenken omarmde. Dit zou de neergang van de partij bewerkstelligd hebben. Hoe kijk jij aan tegen deze manier van geschiedschrijving? 
“Het boek en de documentaire richten zich primair op de PvdA en de makers zien het neoliberalisme vooral als een importproduct. Ik heb geprobeerd om, in tegenstelling tot de schrijvers en documentairemaker, geen afrekening te schrijven en ik richt me ook niet primair op de PvdA. Maar ook ik was soms boos en verbijsterd over wat ik tegenkwam over het handelen van PvdA-politici. 
In mijn proefschrift laat ik zien dat er vanaf eind jaren zeventig veel kritiek was op hoe de verzorgingsstaat functioneerde. In deze periode bood de uitbreiding van de hulp door de overheid aan haar burgers en de sterke stijging van de lonen geen antwoord meer op de specifieke problemen van die tijd. Het was een situatie waarin de inflatie opliep, de economische groei vertraagde en de werkloosheid steeds hoog bleef. En er lagen andere ideeën op de plank, namelijk die van de neoliberalen. Vervolgens zijn deze ideeën gemeengoed geworden onder de kabinetten Lubbers en Kok. Ik heb veel bewondering voor journalist Mirjam de Rijk (daarnaast onder andere vakbondsvrouw, GroenLinks-politica en voormalig wethouder in Utrecht, red.) die dat al heel vroeg scherp zag. Aan haar columns uit de Groene van destijds heb ik veel gehad bij het schrijven.”

Neoliberalisme: het kapitalisme van zichzelf reddenNet als klassieke liberalen geloven neoliberalen dat individuele vrijheid wordt gegarandeerd door vrije markten. De beurskrach in de jaren dertig van de vorige eeuw en de daaropvolgende economische crisis echter lieten volgens sommige liberalen zien dat vrije markten niet zonder een sterke overheid kunnen, dat was het nieuwe, het ‘neo’, aan het neoliberalisme. Mensen zoals Milton Friedman vonden overheidsingrijpen nodig om de kapitalistische productievorm te behouden. De regering moest de markt niet vrijlaten, maar haar juist aanjagen en haar functioneren garanderen met wetten. Het vormgeven van concurrentie werd daarom een primaire overheidstaak. Tegelijk moest de overheid de markt juridisch afschermen van bemoeienis door belangengroepen en politiek. De markt werd gezien als een sfeer waar een natuurlijk evenwicht ontstaat doordat individuen de competitie met elkaar aangaan. Maar de markt moet wel gecreëerd en bewaakt worden. In internationaal verband willen neoliberalen mondiale markten scheppen via handelsverdragen. Daarmee voorkomen ze verdere bemoeienis van democratische nationale staten. Het centrale kenmerk van de neoliberale ideologie is kortom dat de staat functionerende markten mogelijk moet maken om zo het kapitalisme van zichzelf te redden. 

In je onderzoek analyseer je een aantal voorbeelden binnen de verzorgingsstaat en hoe de neoliberalisering daar grote invloed op had. Welke zijn dat en waarom kies je voor onder andere volkshuisvesting? 
“De casussen die ik vergelijk betreffen die onderdelen van de verzorgingsstaat die voor neoliberalen de grootste ergernis vormden én die een groot beslag op de rijksbegroting legden. Dat zijn volkshuisvesting en sociale zekerheid (WAO en WW). Daarnaast heb ik gekeken naar collectieve afspraken over arbeidsrelaties die werknemers beschermen (zoals cao’s) en ten slotte de manier waarop de overheid markten inperkt of aanjaagt met wetgeving. Voor mij was het ook belangrijk dat de hervormingen plaatsvonden binnen mijn onderzoeksperiode 1989-2008Binnen de zorg en het onderwijs kwamen de hervormingen grotendeels later.”

Welke beweging was er binnen volkshuisvesting gaande?
“Oorspronkelijk was het zo dat de plannen werden gemaakt in Den Haag. Er werden contingenten te bouwen sociale huurwoningen toegekend aan gemeenten en die moesten dat regelen met onder andere de corporaties. Zo werd bijvoorbeeld de Bijlmermeer in Amsterdam gebouwd. Eind jaren zeventig ontstond het idee van decentralisatie omdat men dacht dat de gemeenten beter zouden weten wat de individuele woonwensen van hun bewoners waren. Dat veranderde vervolgens in: “Dat moet naar de markt, want de markt heeft daar een beter beeld van.”
Tijdens de regeringen met Lubbers (1982-1994) veranderde huisvesting van een sociaal recht in een marktgoed waarvoor mensen zelf verantwoordelijkheid moesten dragen. Deze regeringen vonden dat de sociale huurwoningen alleen een vangnet mochten zijn voor mensen met een inkomen rond het sociaal minimum. Het ministerie van VROM wilde de kosten van volkshuisvesting terugdringen door corporaties te verzelfstandigen en daarbij toekomstige subsidies en uitstaande leningen tegen elkaar wegstrepen. De woningbouwcorporaties beseften dat het bezuinigen was of een marktpartij worden.”

“Woningbouwcorporaties beseften dat het bezuinigen was of een marktpartij worden.”

Je beschrijft hoe de grondprijs door de ontwikkeling van de Vinex-plannen enorm steeg. Hoe gebeurde dat?
“Vanaf het midden van de jaren negentig verrijzen in heel Nederland Vinex-wijken, grote nieuwbouwwijken aan de randen van de stad. Vinex is de afkorting voor Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, een nota van het Nederlandse ministerie van VROM uit 1991De Vinex-wijken moesten het huizentekort oplossen en het waren projectontwikkelaars die dat dienden te realiseren. De regering maakte van tevoren bekend waar er gebouwd zou gaan worden en dat leidde tot strategische grondaankopen door bouwbedrijven van boerenland binnen de door de overheid aangewezen percelen. Private partijen maakten vervolgens grote winsten met grondtransacties, maar wentelden de kosten voor publieke infrastructuur af op de gemeenschap.”

Mede door die grondprijsstijgingen stegen de prijzen van koophuizen. Wat had daar nog meer invloed op?
“In de jaren tachtig en negentig worden individuen gestimuleerd om schulden te maken om daarmee de economie aan de praat te houden. Schulden maken om bijvoorbeeld een huis te kopen. Het verkrijgen van een hypotheek was nog nooit zo makkelijk geweest. Daarnaast maximaliseerden hypotheekverstrekkers de mogelijkheid tot hypotheekrenteaftrek. Huizenbezitters hadden daardoor meer geld te besteden en dat dreef de huizenprijzen op. Daarmee werd economische groei op een heel speculatieve manier gestimuleerd. Die grote prijsstijgingen waren een spiraal omhoog tot het een keer niet meer kon, dat was het geval met de financiële crash in 2008.”

“Die grote prijsstijgingen waren een spiraal omhoog tot het niet meer kon.”

Welke invloed had dit overheidsbeleid op de woningbouwcorporaties?
“Het beleid was om alleen voor de lagere-inkomensgroepen het recht op wonen te garanderen en het particulier eigendom te bevorderen. De inkomensgrens voor een sociale huurwoning werd naar beneden bijgesteld. Het ideaal werd: iedereen een koophuis. 
De woningbouwcorporaties kregen geen geld meer van de overheid maar moesten hun eigen broek ophouden. De verleiding van het grote geld zorgde ervoor dat sommige corporaties behoorlijk ver van huis raakten.”

Waarom ging de PvdA mee in deze ideologie?
‘PvdA-politici plaatsten eigenwoningbezit in de sociaaldemocratische traditie van emancipatie en zeggenschap. Daarnaast zochten ook PvdA’ers een alternatief voor de hoge uitgaven aan sociale woningbouw en wilden zij tegengaan dat mensen met een hoog inkomen te goedkoop woonden in een sociale huurwoning. Voor die mensen moesten koopwoningen een alternatief zijn. Adri Duivesteijn (PvdA) kwam onder andere met de individuele koopsubsidie, naar analogie van de individuele huursubsidie, om een koophuis ook voor huurders met lagere inkomens mogelijk te maken.”

Het onderzoek
De grote lijn in het onderzoek van Woltring is hoe het neoliberalisme tussen 1989-2008 in Nederland vorm kon krijgen in beleid, praktijken en tot welke uitkomsten dit leidde. Aan deze hervormingen lagen neoliberale ideeën ten grondslag die niet als ideologisch gebracht werden, maar als vanzelfsprekend en noodzakelijk (‘There is no alternative’). 
Deze ideologie werd gedeeld binnen een netwerk van topambtenaren, politici en wetenschappers met een economische, juridische of soms bestuurskundige achtergrond. De mannen en een enkele vrouw bezetten in de jaren negentig en nul posities waarop zij die opvattingen konden realiseren, verankeren en legitimeren. Een draaideur waarbij men van de ene positie naar de andere schoof, neven- en/of dubbelfuncties had, vergemakkelijkte dat. Zelfregulering (als alternatief voor handhaving door de overheid), aanbestedingen, benchmarking (het onderling vergelijken van prestaties), ‘best practices’ en persoonsgebonden budgetten (waarmee burgers zelf zorg moesten inkopen) werden populair. 
De leden van deze gemeenschap beschouwden zichzelf op enkele uitzonderingen na niet als neoliberaal. Onder hen waren ook veel PvdA’ers. Zij bestuurden Nederland via een draaideur waarbij ze elkaar telkens tegenkwamen op wisselende posities: de ene keer in toga, vervolgens met partijspeldje op en dan weer met ambtelijke geloofsbrieven in de hand. In die posities dachten zij beleidsideeën uit, vertaalden die naar wet- en regelgeving, handhaafden ze en reflecteerden ze erop. Neoliberale ideeën en praktijken vormden de zee waarin zij zwommen en die zij niet meer als water herkenden. 
Toch waren sommigen van hen wel degelijk doordrongen van het omstreden karakter van hun overtuigingen. Onder het motto ‘een broedende kip niet storen’ werden bepaalde belangengroepen maar ook het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Ad Melkert (PvdA) met opzet niet betrokken bij beleid dat marktwerking moest bevorderen. Het ministerie van SZW werd gezien als ‘een voorpost van de vakbonden’. De ongelijkheid groeide, de uitgaven van de overheid werden beperkt. De hervormingen hadden niet altijd het gewenste effect en ook grote onbedoelde uitkomsten. 

Je noemt een aantal uitkomsten van het woonbeleid die niet bedoeld waren. Welke zijn dat? 
“De grote toename van de uitgaven aan huursubsidie, de groei van het aantal dakloze mensen en de aanzienlijke vlucht die de hypotheekrenteaftrek nam, was niet bedoeld. Dat laatste kwam mooi uit voor de hypotheekverstrekkers, maar het was geen politiek doel.’

Je ziet dat de PvdA een breuk probeert te maken met dat oude beleid. Zoals bijvoorbeeld in december 2022 Cody Hochstenbach bij zijn Joop den Uyl-lezing verwoordde. Maar het is moeilijk, waar begin je?
“Cody Hochstenbach doet goede voorstellen voor een andere woonpolitiek. Hij stelt dat het recht op een woning centraal gesteld moet worden om daarmee dakloosheid tegen te gaan. De WOZ-waarde moet uit het woningwaarderingsstelsel. De inkomensgrens voor sociale huurwoningen moet omhoog, zodat er meer mensen voor in aanmerking komen. Er moet een verkoopverbod van sociale huurwoningen komen. Wat ik daarnaast sympathiek vind zijn initiatieven in de marge. In Nijmegen is bijvoorbeeld een sociaal-woningbouw-collectief gerealiseerd, energie-neutraal en volledig ecologisch gebouwd. De bewoners hielpen zelf mee bij de bouw met stro en leem, samen met de woningbouwcorporatie. Ik heb er laatst gelogeerd. Het was echt super. Het verschil met de gangbare sociale huurwoningcomplexen is dat zij zeggenschap hebben over wie er komen wonen. En omdat ze zelf betrokken zijn bij het onderhoud betalen ze een lagere huur.”

Ik vind het kraakverbod gewoon dom.”

De actiegroep achter Het Woonprotest pleit voor het onteigenen van alle private grondbezitters en huisjesmelkers en voor de afschaffing van het kraakverbod. Hoe sta jij tegenover deze eisen?
“Ik vind het kraakverbod gewoon dom. Ook als je het vervelend vindt als je huis gekraakt wordt, kan je nog vanuit een meta-perspectief bedenken dat de dreiging die van kraken uitgaat goed is, omdat het helpt om leegstand te voorkomen.  
Het zou veel schelen als we het woningwaarderingstelsel veel strikter maken, de WOZ-waarde eruit halen en daarnaast streng handhaven. Dan wordt het voor huisjesmelkers veel minder aantrekkelijk doordat ze geen torenhoge winst meer kunnen maken. Want waar halen zij het recht vandaan om meerdere woningen te hebben? Die voormalig sociale huurwoningen die door beleggers zijn opgekocht zou ik het liefst weer onderdeel van de sociale huursector maken. 
Er is veel geld nodig om volkshuisvesting van de grond te krijgen. Het zijn investeringen voor de lange termijn. Het is een gemiste kans dat de pensioenpotten bij de pensioenherziening niet zijn gebruikt voor de transities die aanstaande zijn. In plaats van iedereen een individuele pensioenpot te geven had dat ook anders gekund. Destijds werden door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) zelf huizen gebouwd én het fonds financierde sociale woningbouw. Toen het ABP geprivatiseerd werd, kon dat niet meer.’

Is er een kanteling?
“Het neoliberalisme verliest zijn ideologische wervingskracht. Maar net als bij bestaanszekerheid is het de vraag welke concrete betekenis eraan gegeven wordt. Je hebt een gemeenschap van deskundigen nodig die bureaucratische posities gaan bezetten om iets te veranderen. En als je iets wilt veranderen heb je niet alleen ambtelijke macht nodig, maar ook politieke. Volstrekt logisch dat Verenigd Links nu onder leiding van Timmermans voor de regeringsmacht gaat.”

Hoe voorkom je zelf dat je bij de draaideurelite gaat behoren, zoals je deze in je proefschrift beschrijft?
“Dat was mijn grootste ongemak tijdens het schrijven. Ik heb daar geen goed antwoord op. Ik vind het een beetje een slap antwoord om te zeggen dat het erom gaat hoe integer je er zelf mee omgaat, want ja, dat zegt natuurlijk iedereen.

Direct heeft Links ook mensen zoals jij heel hard nodig om zaken te doordenken en te veranderen. Je bent behalve wetenschapper ook altijd politiek betrokken geweest en dat is best uitzonderlijk. Hoe kijk je aan tegen de toekomst en de samenwerking van de PvdA met GL? 
“Sociaaleconomisch lijkt me de klimaattransitie dé uitdaging in de komende decennia. Vergroening, duurzamer leven en produceren is een kwestie van bestaanszekerheid, van overleven. Dat hebben we bij het Van Waarde-project van de WBS (wetenschappelijk bureau van de PvdA) al duidelijk naar voren gebracht. En dat moet je als PvdA samen met GroenLinks doen.”

Naomi Woltring (Leeuwarden, 1984) studeerde politicologie en filosofie. Zij promoveerde in december 2023 en is als onderzoeker sinds september werkzaam bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis.
Woltring was in maart kandidaat voor de Eerste Kamer voor de PvdA op plek 9, promovenda politieke geschiedenis van 2017-2023 en ambtelijk secretaris van de Banning Vereniging van 2013-2016. Daarvoor werkte ze als wetenschappelijk medewerker bij de Wiardi Beckman Stichting waar ze meewerkte aan het Van Waarde-project. Tijdens haar studie was ze lid van het bestuur van de Jonge Socialisten in de PvdA en als scholier was ze actief bij Loesje van de posters. Ook zat ze in de redactie van de Aansteker, het toenmalige jongerenblad van het Nivon
.

Dit artikel verscheen origineel in Tijd&Taak, december 2023