IS HET KABINET ER VOORAL VOOR DE BASISSCHOOLLERAAR OF VOOR DE BONUSBANKIER?

i 1 juni 2018 door

Tijdens politieke cafés van de afdeling Amsterdam sprak Thomas von der Dunk de afgelopen jaren een column uit. Deze gesproken bijdragen en zijn stukjes op zondag op de website van de Volkskrant verrassen door hun originele invalshoeken. In één van de columns, vlak voor de landelijke verkiezingen in 2017, sprak hij zich uit tegen het opnieuw regeren met de VVD. Wanneer de PvdA dat wel zou doen, dan zou hij zijn lidmaatschap opzeggen. Nieuwsgierig naar het waarom van deze uitspraak interviewde ik hem.

Ben je nog lid van de PvdA?
Ik ben nog lid, een beetje slapend. Er is iets in mij kapot gegaan in 2014-2015. Dat kwam door een aantal besluiten van het kabinet Rutte II die ik totaal onverdedigbaar vond. Het ging mij om de afbraak van de rechtsbijstand, waardoor de gewone burger of middenstander de gang naar de rechter kan vergeten. Onbegrijpelijk vond ik de voordeurdelerskorting die bijstandsgerechtigden kregen opgelegd als ze hun ouders in huis haalden. Ook het verminderen van de subsidies aan de sociale werkplaatsen stuitte me tegen de borst. Het aan banden leggen van de vrije artsenkeuze was voor mij onacceptabel. Tenslotte vond ik wat Dijsselbloem deed in de EU als het ging om Griekenland buiten proporties. Het volledig kiezen voor de strakke monetaire lijn in de EU ging recht tegen sociaaldemocratisch uitgangspunten in. Wat me het meeste raakte was een uitspraak van Samsom, die na de Statenverkiezingen zei dat de uitslag er niet toe deed, het regeringsbeleid werd ondanks die uitslag voortgezet. Asscher zag dat er een probleem lag, Samsom was alleen maar bezig om ‘het land te redden’. Asscher heeft wel getracht sociaaldemocratisch beleid te voeren door bijvoorbeeld het vaster maken van flexbanen. Hij was er minder op uit om aardig gevonden te worden door de coalitiepartner, meer bereid om ergens voor te knokken. Terwijl Samsom teveel dacht aan de harmonie binnen het kabinet.

In één van je columns stel je dat door de ondergang van het communisme de markt heilig is verklaard. Hoe zie je dat?
Het was de heilzame angst voor het communisme die de economische toplaag tot sociaal fatsoen dwong en zo na 1917 de opbouw van een beschaafde samenleving mogelijk heeft gemaakt. Het was de angst voor de revolutie die aan sociaaldemocraten de mogelijkheid gaf om de macht van het kapitaal te temmen. Met de ondergang van de Sovjet-Unie is die angst verdwenen en is het onbeschaamde egoïsme van de miljonairskaste weer terug. Dit is geen natuurverschijnsel, maar het gevolg van de heiligverklaring van de markt waarmee willens en wetens de staat is afgebroken. De financiële sector dicteert de politiek en de politiek zelf gaat nergens meer over. De vrije markt heeft voor maatschappelijke fragmentering gezorgd, waarbij de kiezers als individuele consumenten met de schijnkeuze tussen tien merken wasmiddelen zijn opgezadeld. Burgers hebben collectief niets meer over de inrichting van hun eigen samenleving te zeggen. Doordat de sociaaldemocraten te lang in het neoliberale waandenken zijn meegegaan, vertaalt de electorale woede bij de minder welvarende kiezers zich nu in de groei van extreem-rechts.

Wat is er de laatste dertig jaar veranderd voor werknemers?
Mensen hebben vaak niet meer één beroep, één rol en één opdrachtgever. Daardoor kan er belangenverstrengeling, corruptie en vriendjespolitiek ontstaan. Iemand als vicepresident van de Raad van State Piet Hein Donner heeft altijd in loondienst gewerkt, met een volle baan, waar er geen mogelijkheden voor bij verdiensten waren. Voor hem was het makkelijk om integer te zijn. Ik ben zelf zzp-er en ik sta zelf wel eens voor de vraag of mijn onafhankelijkheid in het geding is bij een opdracht van bijvoorbeeld een Ministerie. De verleiding van het goed geld verdienen is groot. Intussen worden maatschappelijke problemen, van welke aard dan ook, steeds persoonlijk gemaakt. Dat is ook typisch wat Rutte doet. Je moet je maar invechten, het ligt allemaal aan je eigen inzet. Terwijl duidelijk is aangetoond dat bij onderzoek naar de praktijken van de uitzendbureaus bijna de helft van die bureaus wilde meewerken aan het weren van mensen met een migratieachtergrond.

Wat is er bij de overheid veranderd?
Bij overheidsinstellingen is de markt centraal komen te staan, het gaat daar om de centen. Naar buiten toe met opgeblazen reclametaal van wij zijn de besten, excellent en super. Gewoon goed is niet meer voldoende. Intern mag er niemand buiten de pot pissen want dat schaadt het merk. Dat zie je bij scholen, ziekenhuizen en het leger. Kritiek van onder dringt niet door naar boven omdat er tussenlagen zijn die die kritiek dempen. De bestuurders praten niet open over de bedrijfsvoering. Het hogere management komt niet voort uit de scholen of universiteiten zelf, het zijn geen praktijkmensen. Zij kunnen de kwaliteit niet beoordelen omdat ze daar geen verstand van hebben. Bij hen gaat het om de kwantiteit. Een voorbeeld daarvan is Pieter Duisenberg die, van VVD Kamerlid zonder enige wetenschappelijke prestatie, voorzitter werd van de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten. Dat soort bestuurders functioneert als een echoput voor het Haagse kwantiteitsdenken.

Hoe zie je de politieke toekomst?
Ik denk dat het vertrek van de Britten uit de EU een zege kan zijn. Ik verwacht een verandering van de eenzijdige vrije handel en een aanpak van de belastingparadijzen. De kloof tussen de Angelsaksische wereld, waar Nederland vanouds als voorbeeld naar kijkt, en het Europese continent wordt steeds groter. De droom van de neoliberale Brexiteers die nu de toon zetten in Groot-Brittannië staat daar haaks op: die behelst de omvorming van hun eiland tot een soort fiscale vrijbuitersstaat voor de Europese kust die, dankzij forse belastingverlaging voor rijken en bedrijven, ervoor moet zorgen dat Britannia rules the waves again. De prijs zullen zij betalen die, van de daarmee verder afgebroken, collectieve voorzieningen afhankelijk zijn.
Engeland heeft eigenlijk alleen nog maar een sterke financiële sector. Onder Margaret Thatcher is men overgegaan op de dienstverlening. De maakindustrie is in Groot-Brittannië helemaal verdwenen in tegenstelling tot die in Duitsland. Dat land ziet zichzelf als een industrienatie, de vrije markt is daar minder sterk. Het kent een sterke maakindustrie van nuttige spullen, of het nu auto’s zijn of wasmachines. Die maakindustrie is nog steeds de kracht van de Duitsers. Zij zijn veel meer een egalitair, burgerlijk land dan het nog half-feodale Engeland.

Wat dreigt, is dat ook andere landen zich door fiscale concurrentie tot een verdere sociale race to the bottom genoodzaakt zien, iets waarop de Haagse coalitie met de verlaging van de vennootschapsbelasting alvast een voorschot neemt. Het is die onzekerheid aan de onderkant die het populisme electoraal voedt. Het wordt de morele hamvraag voor de nieuwe coalitie, die verder reikt dan de Nachtwacht en het Wilhelmus: is zij er straks meer voor de basisschoolleraar of vooral voor de bonusbankier?

Thomas H. von der Dunk (1961) is cultuurhistoricus, publicist en politiek commentator. Na zijn studie kunstgeschiedenis in Amsterdam en promotie in Leiden (1994) vestigde hij zich als zelfstandig publicist. Hij schrijft in wetenschappelijke vaktijdschriften over thema’s uit de Nederlandse, Duitse en Europese architectuur- en cultuurgeschiedenis van de zestiende tot de negentiende eeuw, en in kranten en op internet over actuele onderwerpen uit de nationale en internationale politiek. Sinds 2007 is hij als gastonderzoeker verbonden aan de vakgroep Europese Studies van de Universiteit van Amsterdam. Bij uitgeverij Vantilt verschijnt in mei Zuid-Tirol is niet Italië̈! Een honderd jaar oud Europees grensgeval. In dit boek toont Von der Dunk aan dat gevoelens van eenheid en identiteit niet kunnen worden opgelegd door een nationale regering. Von der Dunk is al jaren lid van de Partij van de Arbeid.

OMZIEN IN VERWONDERING

i 23 mei 2018 door

De geschiedenis van de Banning Vereniging reikt ver terug, onze vereniging komt voort uit de in 1919 opgerichte Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers en bestaat dus volgend jaar honderd jaar. Maar waarom is het eigenlijk zinvol om zo ver terug te kijken, hoe veel gewicht kennen we die geschiedenis toe? Een poging te komen tot een antwoord aan de hand van drie recent verschenen boeken en de onlangs door Lodewijk Asscher uitgesproken Banning Lezing.

In zijn op 21 februari uitgesproken Banning Lezing opende Lodewijk Asscher met de constatering dat voor Willem Banning de regel opgaat: hoe meer je van hem weet, hoe actueler hij wordt. Dat was een opvallende constatering. De conclusie dat het denken van Banning iets was van een voltooid verleden tijd, ooit door Joop den Uyl getrokken ter gelegenheid van een bijeenkomst over ‘honderd jaar Banning’ in 1987, lijkt immers nooit meer gecorrigeerd. De naam Willem Banning ligt weinigen in de PvdA nog voor in de mond. In de discussie over de centrale waarden van de sociaaldemocratie valt de naam Banning bijvoorbeeld vrijwel nooit. En ook buiten de Nederlandse sociaaldemocratie zijn het eigenlijk voornamelijk historici die nog wel eens over Banning spreken of schrijven. De gedachte dat diens werk ook vandaag de dag nog zeggingskracht heeft, kom ik daarbij zelden tot nooit tegen.

Zeer recent verscheen echter een boek waarin Banning en de Woodbrookers ten voorbeeld gesteld worden voor de tijd waarin we leven. De auteur, bestuurskundige Tanja Abbas, gaat in dit boek op zoek naar antwoorden op de vragen die onze verwarrende tijden stellen. De traditie van de Woodbrookers en het denken van Willem Banning worden door haar gepresenteerd als loodsmannen bij de noodzakelijke ‘kanteling’ die er momenteel gaande is. In de woorden van de auteur zelf: ‘Wat een persoonlijke, innerlijke rijkdom dat ik dit alles mag herontdekken. Ik ben blij dat ik in Banning ben gedoken. Zijn ideeën over de verhouding individualisme versus collectivisme zijn een waardevolle aanvulling op de ingrediënten van de Woodbrookers voor persoonlijke en maatschappelijke transformatie. Bovendien sluit het helemaal aan bij de actualiteit’.

Heel mooi, zou je zeggen. Het is voor een vereniging altijd goed als haar naamgever opnieuw in de belangstelling komt te staan en nog mooier als zijn denken mensen opnieuw ten voorbeeld dient. Vraag blijft dan wel in hoeverre dat denken vervolgens ook recht gedaan wordt. Dat de historische context waarin de Vereniging Woodbrookers Holland en Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers ontstonden en functioneerden en waarin Willem Banning zijn denken ontwikkelde ook het gewicht krijgt dat het verdient. Dat de centrale vragen die uit dit werk voortvloeien niet al te zeer worden bijgebogen in de voor vandaag bruikbare richting. Putten uit het verleden is immers waardevol, het misbruiken ervan ter legitimering van de eigen agenda is dat niet.

Nu is het werk van Banning uiterst omvangrijk en bovendien nogal tijdgebonden. Het is gesteld in een taal die we niet meer gewoon zijn te horen en staat vol lange meanderende zinnen die niet zelden een interne tegenspraak lijken te kennen. Banning was een denker van paradoxen. Van de afgewogen en ingewikkelde verhouding tussen individu en gemeenschap, van de lastige balans tussen levensovertuiging en politieke betrokkenheid, van de niet altijd eenduidige samenhang tussen zelfontplooiing en dienstbaarheid. Banning was bovendien – ondanks het feit dat hij het merendeel van zijn leven schrijvend doorbracht – vooral een doener. Al zijn werk doet een poging te komen tot werkbare conclusies, tot suggesties waarmee mensen verder konden. Niet voor niets achtte hij zichzelf in laatste instantie het best omschreven met de term ‘volksopvoeder’. De wens mensen aan te zetten tot handelen weerklinkt in al zijn artikelen en boeken. Dat maakt het werk per definitie tijdgebonden, actief zijn we immers altijd in de wereld die we kennen.

Bovendien wijzen twee recent verschenen proefschriften, waarin Willem Banning en de Woodbrookers de nodige aandacht krijgen, uit dat het denken van Banning veel beter in zijn tijd past dan wel is aangenomen. Het was onderdeel van een veel bredere beweging en had zijn weerslag op verschillende debatten. De gedachte dat Banning kan worden beschouwd als een soort profeet, een ziener die zijn tijd ver vooruit was, zoals Abbas meent, wordt door deze werken op grond van goede argumenten naar het rijk der fabelen verwezen.

In 2016 promoveerde historica Marjet Brolsma op een prachtige geschiedenis van de zogenoemde humanitaire beweging. Deze beweging kwam in Europa en de Verenigde Staten rond 1900 op als reactie op een toenemende globalisering en de daarmee samenhangende doorbraak van het kapitalisme die zorgde voor een gelijktijdige stijging van de welvaart en de ongelijkheid. Dit stelde alle bestaande verhoudingen onder zware druk en had daarmee een grote impact op het leven van gewone mensen. In de beweging stond vooral de verhouding tussen individu en gemeenschap centraal: de vraag hoe persoonlijke ontwikkeling en vrijheid opnieuw verbonden konden worden aan gemeenschapszin en saamhorigheid. Het was in de context van die beweging, zo laat Brolsma overtuigend zien, dat de Vereniging Woodbrookers in Holland ontstond. En toen de beweging, na een eerste hoogtepunt in de jaren rond de eeuwwisseling, na het einde van de Eerste Wereldoorlog met verhevigde kracht opnieuw kwam opzetten was het Banning met de door hem geleide Arbeidersgemeenschap die er een van de leidsmannen van werd.

In haar proefschrift laat Brolsma zien hoe omvangrijk de uitwisseling was vanuit de humanitaire beweging met de Nederlandse sociaaldemocratie. Toch blijft de humanitaire beweging in haar boek naar mijn smaak toch iets te veel een beweging in de marge. Het beeld van het Nederlandse politieke en maatschappelijke landschap als streng verkaveld langs levensbeschouwelijke lijnen, een beeld ooit gevangen in de metafoor verzuiling, blijft in haar boek even invloedrijk als impliciet. Dat valt te meer op wanneer je het in 2017 verschenen proefschrift Eenheid in verscheidenheid van historicus Pieter Kromdijk naast de analyse van Brolsma legt. In zijn studie onderzoekt Kromdijk de historische wortels van de zogenoemde doorbraakgedachte in protestantse kring. Belangrijkste conclusie van zijn onderzoek is dat de naoorlogse ambitie om van de Nederlandse Hervormde Kerk weer een ‘belijdende volkskerk’ te maken en daarmee de verhouding tussen kerk en religie enerzijds en maatschappelijke organisaties en politiek anderzijds te veranderen, diepe wortels had in het theologisch debat van voor de Tweede Wereldoorlog.

Die conclusie lijkt me onmiskenbaar juist, al is ze naar mijn inzicht minder vernieuwend dan de auteur in zijn lezenswaardige boek doet voorkomen. Interessanter aan het boek van Kromdijk is voor mij echter de aanzienlijke verwantschap met het debat binnen de door Brolsma omschreven humanitaire beweging. Klaarblijkelijk werden in het verzuilde Nederland in verschillende morele gemeenschappen met elk hun eigen vlechtwerk van organisaties en hun eigen funderende gedachten over wat Nederland was en zou moeten zijn toch tal van thema’s en argumenten gelijkluidend. Als beide proefschriften gezamenlijk een ding duidelijk maken, is het wel dat het de hoogste tijd is om in het historisch onderzoek de oude levensbeschouwelijke verkaveling te doorbreken en veel meer op zoek te gaan naar de kruisbestuiving en uitwisseling tussen debatten in verschillende kringen en verbanden.

Wanneer we vervolgens met wat meer kennis van de geschiedenis van de Woodbrookers, de Arbeidersgemeenschap en Willem Banning kijken naar de hernieuwde interesse van Asscher en Abbas vallen twee dingen op. In de eerste plaats lijken beiden in meer of mindere mate de eigen gedachte dat het werk van Banning enige mate van actualiteit kent ten volle serieus te nemen. Het is geen kwestie van name-dropping. Zeker in het geval van Asscher is dat even verrassend als hoopgevend. Zoals gezegd was de naam Banning immers in het debat over de toekomst van de Nederlandse sociaaldemocratie lang weg en er zijn wel degelijk aanknopingspunten in zijn werk die kunnen helpen bij het denken over die toekomst. Tegelijkertijd echter had Banning misschien een meer uitgebalanceerde behandeling verdiend.

In zijn lezing werkt Lodewijk Asscher toe naar de conclusie dat mensen niet gevangen mogen worden in een enkelvoudige identiteit. Mensen zijn meer dan hun sekse, hun geloof, hun maatschappelijke en economische positie. Identiteiten zijn meervoudig en mensen dan slechts aanspreken op bijvoorbeeld hun religie of maatschappelijke positie is beperkend. Maar dat zien we in het publieke en politieke debat van vandaag – waarin mensen zich bovendien liever wentelen in het eigen gelijk dan dat zij op zoek gaan naar tegenspraak – wel veel terug. Mede daarom doet Asscher een oproep: Be a Banning. Doorbreek tegenstellingen, sta open voor onderling gesprek en zoek de samenwerking. Alleen zo zijn – zo interpreteer ik zijn lezing – de grote vraagstukken van deze tijd aan te vatten.

Dat is een mooie boodschap en het is goed dat de politiek leider van de PvdA zo naar de partij kijkt. Het is een boodschap ook in lijn met het denken zoals dat door Banning vooral binnen de Arbeidersgemeenschap vanaf de tweede helft van de jaren dertig ontwikkeld werd. Echter, dat denken had ook een kant die Asscher wellicht minder zal bevallen, maar die wel wezenlijk was en is voor een goed begrip van de centrale boodschap. In diens werk over de verhouding tussen levensovertuiging en politiek ging het er immers niet om – zoals Asscher lijkt te veronderstellen – de eigen overtuiging vooral te bewaren voor gebruik binnenshuis om vervolgens buitenshuis gelijkgezind en pragmatisch samen te werken met mensen met een andere levensovertuiging.

In Bannings perspectief was iemands fundamentele overtuiging – of die nu Christelijk was, seculier of anders – niet iets voor achter de voordeur, maar was het aan eenieder juist hun opvattingen over het goede leven in te brengen in het maatschappelijk debat. Wie elkaar op basis van dat gesprek wist te vinden in een politiek programma kon samenwerken. Het was een opvatting die vervat werd in het eerste beginselprogramma van de PvdA: ‘De Partij staat open voor personen van zeer verschillende levensovertuiging, die instemmen met haar beginselprogram. Zij erkent het innig verband tussen levensovertuiging en politiek inzicht en waardeert het in haar leden, als zij dit verband ook in hun arbeid voor de Partij doen blijken’ (artikel 35). Met name op dit laatste punt vraag ik mij, ook na het nog eens terugkijken van de lezing van Asscher, af of hij ook dat aspect in het denken van Banning nog zou onderschrijven. Misschien onderwerp voor toekomstige reflectie?

Het boek van Abbas is ondertussen van een heel andere orde. Daarin wordt het werk van Banning ingezet als een soort springplank voor een onderzoek naar de ‘kanteltijd’ waarin we momenteel zouden verkeren. Wat er met dat begrip bedoeld wordt blijft buitengewoon vaag, uitgelegd wordt slechts met een formulering van hoogleraar Jan Rotmans dat we momenteel geen tijdperk van verandering maar een verandering van tijdperk zouden meemaken. Het is een stoplap die in meer modieuze analyses van onze tijd wel vaker terugkomt en waarmee de vraag wat er nu precies aan het veranderen is en waarom wegvalt tegen de gedachte dat eigenlijk alles anders wordt. Het is een Tibetaanse gebedsmolen die op zijn minst sinds de jaren zestig regelmatig wordt aangeslagen en die door de onlangs overleden historicus Maarten Brands ooit treffend werd omschreven als ‘bijziendheid in de tijd’.

Brands beviel dat maar matig en naar zijn inzicht was een grondige studie van het verleden nodig om de voortdurende samenhang van continuïteit en discontinuïteit te blijven zien, om ook de ‘karresporen onder het asfalt’ te blijven onderkennen. In dit geval heeft die remedie echter niet voldoende verkoelend gewerkt. Want waar Abbas in haar boek naar mijn mening oprecht probeert het denken van Banning en de ontwikkeling van de Woodbrookers recht te doen, vervalt haar analyse al te snel in holle retoriek over een reis van niets naar nergens. Gelezen als een persoonlijke zoektocht naar zingeving los van de dwingende kaders van carrière en materieel succes is het dan nog wel een inspirerend boek, maar gelezen als een poging tot maatschappijanalyse voldoet het in ieder geval niet aan de standaarden die Banning daarvoor in zijn sociologisch werk aanlegde en die ik graag tot de mijne wil maken. Als het werk van Banning immers ergens toe oproept is het wel tot diepgravende analyse en zorgvuldige studie. Beiden lijken in de wat particuliere zoektocht van Abbas naar ‘een tijdperk van wijsheid en liefde’ niet leidend geweest te zijn.

Dit alles overziend dringen zich naar mijn inzicht twee conclusies op. Als we van mening zijn dat het denken en werk van Banning en de traditie van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers ook in deze tijd nog zeggingskracht hebben, dan is het zaak dat denken ook ten volle serieus te nemen en te waken voor een al te gemakkelijk leentjebuur spelen. Daarbij kan een grondige studie van het verleden – zo wijzen de proefschriften van Brolsma en Kromdijk onmiskenbaar uit – bijzonder nuttig zijn, zeker wanneer we vervolgens ook weer los komen van die analyse van het verleden en de blik op vandaag en verder richten. Het is een mooie opdracht aan de vereniging het grondig historisch onderzoek naar de eigen geschiedenis te verbinden aan een analyse van de actualiteitswaarde van haar traditie.

Van wie is de school?

i 22 mei 2018 door

Wat is nog de waarde van de vrijheid van onderwijs, wie is eigenlijk ‘eigenaar’ van de scholen. Over die vragen en meer ging het Netwerk PvdA en Levensovertuiging in gesprek op woensdag 25 april. Op het gebied van onderwijs is Nederland een uniek land. Ouders kunnen scholen oprichten die passen bij hun levensovertuiging of opvoedkundige ideeën. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt de vrijheid van onderwijs, evenals de eerbiediging van godsdienst en levensovertuiging en hiermee samenhangend garanties voor de bekostiging. Artikel 23 hoort bij de Nederlandse identiteit.

Historicus Wim de Jong, auteur van het boek Heer en Meester. Vrijheid van onderwijs, 1917-2017,
schetst deze avond de geschiedenis van het protestants-christelijk onderwijs, dat zich in de laatste honderd jaar ontwikkelde van een hechte en beschermde gemeenschap tot een grootschalige en diverse sector. De titel van het boek verbaasd een beetje, terwijl het onderwijs gedragen wordt door vrouwen lijkt het of mannen (heren en meesters!) er het meeste toe doen.
Wim de Jong ziet een aantal kwesties in de afgelopen honderd jaar die grote invloed hebben gehad op de vorm en de inhoud van het christelijk onderwijs. Het gaat allereerst om de vraag of de christelijke school zich moet richten op een specifieke groep christelijke ouders of op de samenleving als geheel. Deze vraag is, in een snel ontkerkelijkt Nederland, steeds belangrijker geworden.
De eerste gebeurtenis is de financiële gelijkstelling van het christelijk onderwijs aan het openbaar onderwijs bij wet in 1917. In christelijke kring werd niet overal gejuicht. Er bestond angst dat de invloed van de ouders zou verminderen nu de overheid door het stellen van voorwaarden een te grote vinger in de pap zou krijgen. Vanaf de jaren tachtig is er een nieuwe tendens te zien. Het overheidsbeleid en de manier van financieren zorgen ervoor dat scholen groter worden. Er ontstaat een zakelijke sfeer. Bestuurders gaan meer denken als maatschappelijk ondernemers. De greep van de overheid werd alleen maar sterker. De bemoeizucht van Den Haag is een grote ergernis, maar toch blijkt dat christelijke scholen uiteindelijk meegaan met de wensen van de politiek, ook al staan die ver af van hun oorspronkelijke idealen. Er blijft weinig over van de invloed van de ouders. Het protestants-christelijk onderwijs als ‘bijzonder’ onderwijs kenmerkt zich ook door een grote gezagsgetrouwheid.

Voormalig PvdA-Kamerlid Loes Ypma is de tweede spreker. Zij is voorzitter van Verus, de koepel van christelijke en katholieke scholen. Ypma zat van september 2012 tot maart 2017 in de Tweede Kamer voor de PvdA. Zij was o.a. woordvoerder basisonderwijs, speciaal en passend onderwijs en jeugdzorg. In de functie van voorzitter van Verus behartigt Ypma de belangen 1.2 miljoen leerlingen en 4000 scholen met 650 besturen – tweederde van alle basis- en middelbare scholen. Meer dan zeven van de tien leerlingen gaat naar een bijzondere school. Ook ouders die niet meer naar de kerk gaan, vinden het belangrijk dat hun kinderen iets van de christelijke waarden meekrijgen. Loes Ypma is opgevoed in een katholieke traditie. Als kind was ze misdienaar en zong ze in het kerkkoor. Haar ouders leerden haar dat je niet alleen leeft voor jezelf, maar dat je met je eigen talenten ook bij kunt dragen aan het welzijn van anderen. Dat kon ze bij de PvdA en nu bij Verus. Voor Ypma zijn het christendom én de sociaaldemocratie belangrijke inspiratiebronnen. Wat haar ten diepste drijft is ieder kind een goede start geven. Scholen die zijn aangesloten bij Verus willen kinderen bijbrengen dat de mens niet leeft voor zichzelf alleen. Dit doet zij met inspirerende verhalen, gebaseerd op de Bijbel en de christelijke traditie.


De discussie na afloop van de inleidingen ging over dat artikel 23 maatschappelijk wenselijke, nieuwe onderwijsinitiatieven in de weg staat. De regelgeving die we in de loop van de tijd op dat grondwetsartikel gebouwd hebben, zit een aantal beperkingen. En het kan gebeuren dat in een regio waar al een montessori-vmbo is, er geen montessori-vwo mag komen. Terwijl belangstelling van ouders en leerlingen is aangetoond. Hetzelfde geldt voor ouders met vernieuwende ideeën: zij komen niet verder, hoewel er behoefte is aan nieuwe scholen. In Utrecht willen ouders en school voor kinderen met autisme stichten maar het lukt hen tot nu toe niet. Segregatie is het bijzonder onderwijs vaak verweten. In de beeldvorming is de bijzondere school een christelijke, witte school, Maar zo homogeen is die school al lang niet meer. De leerlingenpopulatie op die scholen is behoorlijk gemengd. Van de kinderen met een niet-Nederlandse achtergrond zit 60 procent op een bijzondere school.

Arjen Lubach hield in zijn tv-programma ‘Zondag met Lubach’ een hartstochtelijk pleidooi van de afschaffing van de financiële gelijkstelling van bijzonder onderwijs. Lubach stelde dat school de plek is waar je ouders gek zijn; op school emanciperen kinderen zich van hun ouders. VVD-er Sander Dekker was, toen hij nog staatssecretaris voor onderwijs was voor dat godsdienstige vorming alleen maar thuis en niet op school plaats vindt. De liberale situeren godsdienstbeleving en opvoeding volledig in de privésfeer die buiten de overheid en de politiek moet blijven. De Banning Vereniging wil juist dat de levensovertuiging in het politieke debat en het onderwijs doorklinken en daarom artikel 23 niet afschaffen.

RELIGIE: EEN BLINDE VLEK BIJ ZELFREFLECTIE PvdA

i 1 mei 2018 door

Op het projectiescherm in de Rode Hoed stond met grote letters ‘Banningvereniging’ en met kleinere letters ‘levensovertuiging’, ‘religie’ en ‘sociaaldemocratie’. Lodewijk Asscher hield de eerste Banninglezing, 21 februari 2018. Het was een interessant en bevlogen verhaal over de politieke uitdagingen van nu. Maar de verhouding tussen levensovertuiging, religie en sociaaldemocratie kwam niet aan bod. Terwijl de Banningvereniging juist daaraan zijn bestaansrecht ontleent.

Het woord ‘religie’ kwam uitsluitend voor in negatieve zin, namelijk als iets waartoe mensen niet gereduceerd mogen worden. Geen identiteitspolitiek. We zijn als mensen meer dan onze religie, etniciteit en afkomst. Daarover zei Asscher zinnige dingen. Hij vergeleek de identiteitspolitiek van de verzuiling in de tijd van Banning met die van nu en bepleitte een nieuwe doorbraak. Als mensen niet méér zijn dan onderdeel van een etnische of religieuze groep, valt de samenleving uit elkaar. Dan krijg je: stem op mij om wie jij bent, want bij mij ben je veilig. Identiteitspolitiek leidt nooit tot een ‘wij-samenleving’. Breek door deze nieuwe verzuiling heen, was Asscher’s boodschap. ‘Be a Banning’.

So far, so good. Maar wat is de rol van religie en levensovertuiging dan wél in zo’n uiteenvallende samenleving? Dat in 1946 een dominee het oprichtingscongres van de PvdA voorzat, toonde dat de doorbraak méér was dan: christenen, welkom, maar jullie levensovertuiging is een privézaak die buiten de politiek moet blijven. Integendeel, in het eerste beginselprogramma werd de inbreng ervan expliciet verwelkomd. En mede dankzij Banning werd zelfs de opdracht van kerken erkend om zich in de publieke discussie te mengen. Dat was niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.

Ook met de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart in zicht was enige reflectie van Asscher op de huidige verhouding tussen levensovertuiging, religie en sociaaldemocratie wenselijk geweest. De dreun die de PvdA bij de Kamerverkiezingen van 2017 heeft gekregen heeft daar immers mee te maken.

Volgens het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) van het CBS van 2012 noemde toen 42% van de PvdA stemmers zich ‘gelovig’. Daar zaten veel moslims bij. Ook al zijn er (nog) geen vergelijkbare cijfers voor 2017, het staat vast dat veel mensen met een islamitische achtergrond toen geen PvdA gestemd hebben, terwijl de PvdA bij hen altijd veel meer stemmen trok dan welke andere partij ook. Zie de uitslag van 2017 in Amsterdam: de PvdA van 35.8% naar 8.3%, DENK van nul naar 6.9%. In Nieuw-West, waar veel mensen met een islamitische achtergrond wonen, de PvdA van 40.5% naar 7.2%, DENK van nul naar bijna 20%. In Rotterdam en Den Haag was DENK zelfs groter dan de PvdA. De gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart bevestigen hoezeer deze kiezers zich door de PvdA in de steek gelaten voelen.

Dit heeft overigens voor de PvdA nog een bijkomend effect. Behalve naar GroenLinks en D66 zijn in 2017 ook veel jongeren naar DENK overgestapt. Volgens het NKO 2017 had DENK zelfs veruit de jongste kiezers, met een gemiddelde leeftijd van nog geen 35 jaar. De PvdA-kiezer was toen gemiddeld bijna 60 jaar (alleen de aanhang van 50-Plus was ouder). En voor jongeren waren juist culturele thema’s belangrijk, schrijft het NKO 2017. Voor de DENK-kiezers telt dan uiteraard hoe Wilders van religie een politiek speerpunt heeft gemaakt.

De PvdA heeft zichzelf suf geanalyseerd, maar ook in het boek De neergang van de PvdA met interviews met 19 PvdA-prominenten vind ik geen reflectie op de rol van religie. In de uitvoerige index komen de woorden religie, godsdienst en ook islam niet voor. Een uitzondering is Fouad Sidali, wethouder in Culemborg, die wijst op de verwijdering van mensen die hun religie belangrijker vinden dan de ideologie van de PvdA. Sociaal-culturele thema’s zoals ritueel slachten doen er óók toe, naast de sociaal-economische zoals werk, wonen en zorg.

Waarom die blinde vlek voor levensovertuiging en religie, uiteraard in bredere zin dan alleen de islam? De eerste verklaring geldt niet alleen voor de PvdA: onwetendheid. In een groot deel van onze samenleving bestaat je reinste religieus analfabetisme. Ook politici en journalisten hebben vaak geen benul van wat religie in ons land nog betekent.

Eén van de oorzaken lijkt futiel maar is het niet: de gezaghebbende rapporten tonen voornamelijk percentages. Als volgens ‘God in Nederland’ (2016) 82 % van de bevolking zelden of nooit meer een kerk van binnen ziet, roept dat het beeld op van kerk en geloof als verwaarloosbare factoren. Maar als je de percentages van wat er wél nog is omrekent in aantallen en bovendien de jongeren meetelt (dat doen de meeste rapporten niet) zie je iets anders dan het stereotype beeld.

Ondanks de doorgaande krimp, met name in de twee grootste kerken – de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en de Rooms-Katholieke Kerk – gaan toch nog altijd ongeveer 1.4 miljoen mensen in Nederland één keer per maand of vaker naar de kerk. In een gemiddeld weekend zijn het er 1 miljoen en met kerstmis 3 miljoen. Zo’n 4 miljoen mensen geven zelf aan dat zij zijn aangesloten bij een christelijke kerk of groepering.

Deze gegevens zijn al weer twee jaar oud, maar vergelijk dit met de 300.000 leden van politieke partijen, van wie bovendien slechts een klein deel actief is. En het laatste CBS rapport (eind 2016) komt zelfs tot veel hogere cijfers van godsdienstigheid: de helft van de bevolking van 18 jaar en ouder rekent zich tot een ‘kerkelijke gezindte’. Dat is (anders dan de cijfers hierboven) inclusief 6 % andere religies, met als grootste groep de 4.9 % die zichzelf omschrijft als moslim.

Lopen de kerken leeg? Dit cliché behoeft correctie. Evangelische geloofsgemeenschappen trekken veel jongeren. Er zijn honderden migrantenkerken die veelal snel groeien. De behoudend-gereformeerden (ook enkele honderdduizenden) blijven constant. Het ledental van de PKN blijft dalen, maar plaatselijk zijn er veel nieuwe initiatieven. Hoeveel potentieel de kerken nog steeds hebben als sector in de civiele samenleving met een geheel eigen karakter wordt onvoldoende beseft.

De beeldvorming wordt trouwens ook te veel bepaald door de zogenoemde bible belt, alsof in heel kerkelijk Nederland de slang nog steeds echt gesproken heeft. In tal van kerken werden homoseksuele relaties al gezegend lang voordat ze voor de wet een huwelijk mochten heten. Kerkelijke mensen gaan relatief vaker naar de stembus en doen meer vrijwilligerswerk. De uitspraak van Straatsburg over de ‘bed, bad en brood regeling’ was een initiatief van de PKN, maar wie weten dat? Natuurlijk is er ook veel negatiefs, het plaatje is gedifferentieerd. Maar door die blinde vlek worden ook de veranderingen niet gezien. De sociale binding in de uitpuilende garagekerken in de Bijlmer is ook voor politici van belang, ongeacht of men zelf gelovig is of niet.

Naast onwetendheid is er een tweede verklaring van het gebrek aan reflectie in de PvdA en die slaat wel op de PvdA zelf. De intense discussie over geloof en politiek in de tijd van Banning heeft plaats gemaakt voor desinteresse en neerbuigendheid. Voorbeelden zijn de betutteling van godsdienst in de integratienota van 2009 (vooral de islam als probleem in ‘ons Nederland’), de slordigheid in de Tweede Kamer fractie in 2011 bij het onderwerp ritueel slachten (niet eerst goed overleg met de joodse en islamitische achterban), en in 2013 bij uitgerekend het thema ‘binding’ in de Van Waarde Resolutie geloof en levensbeschouwing alleen in negatieve zin (het vrijwaren van het seculiere, open en verdraagzame karakter van onze samenleving) benoemen.

En dan nu die slogans ‘Rechts met den bijbel’ en ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’. Mijn hemel. Waarom worden religieuze sleutelwoorden gekoppeld aan iets negatiefs, nl. een rechts beleid waartegen oppositie gevoerd moet worden? Mij stoort het mateloos. Maar het geeft ook aan dat het beeld van ‘de christenen’ versus de rest nodig moet worden gecorrigeerd. Christenen zijn niet alleen te vinden in het CDA, de CU en de SGP. In 2012 stemde volgens het CBS van de rooms-katholieken in Nederland 22% VVD, 16% PvdA en 10% CDA. Laten we mensen inderdaad niet reduceren tot hun religieuze overtuiging, zeg ik Asscher na.

Hopelijk hoeven we niet op de volgende Banning lezing te wachten voor serieuze reflectie op de relatie tussen levensovertuiging, religie en sociaaldemocratie.


Meer lezen? In de uitvoerige studie Kerkelijkheid en geloof in aantallen gaat de auteur uitvoerig in op de beeldvorming over kerk en geloof en de veranderingen in het kerkelijk landschap aan een nadere inspectie worden onderworpen. In het najaar organiseren het Netwerk PvdA en Levensovertuiging en de Banning Vereniging gezamenlijk een bijeenkomst waar Laurens Hogebrink – voormalig medewerker van de Nederlandse Hervormde Kerk en de PKN – met belangstellenden in gesprek gaat over zijn notitie. De auteur is lid van de PvdA.

Macht en ideeën. Interview met Tinneke Beeckman

i 3 april 2018 door

Op 24 januari jl. organiseerde De Balie in Amsterdam een avond over Ter Braaks essay Het nationaal-socialisme als rancuneleer. Menno ter Braak (1902- 1940) was een van de meest vooraanstaande intellectuelen van zijn tijd. Hij was bestuurslid van de intellectuele groepering die zich, buiten het politieke partijwezen om, rekenschap gaf van en verzet bood aan de extremistische tijdgeest: het zogenoemde Comité van Waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische intellectuelen (1936-1939).

In zijn essay ging Ter Braak in op rancune, wrok en de ressentimentsmens die het meerdere bezit van de ander niet kan verdragen. Ter Braak zag rancune ontstaan door het streven naar economische en sociale gelijkheid. Tinneke Beeckman schreef speciaal voor deze avond een nieuw essay. Naar aanleiding van deze avond en het boek Macht en Onmacht hadden we een gesprek met Tinneke Beeckman in haar woonplaats Antwerpen.

We willen graag weten waarom Ter Braak ons nu nog iets te zeggen heeft. Daarom is onze eerste vraag naar het waarom van een essay over dit onderwerp.
Menno ter Braak staat meer in de aandacht sinds de opkomst van Pim Fortuin, Geert Wilders en Donald Trump. Het is de vraag of hun ideeën overeenkomen met het pure ressentiment dat Ter Braak in zijn werk beschrijft. Ik denk dat er boeiende raakvlakken zijn.

In je essay (elders in dit tijdschrift) beschrijf je ressentiment. Ressentiment is een gevoel van onmacht, wrok en rancune. Leidt ressentiment tot rechtspopulisme?
Ressentiment is niet alleen een gevoel. Waar het om gaat is dat het ressentiment waardebepalend is. De haat is primair, dan volgt de verklaring. De mens kan de haat laten prevaleren boven de rest. De haat kan sterker zijn dan liefde, dan naar verlangen naar verbondenheid. Dat is wat Ter Braak beschrijft. Wie ben je? Degene die haat kiest een groep als tegenstander, die haat gaat degene helemaal bepalen. Vanuit het idee van een samenzwering begin je helemaal dat idee op te bouwen.

Ter Braak heeft het over het recht op gelijkheid. Wat is dat recht op gelijkheid?
Met de Franse revolutie ontstaat het gelijkheidsideaal. De gelijkheidsgedachte is nu meer dan vlak voor de Tweede Wereldoorlog toegespitst op de gelijke rechten. Bijvoorbeeld het hoger onderwijs dat niet meer wordt beschouwd als een privilege maar als een recht. Daarbij wordt alles een kwestie van kwantiteit waardoor de kwaliteit verloren gaat.

Het boek ‘Macht en Onmacht’ opent met het gedicht ‘A Street’ van Leonard Cohen.

It’s going to be September now
For many years to come
Every heart adjusting
To that strict September drum

I see the Ghost of Culture
With numbers on his wrist
Salute some new conclusion
Which all of us have missed

So let’s drink to when it’s over
And let’s drink to when we meet
I’ll be standing on this corner
Where there used to be a street

Wat spreekt je aan in het gedicht van Leonard Cohen?
Het gedicht gaat over 11 september en de impact ervan. Het is bijzonder dat Leonard Cohen zich zo politiek uitsprak, terwijl hij dat bijna niet deed. Een kunstenaar zoals Cohen kan op een andere manier dingen raken dan een filosoof en kan soms meer bereiken met taal. Het gedicht refereert aan de aanslagen van 11 september 2001 in de VS Met de aanslag op het Franse weekblad Charlie Hebdo in januari 2015 beleefde Europa haar 11 september.

Het eerste hoofdstuk start met de moord op de redactie van Charlie Hebdo. Dit satirische tijdschrift schopte tegen elk heilig huisje. De boegbeelden van mei ’68 waren er in vertegenwoordigd. Het bejubelde de vrije zoektocht naar geluk tegen elke groepsdruk in.
De zondag na de aanslag gingen 4 miljoen mensen de straat op. Deze eensgezindheid duurde niet lang, schrijf je. In de debatten erna neemt het slachtofferschap een belangrijke plaats in. Is dit na drie jaar nog steeds hetzelfde?

Er is nu meer kritiek op het slachtofferschap. Mijn boek begint met Charlie Hebdo en hoe erop gereageerd werd, door politici en in de media, met discussie over de vrijheid van meningsuiting en met de grote marsen in de Franse steden. Dit alles riep vragen op. Was de mars daarna een demonstratie van burgerschap, een revival van waarden of was het een ‘spuwen op de godsdienst van zwakkeren’, al jaren door de overheid in de steek gelaten slachtoffers? In de dagen na de aanslagen was er bijvoorbeeld onder jongeren in de banlieues discussie over wie dader en wie slachtoffer is. Slachtofferschap nam een belangrijke plaats in tijdens de publieke debatten. Waren de daders geen slachtoffers van een groter, algemener onrecht? Wie het ergste slachtofferschap kan claimen krijgt het grootste gelijk. Niet wat iemand doet of denkt, maar hoe diep iemand gekwetst is, doet ertoe. Ik vraag me af hoe we dit hedendaagse ressentiment kunnen begrijpen.

Waar kwamen deze twijfels over de mars vandaan?
De zekerheden waar Charlie Hebdo ooit in geloofde zijn mede door de postmoderne denkers vervangen door een algemene vertwijfeling over de waarden en ideeën die de samenleving vorm moeten geven. De postmoderne methode is een analyse op basis van machtsstructuren. Zij verkondigden dat algemene waarden een illusie zijn, een uitdrukking van misplaatst superioriteitsgevoel. Zelfs de wetenschappelijke waarheid is een product van machtsverhoudingen. De dominantie van het postmodernisme als kritische denkstroming loopt ironisch genoeg parallel met de opkomst van economische liberale politiek, die vanaf de jaren ’80 zowel bij linkse als bij rechtse partijen steun vindt. Wie stelt dat waarheid slechts een constructie is, opent de deur voor het neoliberalisme.

Postmoderne denkers als Foucault en Derrida verhinderen emancipatie, het kritisch denken en de onafhankelijkheid van leden uit minderheidsgroepen. Kun je dat verder verklaren?
Wetenschappelijke waarheid, rationalisme, universele idealen zouden het product van machtsverhoudingen zijn. Waarheids- en autoriteitsaanspraak worden hiermee onmogelijk gemaakt, normatieve oordelen afgeschaft. Het is dus de vraag of deze methode helpt om onmacht te doen afnemen en wantoestanden te verbeteren. Het postmodernisme heeft juist gevoelens van onmacht veroorzaakt.

Toneelgroep Amsterdam speelt het stuk The Fountainhead, dat geschreven werd op basis van één van de belangrijkste boeken van de Amerikaanse filosofe Ayn Rand, al vier jaar lang voor uitverkochte zalen. Aanhangers van Forum voor Democratie zeggen te spreken in haar geest. Waarom is zij zo populair?
Rands boodschap past perfect bij de tijdsgeest. Rands onverbloemde heroïsme trekt degenen aan die zich niet herkennen in het pessimistische onmachtige mensbeeld dat de postmoderne filosofie kenmerkt. De held in Rands werk lijkt wel een almachtig mens: rationeel, meester van zijn lot, aan niemand iets verschuldigd, volstrekt autonoom. Ook zonder zelfmedelijden, medelijden of verbittering. Het is de ideale mens voor Rand. Heel wat Europeanen vinden haar romans zeer aantrekkelijk. Terwijl postmoderne denkers als Foucault wantrouwig staan tegenover begrippen als waarheid, rede, identiteit en objectiviteit, voert Rand uitgerekend die begrippen weer in. Ze hangt dus het tegenovergestelde mensbeeld van de postmoderne denkers aan. Tegelijkertijd schetst ze de mens van de toekomst die perfect past bij het economisch liberalisme.

Hoe manifesteert zich dat?
Het neoliberalisme dringt overal in door. Alle ouders willen bijvoorbeeld dat hun zoontje zo goed wordt als voetballer Messi. Dat jongetje moet altijd op het veld staan, hij mag niet worden terecht gewezen, als die vuil speelt mag hij geen kaart krijgen, dat is nu precies het ressentiment waar het over gaat. Er is zo’n gedweep met beroemdheid. De jeugd leeft in een soort spanning, de lol is er op tal van manieren echt wel vanaf. Kinderen staan onder druk om te presteren. Als ouder win je de loterij als jouw kind zo bijzonder kan voetballen, dat komt door de manier waarop geld meespeelt in de sport. Wat heeft dat nog te maken met het plezier van het spel?

De waarden van de sociaaldemocratie waren gelijke verdeling van kennis, macht en inkomen. De sociaaldemocratie lijkt veel mensen niet meer aan te spreken. Hoe kijk je daar tegen aan?
Links heeft geen overtuigend alternatief verhaal voor de vrije markt geboden. Wie wel het verlichtingsverhaal schrijft zoals de redactie van Charlie Hebdo loopt het risico om te worden vermoord. Het doel van dergelijke politieke moorden is om de toekomst van een samenleving te veranderen. Wellicht dat wie ideeën kan verspreiden meer macht heeft dan staatsmannen.

Tinneke Beeckman (1976) studeerde moraalwetenschappen en filosofie en doceerde na haar promotie aan de Vrije Universiteit Brussel. Haar boek Macht en Onmacht: Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting publiceerde ze in 2015. Eerder verscheen Door Spinoza’s lens, een oefening in levensfilosofie (eerste druk 2012), dat werd bekroond met de Liberales-prijs. Beeckman schrijft columns voor De Standaard en NRC Handelsblad. Ze geeft ook lezingen over filosofie voor een breder publiek, waarbij de aandacht voornamelijk uitgaat naar de relatie tussen (democratische) politiek, economie en filosofie.