Culturele verheffing in de Partij van de Arbeid

i 12 december 2014 door 'tags: , , ,

Tijdens een bijeenkomst van Trefpunt PvdA en levensovertuiging over cultuur hield Nienke van Heukelingen, medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, een korte presentatie. Zij ging in op het onderzoek naar sociaal-democratische kunst- en cultuurpolitiek voor de Wiardi Beckman Stichting en de Radboud Universiteit Nijmegen. De tekst van haar presentatie kunt u hieronder teruglezen.

Nienke van Heukelingen sprak tijdens een bijeenkomst van Trefpunt over cultuur op 17 november 2014.

Nienke van Heukelingen sprak tijdens een bijeenkomst van Trefpunt over cultuur op 17 november 2014.

Culturele verheffing in de Partij van de Arbeid

‘Dat ieder individu zijn talenten kan ontplooien, in de samenleving tot zijn recht kan komen en zich gezien mag weten. (…) Het van meet af aan verruimen van de geestelijke horizon. Lezen, goed onderwijs genieten, de natuur verkennen, actieve cultuurbeoefening en deelgenoot worden aan de schoonheid van kunsten.’

Met deze passage pleitte Monika Sie Dhian Ho, directeur van de Wiardi Beckman Stichting (WBS), in 2013 voor een hernieuwing van het culturele verheffingsideaal, een belangrijk element van de sociaal-democratische kunst- en cultuurpolitiek. Maar wat houdt het ideaal precies in? En in welke vormen zien we het terug in de PvdA?

In deze presentatie zal ik kort iets vertellen over culturele verheffing in de sociaal-democratie. Dat zal ik doen aan de hand van drie bepalende periodes: het interbellum, de jaren zestig en de jaren tachtig.

Het interbellum

Een van de belangrijkste architecten van een actieve overheidspolitiek op het gebied van kunst en cultuur is de sociaal-democraat Emanuel Boekman. Afkomstig uit een arm Joods Amsterdams gezin werd hij in het interbellum een beeldbepalende en succesvolle SDAP-wethouder met de portefeuilles Onderwijs en Kunstzaken. Zijn betekenis voor de Nederlandse kunst- en cultuurpolitiek wordt echter niet alleen bepaald door zijn bestuurlijke nalatenschap, maar tevens door zijn proefschrift OverheidenkunstinNederland (1939). Het is de eerste wetenschappelijke studie over de relatie tussen overheid en de kunsten in Nederland en in het laatste hoofdstuk ‘Perspectieven’ sluit Boekman af met een opdracht voor de sociaal-democratie:

‘Het creëren van een cultuurpolitiek die de toegang tot de burgerlijke cultuur bevordert door middel van spreiding en ruime participatiemogelijkheden om de ‘menschheid’ op een hooger plan van beschaving te brengen.’

Vrij vertaald ging het Boekman om het bevorderen van de zin voor schoonheid bij de massa van het volk en het wijzen van de weg naar een verfijnd kunstgenot, ook wel culturele verheffing genoemd. Om dat punt te bereiken, zou de mens eerst over voldoende cultureel kapitaal moeten beschikken dat hij of zij op zou moeten doen door middel van cultuureducatie. Boekman pleegde vlak voor de oorlog zelfmoord en was dus niet in staat om zijn cultuurpolitieke visie te realiseren, maar zijn ideeën omtrent culturele verheffing zien we op verschillende momenten in de PvdA-geschiedenis terugkeren.

Jaren zestig

De eerste sprong die we maken, is naar de jaren zestig. Vanaf dat moment zien we dat de invulling van culturele verheffing, zoals Boekman die bedoelde, veranderde. Cultuurpolitiek vormde niet langer een middel tot het opvoeden van het volk, maar kwam in het teken te staan van ‘persoonlijke ontwikkeling en vorming’. Deze verandering stond overigens niet op zichzelf, maar kunnen we plaatsen in een groter geheel, namelijk de revolutie van de jaren zestig. De protestgeneratie – in de PvdA met name verwoord door Nieuw Links – constateerde dat het economisch denken de maatschappelijke ontwikkelingen domineerde en dat er te weinig aandacht was voor kunst en cultuur als drijvende krachten. Deze groepering zette zich sterk af tegen het door de elite bepaalde cultuurbeleid en de daarmee verbonden schoonheidslegitimatie. Niet wat de overheid goed achtte, maar wat de meerderheid van de bevolking wenste moest het uitgangspunt van beleid worden. De arbeidersklasse mocht weer trots zijn op de eigen volkscultuur en zich daarin naar eigen gelang ontwikkelen. Zelfexpressie en zelfinvulling vormden hierin de kernwoorden. Illustratief is hierin de benadering van ‘massacultuur’. De partij stond in de jaren vijftig nog sterk afwijzend tegenover deze cultuurvorm, omdat het stond voor het vermaak van een ‘geesteloze groep Nederlanders’, terwijl het in de jaren zestig synoniem werd gesteld aan een moderne en voor een zeer breed publiek herkenbare amusementvorm.

Langzaam verdween de paternalitische toon dus uit het cultuurpolitieke debat en hiermee verloor de elite de greep op cultuur en de door haar bepaalde doelstellingen. De burger was geëmancipeerd, zo was de gedachte, en zou zelf voortaan wel uitmaken wat wel en niet goed voor hem of haar was. Naar het idee van de PvdA moest de overheid in dat proces behulpzaam zijn en de burgers ondersteunen in het creëren van welzijn, maar mocht zij tegelijkertijd niet al te dwingend optreden. Dat werd simpelweg niet langer nodig geacht.

Cultuur werd naar aanleiding van deze ontwikkelingen in dienst geplaatst van het welzijnsdenken, oftewel het geestelijke welzijn van het volk. Zij werd daarmee onderdeel van de brede Nederlandse verzorgingsstaat.

Jaren tachtig

We sluiten af met de jaren tachtig. Naar aanleiding van de Schiedam-affaire, die plaatsvond in 1979, werd het verheffingsideaal opnieuw anders ingevuld. Wat was het geval? Twee PvdA-bestuurders uit Schiedam kwamen op het idee om de Cobra-collectie van het plaatselijk museum te verkopen en de opbrengst in buurthuizen te steken. De affaire werd in het licht van het verregaande welzijnsbeleid geplaatst waarin de partij veel te ver zou zijn gegaan. Een quote uit S&D uit 1980 illustreert de gedachte uit die tijd:

‘Bestrijden van ongelijkheden, opheffen van achterstandsituaties, vrijheid door gelijkheid, allemaal thema’s die door het PvdA-denken doortrekken. (…) Men kan deze thema’s echter ook te onpas aanroepen, en dat is wat er gebeurde in Schiedam: op grond van begrijpelijke en respectabele motieven meende men daar, dat een ‘elitaire’ collectie, maar moest wijken voor een bevattelijke tentoonstelling over warmte-isolatie.’

De affaire toonde volgens critici dat er onder het mom van welzijnslegitimaties verkeerde keuzes gemaakt konden worden. En menig sociaal-democraat haastte zich om de suggestie weerzinwekkend te noemen. De gedachte: cultuur moest een andere functie in de maatschappij toebedeeld krijgen, ver weg van het welzijnsbeleid. Als reactie op alle commotie nam de partij afstand van de welzijnstaak die zij zichzelf halverwege de jaren zestig had opgelegd. In het politieke debat kwam een nieuw sleutelwoord: culturele emancipatie, die uitging van een toenemende mondigheid, een meer onafhankelijke opstelling, een grotere flexibiliteit van burgers.

Er werd vanaf dat moment niet langer een beroep gedaan op brede welzijnsidealen, maar de doelen werden bescheidener en vooral praktischer: respect voor pluriformiteit, waarborgen van kwaliteit en toegang voor iedereen tot kunst en cultuur. In dat proces, zo was de gedachte, mocht de overheid niet dirigeren maar moest zij voorwaarden creëren voor een bloeiend artistiek en cultureel leven.

Conclusie

Terugblikkend zien we dat het culturele verheffingsideaal – het bevorderen van de zin voor schoonheid bij de massa van het volk en het wijzen van de weg naar een ‘verfijnd kunstgenot – tussen 1945 en 1993 twee keer invulling is veranderd: in de jaren zestig (van culturele opvoeding naar persoonlijke vorming) en de jaren tachtig (van persoonlijke vorming tot culturele emancipatie).

Daarbij moet wel vermeld worden dat de veranderingen beide keren ingebed lagen in een reeks van ideologische vernieuwingen die de PvdA partijbreed doorvoerde en waarin we zien dat de invulling van culturele verheffing volgens de uitgezette koers meebewoog en geen voortrekkersrol vervulde.

Door Nienke van Heukelingen

Dit is een bijdrage van Banning Vereniging.