Wie verdient het Nederlander te zijn?

i 4 december 2018 door en

Tamar de Waal (1988) is politiek filosoof en jurist. Ze werkt als universitair docent rechtsfilosofie aan de Erasmus Law School, waar ze onderzoek doet naar de relatie tussen rechtsstaat en inburgering, integratie en democratisch burgerschap. In 2017 promoveerde ze op het proefschrift Conditional Belonging. We spraken Tamar over de effectiviteit van het inburgeringsbeleid, de spanning die dat beleid oproept rond de democratische rechtstaat, het politieke klimaat en mogelijkheden tot beïnvloeding. Het interview vond plaats vlak na Prinsjesdag.

Je gaf je proefschrift de titel ‘Conditional belonging’. Hoe vertaal je dat in het Nederlands en wil je iets vertellen over de inhoud?
De titel vertaal ik in het Nederlands met ‘voorwaardelijke acceptatie’, of misschien ‘voorwaardelijk erbij horen’. Mijn proefschrift omschrijft de wijzigingen in het inburgeringsbeleid sinds 1998. Die wijzigingen hebben verband met de manier waarop Nederland, samen met verschillende andere West-Europese landen, aankijkt tegen nieuwkomers en burgers met een niet-Europese, niet-westerse migratieachtergrond.

Het inburgeringsbeleid is in de afgelopen twintig jaar meer dan twintig keer gewijzigd. De vraag van de beleidsmakers was steevast: wat is de mate van individuele integratie die wij van nieuwkomers moeten verwachten voordat ze in Nederland mogen blijven? Beleidsbeslissingen worden niet genomen op grond van wetenschappelijk onderzoek naar welke methode het beste inburgering ondersteund. Het is daardoor feitenvrij beleid. In mijn proefschrift stel ik dat dit perspectief op integratie ook het inburgeringsbeleid is gaan bepalen, met averechtse effecten.

We bekijken mensen met een migratieachtergrond met het perspectief dat ze persoonlijk geïntegreerd kunnen zijn of niet. Als ze dat niet zijn, dan is het hen niet gelukt om bij Nederland te horen. Wanneer zo iemand een vlekje heeft, bijvoorbeeld als vroegtijdig schoolverlater of een crimineel, staat zijn of haar Nederlanderschap meteen ter discussie. Dit laatste speelt nooit bij personen zonder migratieachtergrond: natuurlijk kunnen zij hevig bekritiseerd worden, maar er wordt nooit over gediscussieerd of ze hier wel thuishoren. Bijna alle politieke partijen hangen deze manier van denken aan.

Hoe verklaar je dit?
Er zijn meerdere redenen. Nederlandse politici moeten werken met het Europese systeem waar familiemigranten en vluchtelingen recht hebben om te blijven, het is een recht en niet een gunst. Dat klinkt politiek niet heel goed, dus wat doen ze? Ze grijpen het instrument van inburgering aan. De inburgeringseisen stapelen zich op omdat dat het enige beleidsterrein is waar politici steeds voorstellen kunnen doen om te laten zien hoe zij met migranten omgaan. Het inburgeringsbeleid wordt aangegrepen om het debat over migratie vorm te geven. Daardoor zie je een systeem dat niet tot de beste resultaten leidt maar toch wordt ingevoerd. Jarenlang hebben we inburgeraars te veel aan hun lot overgelaten, omdat zij de volledige verantwoordelijkheid hebben voor hun inburgering en het halen van alle inburgeringsexamens. Bovendien bleek al snel dat inburgeraars helemaal niet teruggestuurd kunnen worden, omdat het vooral familiemigranten en vluchtelingen betreft. We gaven dus steeds minder ondersteuning aan groepen nieuwkomers in de samenleving die toch blijven.

Is er een oplossing?
We moeten meer voor gelijkwaardig burgerschap gaan staan. De oplossing die ik voorstel is dat je het inburgeringsbeleid moet loskoppelen van wetgeving die bepaalt wie verblijfsrechten of burgerschap krijgt. Het huidige inburgeringsbeleid werkt remmend. We laten alle inburgeraars urenlang in klassen zitten, omdat ze allemaal aan dezelfde taaleis moeten voldoen. Als ze vervolgens het examen niet halen krijgen ze hoge boetes, daardoor ontstaat veel stress. Ongeveer vijftig procent van de inburgeraars die via familiehereniging hier komt, haalt het examen. Bij vluchtelingen is dat ongeveer dertig procent.

Als je inburgering loskoppelt van verblijf en burgerschap kun je veel beter onderwijs en ondersteuning op maat aanbieden. Niet iedereen hoeft dan aan dezelfde eisen te voldoen, waardoor bijvoorbeeld sommige nieuwkomers zo gauw mogelijk kunnen doorstromen naar het hoger onderwijs en anderen basaal Nederlands leren begrijpen.

Vind je iets terug van je ideeën in de nieuwe plannen en de troonrede van dit kabinet?
In de troonrede werd wel iets gezegd over dat mensen zo snel mogelijk moeten gaan werken en de taal leren en dat het inburgeringsbeleid anders gaat worden. Dat zegt niet zoveel, maar er is dus wel aandacht. En er komt inderdaad een persoonlijk inburgeringsplan waarvoor de verantwoordelijkheid bij de gemeente komt te liggen. De huidige Minister voor Integratie, Wouter Koolmees, erkent dat het systeem niet werkt. Hij heeft duidelijk gezegd dat mensen te veel aan hun lot zijn overgelaten. Dat zegt de PvdA nu ook. De nieuwe plannen worden in 2020 ingevoerd. Dat is positief. Maar al die examens en boetes blijven, er komt een persoonlijk inburgeringsplan bij en alle vier de taalexamens gaan één niveau omhoog. Dit terwijl grote groepen al veel moeite hebben met het huidige vereiste taalniveau.
Voor de averechtse praktische gevolgen van het inburgeringsbeleid is dus wel aandacht, maar men is politiek bang om te breken met het idee dat mensen hun burgerschap moeten verdienen. Zo luidde de eerste zin van de paragraaf van het regeerakkoord over inburgering: ‘Nederlanderschap moet verdiend worden’.

Wat wel beter gaat is het verzamelen van feiten over inburgering. Over het verhogen van de taaleis is door docenten, ambtenaren en wetenschappers gezegd dat het beter zou zijn om dat niet te doen. Maar het stond in het regeerakkoord en daardoor was het on-onderhandelbaar. Er komt wel meer begeleiding, tegen minder kosten voor de inburgeraar. Het wordt praktisch gratis, als ik het goed begrijp.

Je bent actief met je stichting Civic. Wil je daar iets over vertellen?
Ik heb Stichting Civic opgericht als wetenschappelijke denktank om uit te zoeken welk beleid voor nieuwkomers nu ‘werkt’. We verzamelen wetenschappelijke studies, doen onderzoek en proberen dit inzichtelijk te maken voor een breder publiek. Dit doen we vanuit een Inburgeringslab aan de Vrije Universiteit, bij hoogleraar Halleh Gorashi.

Daarnaast onderzoeken we mogelijkheden tot strategisch procederen. Zo is het opvallend dat nieuwkomers die hun examens niet halen, hun antwoorden niet kunnen inzien om te zien wat ze goed en fout hadden. Verder onderzoeken we of er sprake is van discriminatie bij het inburgeringsexamen buitenland. In het algemeen hopen we een informatiepunt te worden, bijvoorbeeld voor gemeenten en advocaten, waar ze informatie kunnen vinden over de maatschappelijke en juridische kanten van de huidige inburgering en mogelijke, betere alternatieven.

De fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer pleitte tijdens het debat over de Miljoenennota voor het dubbel straffen van mensen in wijken met veel criminaliteit en waar meer dan 50% niet-westerse migranten wonen. Hoe beoordeel jij deze uitspraak?
De fractievoorzitter van de VVD, Klaas Dijkhoff verdedigde zijn beleid van dubbele straffen in bepaalde postcodegebieden met de verklaring dat in die wijken een integratieprobleem is. Dit bleek tijdens de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer na een vraag van Marijnissen of in witte wijken met hoge criminaliteit deze maatregel dan ook niet zou helpen. Toen antwoordde hij: ‘Ja, maar daar is geen integratieprobleem’. De combinatie van criminaliteit én een vermeend integratieprobleem legitimeert andere maatregelen voor deze wijken. Dat is volstrekt niet rechtsstatelijk, discriminerend en ook praktisch niet te verdedigen.

Klaas Dijkhoff heeft de afgelopen tijd ook andere problematische proefballonnetjes opgelaten, die juridisch onhoudbaar zijn. Hij stelde bijvoorbeeld voor om vluchtelingen op te vangen, hen vijf jaar te laten blijven en dan terug te sturen of in een kamp op te vangen als ze niet bevallen. Wie wel past mag blijven. Juridisch is dat volstrekt onmogelijk. Ik vind dat heel opvallend, want hij is gepromoveerd jurist en weet, vermoed ik toch, heel goed dat dit allemaal niet kan.

Dit is een bijdrage van Evelien Polter en Joke van der Neut.