Waarom geven we de leerlingen de schuld? Interview met Inge de Wolf

i 17 februari 2017 door

In Nederland gingen we er vanuit dat bij selectieprocessen in het onderwijs iemands capaciteiten bepalend zijn en niet diens afkomst, huidskleur of geslacht. Maar bereiken de slimste kinderen nog steeds het hoogste opleidingsniveau? Wordt het onderwijs een steeds belangrijker scheidslijn in de samenleving? Daarover interviewen we Inge de Wolf. Zij is coördinerend inspecteur bij de Inspectie van het Onderwijs en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht. Ze is verantwoordelijk voor de Staat van het Onderwijs, het jaarlijkse verslag van de onderwijsinspectie over de stand van zaken in het Nederlandse onderwijs.

Inge de Wolf (foto: David Jagersma)

Stel je hebt twee even intelligente jongeren: een dochter van een specialist in een ziekenhuis en een dochter van een ziekenverzorgende. Wie maakt de meeste kans om medisch specialist te worden?
Al heel vroeg in de schoolloopbaan begint de ongelijkheid in kansen. De ene dochter zal naar een kinderdagverblijf gaan waar allerlei activiteiten worden aangeboden. Bij de ander zal in de privésfeer gezocht worden naar opvang. Bij een gelijke Citoscore na de basisschool zal de één een havo- vwo advies krijgen en de ander een vmbo-t advies. De dochter van de medisch specialist gaat in vakanties naar New York en Rome en krijgt indien nodig bijles, de dochter van de verzorgende vindt een bijbaantje als oppas. Na het voortgezet onderwijs gaan deze meisjes beroepsopleidingen volgen die waarschijnlijk lijken op de beroepen van hun moeders terwijl zij aan het einde van de basisschool een gelijke intelligentie hadden. Ik maak me echt zorgen over het achteruitgaan van die gelijke kansen sinds 2010. We zien dat het bij de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs echt mis gaat. Ouders die een universitaire opleiding hebben springen in de statistieken overal bovenuit. Van hun kinderen wordt het schooladvies voor het voortgezet onderwijs na de basisschool vaker naar boven bijgesteld, zij doen vervolgens een strategische schoolkeuze. Hun kinderen gaan naar categorale gymnasia, vwo’s, havo’s. Deze ouders kunnen het wellicht niet verkroppen als hun kind lager is opgeleid dan zijzelf.

Is de kansenongelijkheid toegenomen?
“Vanaf 2010 zien we dat de kansenongelijkheid sterk is toegenomen. Sinds die tijd krijgen steeds meer leerlingen met een havo score op de Citotoets een vmbo advies als ze laag opgeleide ouders hebben. Ik was laatst op een basisschool in Amsterdam Zuidoost en een leerkracht uit groep acht vertelde me dat zij haar leerlingen bewust een lager advies voor het voortgezet onderwijs geeft om hen een succeservaring in het voortgezet onderwijs te geven. Het lijkt aardig maar ze stelt de verwachtingen van deze kinderen naar beneden bij en ze ontneemt hen daardoor kansen. Uit onderzoek blijkt dat wanneer kinderen een hoger advies krijgen, ze dat vaak ook waarmaken. “

“Afkomst speelt een veel grotere rol dan we denken.” Is het toeval dat de onderwijsinspectie nu tot deze conclusie komt?
In de onderwijssociologie werd altijd beweerd dat het onderwijs een emancipatiemachine was. Veel wetenschappelijke collega’s zeiden dat het geen zin had om trends te onderzoeken, want sinds 1900 nam, naar hun overtuiging, de ongelijkheid af. Niemand had daardoor meer naar de recente trends gekeken. Voorheen beschikten we ook niet over goede gegevens over achtergronden van leerlingen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek had die gegevens wel. Vorig jaar mochten we voor het eerst op hun computers rekenen. Leerlingen die wij volgen koppelden we aan het opleidingsniveau van hun ouders. Toen we naar de resultaten keken waren we zeer verrast.

Mensen geloven dat ze hun lot zelf in de hand hebben. Hoe kijk jij daar tegen aan?
Ik vind het in het Nederlandse onderwijs bizar dat, als een leerling een niveau niet haalt, hij of zij daar zelf de schuld van krijgt. Ik heb meegedaan aan het onderzoek naar het Nederlands onderwijsstelsel door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Daaraan deed ook een oud-onderwijsminister van Polen mee en hij bleef maar vragen: ‘Inge, Why do they blame the students?’ Volgens hem geven ze in geen enkel ander land de leerlingen de schuld van hun afstroom. Het falen is in Nederland een probleem voor de laag presterende jongere en zijn ouders, niet voor de school. Slagen is een persoonlijke competentie van de geslaagde, rijke, gezonde leerling en de maatschappelijke en economische achtergronden verdwijnen naar de achtergrond en worden gebagatelliseerd.

In het verkiezingsprogramma van de PvdA zie je een aantal onderwerpen terug die in de Staat van het Onderwijs aangekaart werden. Van welke verwacht je het meest?
Met de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs moet iets gedaan worden. Dat is een belangrijk sleutelmoment. Je moet je afvragen waarom leerlingen op hun twaalfde in zes niveaus ingedeeld worden. Als een twaalfjarige eenmaal in z’n stroom zit, is het heel moeilijk om nog over te stappen. Afzakken kan wel, opstromen is veel moeilijker. Een brede brugklas in de eerste en tweede leerjaar van het voortgezet onderwijs kan de ongelijkheid misschien minder maken, maar dan moeten de leerlingen daar wel onderwijs op een hoog niveau aangeboden krijgen.

In de media wordt regelmatig melding gemaakt van segregatie en spanningen in het onderwijs. De minister ziet een belangrijke taak voor burgerschaps- en culturele vorming maar er is geen wettelijk kader voor het vak. Deze vorming wordt geheel aan de scholen overgelaten. Hoe kijk je daar tegen aan?
Het belang dat gehecht wordt aan burgerschap drukt de wetgever uit door wel of geen verplicht kader te stellen. Door het ontbreken van een dergelijk kader voor burgerschap worden scholen opgezadeld met veel ruimte. Ik vraag me af of dat in het belang is van de leerling.

De belangenverenigingen van de verschillende onderwijssectoren zoals de PO-, VO- en MBO Raad hebben niet als hoofdbelang ongelijkheid terug te dringen. Zij willen het liefst de ‘beste’ leerlingen binnenhalen om zo hun diplomarendement veilig te stellen. Zou de macht in het onderwijs niet meer bij de minister moeten liggen? Het Ministerie van Onderwijs legt verantwoording af aan de politiek, dat doen die Raden niet.
Vanuit mijn inspectie positie laat ik vooral zien wat er gaande is, namelijk een toename van ongelijkheid van kansen door opleidingsverschil tussen ouders; het beleid om dit te veranderen moet van de minister en de politiek komen.

Evelien Polter, met medewerking van Joke van der Neut.

 

Dit is een bijdrage van Evelien Polter.