Existentiële vraag, pragmatisch antwoord? Verslag bijeenkomst vrijwillig levenseinde.

i 6 november 2017 door

Onlangs organiseerde het Netwerk PvdA en Levensovertuiging een avond over het voltooid leven. Onder de noemer voltooid leven – een onvoltooid debat? ging een dertigtal aanwezigen na inleidingen van Agnes Wolbert en Dirk Achterbergh in gesprek met elkaar over het thema. Voornaamste conclusie van het gesprek was dat – mede door het initiatief van D66 te komen tot een wet naast en in aanvulling op de bestaande euthanasiewetgeving – de discussie zich momenteel dreigt te versmallen tot het zoeken naar praktische oplossingen voor de doodswens van mensen. Dat is onwenselijk. Een verslag.

Door Chantal Robbe en Maarten van den Bos

De aanwezigen verzamelden zich op de avond van dinsdag 12 september in de Raadszaal van het Utrechtse Stadhuis om te praten over een thema dat de afgelopen jaren nadrukkelijk in de belangstelling staat: het levenseinde. Spreker Agnes Wolbert – langjarig Tweede Kamerlid voor de PvdA en nu directeur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde – herkende dat ook uit haar beroepspraktijk. Toen zij als Kamerlid bijeenkomsten organiseerde over het thema en nu zij als directeur van de NVVE regiobijeenkomsten bezoekt, telkens is de belangstelling overweldigend. ‘Er wordt een generatie ouder die heel bewust bezig is met het eigen levenseinde, met het sterven. Dat op zichzelf is al een belangrijk gegeven’, aldus Wolbert. Achterbergh sloot zich bij die conclusie aan. Er is een reële doodswens bij een groep mensen, daar moeten we als samenleving over nadenken.

In zijn bijdrage ging Dirk Achterbergh in op het begrip autonomie. Dat wordt niet zelden uitgelegd als volledige zelfbeschikking; een mens is autonoom als hij alles voor zichzelf kan uitmaken. Alleen, zo werkt de wereld niet. Autonoom zijn mensen immers altijd alleen in relatie tot anderen. Het is daarmee een relationeel begrip, zeker als mensen hun doodswens ook bij de samenleving neerleggen. Zij geven aan geholpen te willen worden met sterven, dat maakt het levenseinde tot een politiek en maatschappelijk vraagstuk. Dat vraagstuk is bovendien uiterst complex omdat de ouderenzorg momenteel niet op orde is. Niet als gevolg van bezuinigingen of beleid, maar door diepgravende demografische en medische transformaties. Mensen, zo betoogt Achterbergh ook elders in dit nummer, worden door een combinatie van factoren veel ouder. Dat ouder worden gaat gepaard met zorgen, zorgen over gezondheid en maatschappelijke positie, eenzaamheid en aftakeling. In die context is het niet gemakkelijk te praten over levensbeëindiging alleen omdat mensen hun leven voltooid achten. Als de oude dag immers omgeven is door zorgen kan het levenseinde soms te snel in beeld komen als mogelijke oplossing.

Toch vindt Achterbergh dat ook deze discussie gevoerd moet worden en dan bij voorkeur in de context van de huidige wetgeving. Er zou een debat op gang gebracht moeten worden in hoeverre mensen met een doodswens die niet direct veroorzaakt wordt door ziekte toch geholpen kunnen worden binnen de kaders van de huidige wet. Een discussie, aldus Achterbergh, waarvoor ook artsen zich wat nadrukkelijker open zouden moeten stellen.

In haar bijdrage komt Wolbert hierop terug. De wet, stelt zij, toetst de rechtmatigheid van een levensbeëindiging aan twee criteria: lijden moet uitzichtloos en ondragelijk zijn. Het eerste is een medisch vraagstuk, is iemand zo ziek dat hij nooit meer beter wordt. Of lijden ondragelijk is, is echter veel meer een persoonlijke vraag. Wat voor de een ondragelijk is, is dat voor de ander niet. Juist omdat in de huidige wetgeving een dergelijke persoonlijke afweging nu al een rol speelt, zou binnen de context van de huidige wet bekeken kunnen worden hoe mensen die het leven voltooid achten hulp kunnen zoeken. Dat debat zou gevoerd moeten worden.

Het zou wellicht kunnen voorkomen dat de discussie nog verder gepolariseerd raakt dan deze nu al is. Waar in Nederland betrekkelijk lang met grote zorgvuldigheid over levensbeëindiging gedebatteerd werd, valt Wolbert de laatste tijd steeds vaker op hoe stevig het debat geworden is. Voor- en tegenstanders van bijvoorbeeld een nieuwe wet die het beëindigen van een voltooid geacht leven mogelijk maakt, reageren heftig op elkaar. Voor de NVVE is dat soms een probleem, je wordt al snel in een bepaalde hoek gepositioneerd. ‘Terwijl ons voornaamste uitgangspunt, dat niemand die wil sterven alleen gelaten mag worden, toch eigenlijk eenieder zou moeten aanspreken’, meent Wolbert.

Bovendien dreigt de discussie over het levenseinde te veel een gesprek te worden onder hoger opgeleide, welvarende, autochtone Nederlanders. Daarin schuilt het gevaar dat voor sommigen een goede stervensbegeleiding toegankelijker is dan voor anderen. Mensen die wellicht wat moeilijker hun wensen onder woorden kunnen brengen hebben dan een achterstand, terwijl dit toch een vraagstuk is waarover iedereen het gesprek moet kunnen aangaan, ook als dat niet direct gaat in de termen of op de manier die we als maatschappelijk geaccepteerd beschouwen. Er mag geen kloof ontstaan tussen mensen met toegang tot hulp en mensen zonder die toegang.

In het gesprek achteraf viel vervolgens op dat het al snel ging over praktische vragen. Is een nieuwe wet wel nodig en hoe zou de samenleving met de doodswens van mensen kunnen en moeten omgaan. Erik Jurgens, die eerder een beschouwing schreef over dit vraagstuk in Socialisme en Democratie herhaalde de daarin gedane oproep om het gesprek verder te voeren op basis van een concrete wettekst. Dan kon vanzelf verder doorgedacht worden over morele en juridische haken en ogen die daaraan kleefden. Maar, riposteerde Frits Hendriks daarop, gaat het hier niet om zodanig existentiële vragen dat we juist voordat we praten over praktische oplossingen het eerst moeten hebben over de ethiek van dit alles?

Tot een daadwerkelijke conclusie kwam het vervolgens niet. Wat het gesprek echter wel duidelijk maakte, is dat een verder doordenken van begrippen als autonomie, afhankelijkheid, zelfbeschikking en waardig ouder worden hoognodig is. Daarbij is het wenselijk het debat van haar stekeligheid te ontdoen en toegankelijk te houden voor iedereen. En ondertussen moet er blijvende aandacht uitgaan naar mensen die – op welke grond dan ook – wensen te sterven. Want als alle aanwezigen een uitgangspunt met elkaar leken te delen was het wel dat niemand daarbij alleen mag komen te staan.

Dit is een bijdrage van Banning Vereniging.