Banningblog #21: Wonen

In december ben ik verhuisd. Tussen alle feestdagenhectiek door, dozen sjouwen, muren witten en vele rondjes milieustraat. Een activiteit die ik altijd, naast stressvol, als spannend en leuk ervaarde, door de nieuwe kansen en de mogelijkheid om de dagelijkse routine te doorbreken, was dit keer vooral stressvol. Niet alleen door de verhuizing zelf, maar vooral door de achterliggende reden.

Helaas was deze verhuizing niet door een mooie kans, na een zoektocht voor dat ene pareltje, maar was dit een verplichting door de keuzes van een verhuurbedrijf die ons het huis uit forceerde. De “afsterfregeling” noemde een bevriende jurist het. Het is voor verhuurders, vooral door de nieuwe huurwet, niet meer rendabel om een huis te verhuren en dus worden ze allemaal massaal verkocht. Funda staat nu vol met recent gerenoveerde huizen. Wat codetaal is voor een (vaak) gesplitste woning, standaard keukens en vloeren, en een energielabel D of lager omdat de verhuurder nooit een belang had bij verduurzamen.

Begrijp me niet verkeerd. Op zichzelf is deze ontwikkeling niet negatief. Malafide verhuurders worden uit de markt gedrukt en de verkoopmarkt heeft weer wat meer aanbod. Top! Ook ik, die nog steeds een huis zoekt, aast op die recent gerenoveerde huizen (wie weet kan ik mijn oude huis ooit nog terugkopen), ook al zijn die huizen nu twee keer zo duur dan vijf jaar geleden (never mind). Goede investering wel van die verhuurbedrijven.
En de bewoners dan? De huurders die met hun huurcontract zitten dat hen “beschermt”? Die worden dus langzaamaan, één voor één hun huis uit gewerkt. Verhuurders kunnen zich namelijk beroepen op hun weigerrecht. Ze zeggen dan gewoon “nope” tegen een nieuwe bewoner maar houden de huur gelijk. Dit is al snel voor de bewoners onbetaalbaar. Tip: dit kun je aanvechten! Als je daar je moeite (en geld) in wil stoppen tenminste. Wij besloten het voor drie maanden te slikken en ik woon nu tijdelijk ergens anders.

Dat is het schrijnende van zo’n nieuwe huurwet. Het doel om malafide verhuurpraktijken aan te pakken is nobel, maar er wordt te weinig vooruitgedacht over wat dit in de praktijk betekent voor bewoners. Er is geen vangnet ingebouwd in de wet. Nu heb ik geluk gehad. Ik mag tijdelijk wonen in het huis van een goede vriendin die voor langere tijd in het buitenland verblijft en hoef me daardoor geen zorgen te maken over een dak boven mijn hoofd. Mijn huisgenoten konden terug naar hun ouders. Maar wat als je dat vangnet niet hebt? Wat als je niemand hebt bij wie je kunt aankloppen? Dan word je één van de velen die langzaam maar zeker klem komen te zitten, door een systeem dat kraakt.

Alles verandert ineens ingrijpend en nu woon ik alleen. Dat is even wennen. De overgang van een huis vol prikkels en vanzelfsprekend sociaal contact naar een plek waar stilte de norm is en verbinding iets is wat je actief moet organiseren. Waarbij je niet zomaar iemand tegenkomt in de keuken, maar zelf de telefoon moet pakken om een afspraak te maken.

Juist in deze periode merk ik hoe belangrijk het is om naar elkaar om te blijven kijken. Ik kookte laatst voor mijn onderbuurvrouw, die kortgeleden haar man heeft verloren. Een klein gebaar. Tegelijkertijd pakte ik oude vriendschappen weer op, contacten die wat waren verwaterd.
In een tijd waarin verharding steeds zichtbaarder wordt en waarin systemen piepen en kraken, zit de oplossing in elkaar opzoeken. Die zit in het sociale vangnet dat we samen vormen. In mensen die hun handen uitsteken als het hen goed gaat, voor wie het even minder gaat. Want een tegenslag zit in een klein hoekje, en kan iedereen overkomen. Als de wet ons niet voldoende beschermt, dan zullen we dat zelf moeten doen. Waar systemen tekortschieten, begint solidariteit.

Joep Eijkenduijn