Over vernieuwing van lokale democratie.

i 6 november 2017 door

Tijdens de Banning Conferentie over Democratie dichtbij – op 7 juni in de Rode Hoed – spraken Bert Blase, burgemeester van Heerhugowaard en voorman van vernieuwingsbeweging Code Oranje, en Maarten van den Bos, ambtelijk secretaris van de Banning Vereniging, over de toekomst van de lokale democratie. In de volgende artikelen werken zij hun gedachten nader uit.

Lerend op weg naar meer samenlevingsmacht!

In veel Nederlandse gemeenten worden pogingen gedaan om de maatschappelijke en politieke democratie bij elkaar te brengen. Denk aan voorbeelden als de wijkcoöperatie in Groningen, de burgerbegroting in Breda, de samenlevingsagenda in Alblasserdam, de burgerjury in Rotterdam en de dubbele verkiezingen in Heerhugowaard. Allemaal verschillend in hun aanpak, maar met als overeenkomst dat ‘de samenleving’ en ‘de burger’ een grotere rol wordt toegekend ten opzichte van de representatieve democratie.

Door Bert Blase

In mijn ogen gaat het hier om een onontkoombare beweging die door ons land waart. Of eigenlijk: nog veel breder is dan alleen ons land. Door diverse ontwikkelingen, zoals toegenomen scholing, individualisering (mondigheid), sociale wetgeving (bijvoorbeeld de WMO) en natuurlijk de digitale revolutie, zijn de panelen tussen bestuur, politiek en samenleving, zeker in de Westerse wereld, aan het schuiven. Er komt meer nadruk op en behoefte aan samenlevingsmacht en burgerzeggenschap. De lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers in ons land merken dit en proberen op deze ontwikkelingen in te spelen. De bovengenoemde voorbeelden getuigen daarvan – en in de opmaat naar de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 zullen deze in aantal en omvang nog flink toenemen.

Deze fundamentele beweging heeft allerlei – even fundamentele – gevolgen. Ieder publiek instituut heeft ermee te maken, de instituties van de vertegenwoordigende democratie en van de politieke partijen voorop. Openheid, communicatie, experiment, variatie, eigenaarschap en co-productie zijn kernbegrippen in die beweging – en dus ook in het herijken van de rol van de democratische organen (Gemeenteraden, Provinciale Staten en parlement), van de politieke partijen, van de politieke bestuurders en -vertegenwoordigers én van de inwoners zelf. Want het één heeft onherroepelijk effect op het ander.

We zien dat het lokaal bestuur stevig in beweging is. Er is bijna geen gemeente waar dit gesprek niet gevoerd wordt en waar dit niet tot acties leidt. Ook in provincieland zien we dit terug, denk aan het Twentement of de Friese dorpentop. Alleen op nationaal (en Europees) niveau blijft het (te) stil, met de traditioneel gesloten kabinetsformatie als actueel voorbeeld. Juist vanwege de zichtbaarheid van het nationale niveau werkt dit dubbel averechts. De getoonde geslotenheid geeft voeding aan wantrouwen en onvrede, in plaats dat de nationale politiek ruimte schept in de zoektocht naar beter bestuur.

Wat zijn – in mijn ogen – nu kansrijke wegen, om in te spelen op deze ontwikkelingen? Ik zie de volgende: Maak ruim baan voor de experimenten en uitwerkingen in het lokaal en provinciaal bestuur. (1) Start zichtbare ‘nieuwe democratische vormen’ op landelijk en Europees niveau. (2) Vorm de politieke partijen om, zodat zij zich beter verhouden tot deze nieuwe werkelijkheid. (3) Leer openlijk en gezamenlijk van de opgedane en aankomende ervaringen met deze nieuwe democratische vormen. (4)

1) De minister van Binnenlandse Zaken heeft in een brief aan de Tweede Kamer (naar aanleiding van een motie op dit punt) inzicht gegeven in ‘vergaande’ ideeën van gemeenten en hoe die zich verhouden tot de wet. Het goede nieuws is dat de huidige wet reeds ruimte biedt aan veel van de huidige experimenten – en dat waar nodig die ruimte ook wettelijk zou kunnen worden geboden. Het is aan gemeenten om zich bij het ministerie te melden als zij die extra ruimte nodig hebben. Ondertussen bereiden tientallen gemeenten en initiatieven vanuit de samenleving zich voor op nieuwe vormen in de aanloop naar de komende verkiezingen en de fase erna.

2) Dit punt blijft achter. De formatieperiode heeft kansen te over geboden om dit te doorbreken. Helaas heeft het aan de durf daartoe ontbroken. Gelukkig zullen deze kansen zich blijven voordoen. Denk aan de staatscommissie voor het parlementair stelsel die is ingesteld, de fragmentatie in de politiek die tot nieuwe werkwijzen uitdaagt, de hoeveelheden adviezen die zich opstapelen en de noodzaak tot coproductie met mede-overheden, maatschappelijke partners en inwoners om de actuele vraagstukken verder te helpen. Maar – oproep aan de collega’s in de landelijke politiek: laat deze kansen niet voorbijgaan.

3) Vooral de ‘traditionele’ politieke partijen zijn nog teveel georganiseerd rond de vertrouwde ordening van de macht. Partijen zien zichzelf nog te veel als intermediair tussen de kiezer en de (overheids-)macht. Terwijl de digitale werkelijkheid, maar ook de manier waarop mensen zich tegenwoordig organiseren, om heel andere arrangementen vraagt. Meer thema- en actiegericht, minder vanuit het onderscheid tussen wel- en niet-leden, flexibeler georganiseerd, meer oog voor ‘makelaarschap’, minder hiërarchisch en met meer variatie. Mijn advies: rap omvormen dus! Want doe je dit niet, dan word je links en rechts ingehaald door andere vormen.

4) Natuurlijk brengen de experimenten met de nieuwe democratie vragen met zich mee. Hoe zorg je dat iedereen betrokken of vertegenwoordigd is? Hoe zorg je dat de verschillende belangen zijn gewaarborgd? Hoe zorg je dat een eenzijdige groep niet de overhand krijgt? Hoe zorg je voor continuïteit? Hoe leren we het beste van de vele experimenten die momenteel lopen? Kunnen we al die variatie wel aan? Allemaal vragen die we niet uit de weg moeten gaan en waarvoor niet altijd een blauwdruk-antwoord beschikbaar is.

Kortom: een lerende houding helpt. Kenniscentra als de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het ministerie van Binnenlandse Zaken, de Raad voor het Openbaar Bestuur, maar ook opleidingsinstituten en initiatieven vanuit de samenleving kunnen daarbij van dienst zijn. En natuurlijk: het hoeft niet allemaal ineens. Maar laten we er in ieder geval voor zorgen dat de beweging zichtbaar is. Al lerend op weg naar meer samenlevingsmacht!

***

De burger als Sjibbolet

In discussies over de Nederlandse politiek, zeker die op lokaal niveau, lijkt de oplossing voor tal van problemen te worden gevonden in het overdragen van meer macht en verantwoordelijkheid aan de burger. Wie dat precies is, waarom hij of zij dingen beter kan dan politiek of overheid en welke problemen hiermee precies worden opgelost, blijft vervolgens echter vaag. De vraag of lokale overheden en politiek hiermee hun eigen positie niet al te zeer ondergraven en of actief burgerschap eigenlijk kan zonder een zelfbewuste (lokale) overheid en een krachtige politiek komt überhaupt niet aan de orde. Hoog tijd voor een tegengeluid.

Door Maarten van den Bos

Nadat de Gileadieten in Bijbelboek Rechters de oversteekplaatsen van de Jordaan bezetten, vroegen zij eenieder die de rivier overstak het woord ‘sjibbolet’ uit te spreken. Wie dat niet op correcte wijze kon was geen lid van de eigen gemeenschap en werd gedood. Sindsdien is een sjibbolet een soort wachtwoord, een code die bij correcte toepassing toont dat iemand onderdeel is van de eigen groep. Het begrip burger lijkt in de moderne Nederlandse politiek verworden tot sjibbolet. Correct gebruik scheidt de bokken van de schapen. Vooruitstrevende vernieuwers van politiek en bestuur spreken over meer macht voor de burger, minder politiek en een ander bestuur. Zij die liefst alles bij het oude laten weten zich geen raad met het begrip, gebruiken het in de ogen van de eerste groep verkeerd. Hun uitspraak is niet juist. Gelukkig is de daaropvolgende dood slechts figuurlijk, ze worden buiten de discussie geplaatst.

Bert Blase, burgemeester en voorman van Code Oranje, spreekt het sjibbolet in zijn artikel uiteraard correct uit. Er wordt gepleit voor concrete veranderingen in het lokaal bestuur enerzijds en een open oog van de nationale politiek voor democratische vernieuwing anderzijds. Alleen wordt ook in zijn bijdrage de noodzaak hiertoe betrekkelijk achteloos vastgesteld. De moderne samenleving lijkt als vanzelfsprekend te vragen om nieuwe politiek en een ander bestuur. Of liever nog, om minder politiek, zodat burgers zelf het besturen opnieuw ter hand kunnen nemen. De experimenten die Blase voorstelt hebben immers tot doel de samenleving en de burger een grotere rol toe te kennen ten opzichte van de representatieve democratie. Dit wordt vervolgens voorgesteld als een onontkoombare beweging, weg van de politiek, op naar samenlevingsmacht en burgerkracht.

Nu valt voor de ideeën die Blase oppert wel wat te zeggen, maar de analyse die veel van de vernieuwers van de democratie naar voren brengen is niet zelden wat dunnetjes. Wie ontwikkelingen wil verklaren uit ‘de tijdgeest’ is blind voor het gegeven dat mensen in elke periode van de geschiedenis de neiging hebben hun eigen tijd te definiëren als ‘overgangstijd’. In elk decennium zijn wel stemmen hoorbaar die spreken van een onontkoombare omwenteling. Dat historici vervolgens een en andermaal uitleggen dat de verhouding tussen continuïteit en discontinuïteit vele malen ingewikkelder is, dat ontwikkelingen zelden een helder te markeren begin- en eindpunt kennen en dat in veel als nieuw of vernieuwend gepresenteerde ideeën vaak oude vormen en gedachten schuil gaan, is vervolgens aan dovemansoren gericht. Een beroep op ‘de tijdgeest’, zeker wanneer die ingekleurd wordt met containerbegrippen als individualisering en modernisering, overtuigt niet.

Nu is het Nederland van nu onmiskenbaar een ander land dan het Nederland van vijftig jaar geleden. Bestuur en politiek moeten zich aan die nieuwe werkelijkheid aanpassen, net zoals de samenleving zich zal moeten verhouden tot nieuwe vormen van politiek en bestuur. In wisselwerking. Precies dat inzicht ontbreekt in het debat over nieuwe vormen van democratie, representatie, actief burgerschap en bestuur. In het moderne debat over burgerschap – zo heeft Menno Hurenkamp in zijn recente proefschrift laten zien – is de gedachte dat burgers meer ruimte krijgen voor actieve maatschappelijke participatie als de overheid en de politiek zich terughoudender opstellen dominant geworden. Die gedachte is echter niet gebaseerd op empirie, zelfs niet op een doorwrochte analyse van de verhouding tussen overheid en inwoner, maar op wensdenken. Het is een oude ideologie in nieuwe jas.

Dit wensdenken is diep doorgedrongen in het debat over burgerschap, bestuur en politiek in Nederland. Zeker op lokaal niveau. Een voorbeeld uit de dagelijkse politieke praktijk in mijn eigen gemeente kan dat verhelderen. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning vraagt van gemeenten beleid te schrijven over mantelzorg. De gemeente Lingewaard – waar ik namens de PvdA in de gemeenteraad mag zitten – zelf was van mening dat in een moeite door ook voor vrijwilligers en ouderen een eigen beleidsplan geschreven kon worden. Deze drie plannen konden dan mooi in ‘co-creatie’ worden opgesteld. Wat daarmee bedoeld werd, bleef vaag. Niemand leek een idee te hebben wat nu precies de bedoeling was. Duidelijk was echter wel dat noch ‘de politiek’ noch ‘de gemeente’ zich er al te veel mee moest gaan zitten bemoeien. Het woord was aan de inwoner, daarna zagen we wel verder.

Nu is niets voor een maatschappelijke beweging zo funest als lieden die de klok van die beweging wel hebben horen luiden maar vervolgens het vermogen missen ook de klepel te vinden. Het doet de vragen en inzichten zoals Code Oranje die met enige urgentie naar voren brengt bovendien geen recht door deze gelijk te stellen aan de onbeholpenheid van een enkele lokale bestuurder. Echter, enige rekenschap van de gevolgen van het aanzwengelen van een debat zou wel wenselijk zijn. Als immers voor waar wordt aangenomen dat politiek en overheid zo ongeveer nergens meer voor deugen, is die aanname ook waar in zijn consequenties. De wrange vruchten daarvan worden in tal van gemeenten momenteel geplukt. Daar staan beleidsdocumenten en actieplannen bol van ronkende retoriek over de veranderende samenleving en een overheid en politiek die zich daar maar naar te voegen hebben, zonder dat iemand de vraag stelt wat hier nu eigenlijk concreet aan de hand is en in hoeverre we met het genoegzaam vaststellen van deze documenten ook maar een millimeter opgeschoten zijn.

De schaduwzijden van dit alles worden ondertussen steeds zichtbaarder. Lokale politici, die op basis van een bij verkiezingen verworven mandaat moeten proberen het algemeen belang te bewaken, komen in toenemende mate onder druk te staan omdat veel mensen het beter luisteren naar inwoners vertalen naar één op één doorvoeren wat mensen willen. De burger weet het immers beter. De lokale overheid bekwaamt zich ondertussen in het op haar handen zitten, waardoor mensen met acute hulpvragen in de knel komen en conflicten soms onnodig uit de hand lopen. Bovendien krijgen actieve inwoners met een goed netwerk en enige bedrevenheid in bestuurlijke interactie van alles voor elkaar, terwijl mensen die deze eigenschappen missen het nakijken hebben. Of het algemeen belang zodoende gewaarborgd blijft is hoogst onzeker.

Het is mijn stellige overtuiging dat we met elkaar moeten nadenken over de toekomstige verhouding tussen burger, politiek en bestuur. Of, om het toe te spitsen op het lokale niveau, tussen inwoner, Raad en gemeente. Dat nadenken is gebaat bij een zoekend en tastend proberen te vinden van optimale verhoudingen en in die zin juich ik de experimenten die Blase en anderen voorstaan wel toe. Daarbij mogen burgerschap, bestuur en politiek echter niet zomaar worden voorgesteld als communicerende vaten. Minder politiek en minder overheid leidt niet noodzakelijkerwijs tot meer ruimte voor actief burgerschap. Sterker nog, wellicht hebben actieve burgers wel juist een zelfbewuster politiek en actiever overheid nodig.

Er is een ongelijk speelveld ontstaan tussen voor- en tegenstander van bestuurlijke vernieuwing. Voorstanders beroepen zich op de tijdgeest, verandering is noodzakelijk. Wie dat niet snapt, loopt achter. In een dergelijk debat wordt het stellen van kritische vragen niet zelden gelijkgesteld aan een weinig open houding ten opzichte van de zo nodige vernieuwing. Kritische geesten kennen simpelweg de correcte uitspraak van het begrip burger niet, zogezegd.

Het is de hoogste tijd eens stevig te vloeken in de kerken van de verschillende verkondigers van het evangelie van de burgerkracht. Want wat nodig is, is een diepgravende analyse van de verhouding tussen overheid en inwoner, de toekomst van politiek en bestuur en de invulling van actief burgerschap. Wanneer daarbij op voorhand wordt uitgegaan van de vooronderstelling dat politiek en bestuur maar eens een tijdje op de strafbank moeten plaatsnemen, komen we echt geen meter verder.

Existentiële vraag, pragmatisch antwoord? Verslag bijeenkomst vrijwillig levenseinde.

i 6 november 2017 door

Onlangs organiseerde het Netwerk PvdA en Levensovertuiging een avond over het voltooid leven. Onder de noemer voltooid leven – een onvoltooid debat? ging een dertigtal aanwezigen na inleidingen van Agnes Wolbert en Dirk Achterbergh in gesprek met elkaar over het thema. Voornaamste conclusie van het gesprek was dat – mede door het initiatief van D66 te komen tot een wet naast en in aanvulling op de bestaande euthanasiewetgeving – de discussie zich momenteel dreigt te versmallen tot het zoeken naar praktische oplossingen voor de doodswens van mensen. Dat is onwenselijk. Een verslag.

Door Chantal Robbe en Maarten van den Bos

De aanwezigen verzamelden zich op de avond van dinsdag 12 september in de Raadszaal van het Utrechtse Stadhuis om te praten over een thema dat de afgelopen jaren nadrukkelijk in de belangstelling staat: het levenseinde. Spreker Agnes Wolbert – langjarig Tweede Kamerlid voor de PvdA en nu directeur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde – herkende dat ook uit haar beroepspraktijk. Toen zij als Kamerlid bijeenkomsten organiseerde over het thema en nu zij als directeur van de NVVE regiobijeenkomsten bezoekt, telkens is de belangstelling overweldigend. ‘Er wordt een generatie ouder die heel bewust bezig is met het eigen levenseinde, met het sterven. Dat op zichzelf is al een belangrijk gegeven’, aldus Wolbert. Achterbergh sloot zich bij die conclusie aan. Er is een reële doodswens bij een groep mensen, daar moeten we als samenleving over nadenken.

In zijn bijdrage ging Dirk Achterbergh in op het begrip autonomie. Dat wordt niet zelden uitgelegd als volledige zelfbeschikking; een mens is autonoom als hij alles voor zichzelf kan uitmaken. Alleen, zo werkt de wereld niet. Autonoom zijn mensen immers altijd alleen in relatie tot anderen. Het is daarmee een relationeel begrip, zeker als mensen hun doodswens ook bij de samenleving neerleggen. Zij geven aan geholpen te willen worden met sterven, dat maakt het levenseinde tot een politiek en maatschappelijk vraagstuk. Dat vraagstuk is bovendien uiterst complex omdat de ouderenzorg momenteel niet op orde is. Niet als gevolg van bezuinigingen of beleid, maar door diepgravende demografische en medische transformaties. Mensen, zo betoogt Achterbergh ook elders in dit nummer, worden door een combinatie van factoren veel ouder. Dat ouder worden gaat gepaard met zorgen, zorgen over gezondheid en maatschappelijke positie, eenzaamheid en aftakeling. In die context is het niet gemakkelijk te praten over levensbeëindiging alleen omdat mensen hun leven voltooid achten. Als de oude dag immers omgeven is door zorgen kan het levenseinde soms te snel in beeld komen als mogelijke oplossing.

Toch vindt Achterbergh dat ook deze discussie gevoerd moet worden en dan bij voorkeur in de context van de huidige wetgeving. Er zou een debat op gang gebracht moeten worden in hoeverre mensen met een doodswens die niet direct veroorzaakt wordt door ziekte toch geholpen kunnen worden binnen de kaders van de huidige wet. Een discussie, aldus Achterbergh, waarvoor ook artsen zich wat nadrukkelijker open zouden moeten stellen.

In haar bijdrage komt Wolbert hierop terug. De wet, stelt zij, toetst de rechtmatigheid van een levensbeëindiging aan twee criteria: lijden moet uitzichtloos en ondragelijk zijn. Het eerste is een medisch vraagstuk, is iemand zo ziek dat hij nooit meer beter wordt. Of lijden ondragelijk is, is echter veel meer een persoonlijke vraag. Wat voor de een ondragelijk is, is dat voor de ander niet. Juist omdat in de huidige wetgeving een dergelijke persoonlijke afweging nu al een rol speelt, zou binnen de context van de huidige wet bekeken kunnen worden hoe mensen die het leven voltooid achten hulp kunnen zoeken. Dat debat zou gevoerd moeten worden.

Het zou wellicht kunnen voorkomen dat de discussie nog verder gepolariseerd raakt dan deze nu al is. Waar in Nederland betrekkelijk lang met grote zorgvuldigheid over levensbeëindiging gedebatteerd werd, valt Wolbert de laatste tijd steeds vaker op hoe stevig het debat geworden is. Voor- en tegenstanders van bijvoorbeeld een nieuwe wet die het beëindigen van een voltooid geacht leven mogelijk maakt, reageren heftig op elkaar. Voor de NVVE is dat soms een probleem, je wordt al snel in een bepaalde hoek gepositioneerd. ‘Terwijl ons voornaamste uitgangspunt, dat niemand die wil sterven alleen gelaten mag worden, toch eigenlijk eenieder zou moeten aanspreken’, meent Wolbert.

Bovendien dreigt de discussie over het levenseinde te veel een gesprek te worden onder hoger opgeleide, welvarende, autochtone Nederlanders. Daarin schuilt het gevaar dat voor sommigen een goede stervensbegeleiding toegankelijker is dan voor anderen. Mensen die wellicht wat moeilijker hun wensen onder woorden kunnen brengen hebben dan een achterstand, terwijl dit toch een vraagstuk is waarover iedereen het gesprek moet kunnen aangaan, ook als dat niet direct gaat in de termen of op de manier die we als maatschappelijk geaccepteerd beschouwen. Er mag geen kloof ontstaan tussen mensen met toegang tot hulp en mensen zonder die toegang.

In het gesprek achteraf viel vervolgens op dat het al snel ging over praktische vragen. Is een nieuwe wet wel nodig en hoe zou de samenleving met de doodswens van mensen kunnen en moeten omgaan. Erik Jurgens, die eerder een beschouwing schreef over dit vraagstuk in Socialisme en Democratie herhaalde de daarin gedane oproep om het gesprek verder te voeren op basis van een concrete wettekst. Dan kon vanzelf verder doorgedacht worden over morele en juridische haken en ogen die daaraan kleefden. Maar, riposteerde Frits Hendriks daarop, gaat het hier niet om zodanig existentiële vragen dat we juist voordat we praten over praktische oplossingen het eerst moeten hebben over de ethiek van dit alles?

Tot een daadwerkelijke conclusie kwam het vervolgens niet. Wat het gesprek echter wel duidelijk maakte, is dat een verder doordenken van begrippen als autonomie, afhankelijkheid, zelfbeschikking en waardig ouder worden hoognodig is. Daarbij is het wenselijk het debat van haar stekeligheid te ontdoen en toegankelijk te houden voor iedereen. En ondertussen moet er blijvende aandacht uitgaan naar mensen die – op welke grond dan ook – wensen te sterven. Want als alle aanwezigen een uitgangspunt met elkaar leken te delen was het wel dat niemand daarbij alleen mag komen te staan.

Eerste Banning Lezing door Lodewijk Asscher

i 6 november 2017 door

Op woensdag 21 februari 2018 zal Lodewijk Asscher de eerste Banning Lezing uitspreken in de Rode Hoed, Amsterdam. De Banning Lezing is een initiatief van de Banning Vereniging bedoeld om de discussie over waarden, levensovertuiging en sociaaldemocratie een nadere impuls te geven. De lezing wordt om het jaar uitgesproken na de uitreiking van de welbekende Banning Prijs. Daarmee is een nieuwe traditie geboren.

Het programma is 21 februari als volgt. De avond begint om 19.15u (inloop 19.00) met een kort debat tussen de vier genomineerden voor de Banning Prijs 2018. Hieraan aansluitend zal juryvoorzitter Jet Bussemaker de winnaar van de Banning Prijs 2018 bekend maken. Na de prijsuitreiking is er kort de tijd voor felicitaties, waarna Lodewijk Asscher om 20.30 zijn lezing zal uitspreken.

21 februari is de geboortedag van Willem Banning (1888-1971). Banning was als ‘rode dominee’ een van de grondleggers van het religieus geïnspireerde socialisme in Nederland en mede-oprichter van de Partij van de Arbeid in 1946. Als haar belangrijkste ideoloog gedurende de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw drukte Banning zijn stempel op de beginselprogramma’s van 1947 en 1959. Vanaf 1939 was hij lange tijd redacteur van Socialisme en Democratie, het blad van het wetenschappelijk bureau van de partij.

Banning bepleitte een niet-materialistisch, humanistisch, vrijzinnig en democratisch socialisme dat een sterke nadruk legt op de cultuur en op bindende normen zoals rechtvaardigheid, gemeenschap, verantwoordelijkheid en solidariteit. Individu en gemeenschap waren voor Banning onverbrekelijk met elkaar verbonden. Het ‘personalisme’ of personalistisch socialisme dat hij in navolging van Franse sociaal-christelijke denkers omarmde, stond voor de vrije ontplooiing van individuen in solidaire gemeenschappen. Dit personalisme stond volgens Banning haaks op het economisch liberalisme en ‘anarchistische’ individualisme. In ons eigen tijdperk zijn Bannings morele appel, zijn nadruk op cultuur en zijn oproep tot gemeenschapszin meer dan ooit relevant.

Wilt u de prijsuitreiking en de lezing op 21 februari bijwonen? Meldt u dan nu aan via deze link. Meer informatie? Mail naar info@banningvereniging.nl.

Brief aan de vereniging: Leo Steinhauzer

i 3 oktober 2017 door

Ik zal het maar meteen bekennen. Ik heb de laatste verkiezingen een proteststem uitgebracht De poster met het gezicht van Lodewijk Ascher heb ik op mijn prikbord geplakt en er bij geschreven: breng een proteststem uit. Maar op wie? Ik had niet durven voorspellen dat de teruggang zo groot zou zijn. Dan had ik misschien niet meer gedurfd af te wijken. Het was niet de eerste keer dat ik van de kudde wegliep, maar er was altijd een goed alternatief bij de hand, ooit de CPN van Ina Brouwer en ook wel eens Groen Links. Ik heb bijna altijd een persoon gestemd, want het zijn altijd mensen die het moeten doen en aan wie je vertrouwen geeft. Deze keer wist ik het heel lang niet, maar ik wilde ook niet thuis blijven. Het werd tot mijn eigen verbazing ChristenUnie. Mijn vader en schoonvader hebben zich, zij het om verschillende redenen, in hun graf omgedraaid. Doorslaggevend was dat op een gegeven moment tot mij doordrong dat de mensen van CU en SGP de enige politici waren die echt vertrouwde. De SGP staat wel erg ver van mij af, maar ook bij de CU had ik moeite met de ethische paragraaf. Het zelfbeschikkingsrecht voor mensen vind ik een groot goed. Anderzijds realiseerde ik me ook hier, dat de wijze waarop progressieve, liberale partijen de problematiek benaderden (toen en nu) geen recht doet aan de zorgen van de wat dit betreft conservatievere partijen. Vroeger zaten de rechtse partijen vast aan verkrampte en vastgeroeste dogma’s, waar links doorheen moest zien te breken. Nu is het andersom en lopen die traditionele partijen op tegen een progressief blok dat niet lijkt te willen luisteren naar oprechte zorgen van partijen die zelf wel in beweging zijn. Nergens is zoveel verandering te bespeuren dan in het orthodox christelijke volksdeel.

Het is in linkse kringen nu eenmaal niet gebruikelijk zich te compromitteren met traditionele tegenstanders. Liever dan in dialoog te treden koestert men de populaire debatcultuur om het eigen gelijk te bevestigen. Deze gewoonte om de tegenstellingen te zoeken is dodelijk voor een samenleving die op weg moet om wereldbreed verdraagzaamheid en samenwerking te bereiken. Bijna elke politicus zal oprecht met de mond belijden niet van politieke spelletjes of Haags gedoe te houden. Dat is echter een onmogelijke positie, een hooguit goede bedoeling. Het politieke spel kan niet anders gespeeld worden. Dat betekent niet dat er geen integere politici zijn; die zijn er wel degelijk, maar er is altijd een dubbele bodem. Er is altijd wantrouwen op de achtergrond.

Misschien dat sommigen mij te negatief vinden. Feit is dat velen om deze reden de politiek de rug toekeren. Politiek is ingewikkeld geworden, grotendeels geprofessionaliseerd. En dat is in tegenspraak met wat democratie wil: iedere burger een stem geven. Niet alleen een stembiljet.

De crisis in de westerse democratie is niet alleen in Nederland maar ook in de Verenigde Staten zichtbaar en dichter bij huis in Duitsland, Frankrijk en Spanje. Een vlucht in populisme, nee zeggen tegen de gevestigde politiek, een proteststem uitbrengen of het gewoon af laten weten. We leven in roerige en soms beangstigende tijden. Velen hebben het gevoel dat politici met oogkleppen maar doordenderen met de hoogmoed van het eigen gelijk. Vooral met zichzelf bezig. Niet gek zoveel wantrouwen. Het contact met de mensen is verloren. In de PvdA wordt dat niet echt opgemerkt. Voorheen werd vaak gezegd: we hebben het niet goed uitgelegd. Nu horen we: we moeten weer een sociale beweging worden. Het zal niet lukken. Politiek komt uit een sociale beweging voort en niet andersom.

Wanneer zal het dieptepunt voor de PvdA diep genoeg zijn om echt tot inkeer te komen. Een terugkeer naar waarom het ooit allemaal is begonnen. Ik zie daartegen vooral weerstand. Hoewel echte bezinning is geen vreugdeloos navelstaren is, maar serieuze reflectie. Niet de opdracht om de partij in vier of acht jaar weer op de kaart te zetten, zodat regeringsmacht kan worden verworven. Het is te doen om de sociale beweging waaruit socialisme en sociaaldemocratie zijn voortgekomen. Waar liep die warm voor? En waar ging het mis? Er kwamen dictaturen en tirannieke leiders. Onder de vlag van het nagestreefd ideaal zijn grote misdaden en massamoorden gepleegd. Toen in 1989 een einde kwam aan de Koude Oorlog en het belangrijkste communistische regime door de val van de Berlijnse muur verdween, drong voor velen pas werkelijk door hoe het communisme en het socialisme waren gecorrumpeerd. De opleving van het marxisme in de zeventiger jaren bleek een zwanenzang te zijn geweest. Sociaaldemocraten stonden met de mond vol tanden. Al tegen het einde van de jaren zeventig verdween het elan voor een nieuwe samenleving. Van de optimistische verwachtingen uit de jaren zestig was maar weinig gerealiseerd. Als uitweg uit deze benarde positie ontstond de ‘derde weg’: de toenadering tot het liberale marktdenken. Het woord socialisme wordt niet meer gebruikt. Nog slechts in vage termen gaat het over ‘onze idealen’.

De verkiezingen in Duitsland maken duidelijk dat de politieke ontwikkelingen zoals ze zich in Nederland voltrekken niet op zichzelf staan. De kritiek op politici, Europa en de vertegenwoordigende democratie is internationaal. De verkiezing van Trump als president van de VS was eenzelfde signaal. Gevoed door angst voor autoritaire regimes in islamitische landen en terroristische aanslagen om ons heen, vluchtelingen en vreemde culturen verlangen mensen naar directe invloed op de politiek en zoeken allereerst de veiligheid in hun eigen afgeschermde omgeving. De groeperingen die wij rechts-populistische noemen, menen hierop het antwoord te hebben. De grootste fout van andere partijen, waaronder de PvdA, is dat zij uit angst kiezers te verliezen hun opvattingen overnemen. Vervolgens verliezen zij die kiezers toch wel, maar dan tegelijk ook eigen gezicht en identiteit.

Over democratie en openbaar bestuur, het uitoefenen van macht, valt veel te zeggen. Uitgangspunt van verkiezingen en onderhandelingen is machtsverwerving, maar zou het niet beter zijn te streven naar machtsbeperking? Onze parlementaire democratie wordt vaak geroemd en als voorbeeld gesteld voor de rest van de wereld. Er worden zelfs oorlogen voor gevoerd. Kritiek wordt meestal snel van tafel geveegd met het argument dat een beter alternatief ontbreekt, maar David van Reybrouck heeft er al mee geëxperimenteerd. Ik kan er nog wel meer bedenken. Eén ding is zeker. Democratie begint thuis, op het werk en op de club, in de straat, in de wijk. Maar onze samenleving is daar niet meer op ingericht. Initiatieven, zoals die in de jaren zeventig ontstonden, dikwijls met veel ongemak en onderlinge strijd en weinig plezierige herinneringen, zijn inmiddels vergeten. Het kind is met het badwater weggegooid. Hierover en over andere onderwerpen zoals solidariteit, competitiedwang en leiderschap zijn onderwerpen waarover nagedacht kan worden en die misschien nieuwe ideeën opleveren.

Ik droom van een Nederland en een wereld waar het weer leuk is, met positieve kracht. Wie droomt er mee? Ontstaat dan het begin van een nieuwe sociale beweging en eindig ik terecht met wordt vervolgd?

Leo Steinhauzer

Banning Prijs 2018: de waarde(n) van links

i 2 oktober 2017 door

In linkse kringen in Nederland is de afgelopen jaren veelvuldig en uitvoerig gesproken over waarden. Er was het project Van Waarde, dat op zoek ging naar de kernwaarden van de sociaaldemocratie. Er was kritiek op het verkwanselen van waarden. Er was de roep om waardengedreven politiek. Je zou bijna denken dat die waarden de heilige graal zijn van de linkse politiek. Het is alleen zaak ze nog even te vinden en (waar nodig) weer wat op te poetsen.

Tegelijkertijd was er de politieke afrekening van 15 maart. Niet alleen de Partij van de Arbeid leed een ongenadig verlies, nog nooit was links als geheel in het Nederlandse parlement zo slecht vertegenwoordigd. De vraag waar links nog voor staat of voor zou moeten staan wordt ondertussen niet zelden beantwoord met een glazige blik. Ondertussen constateert menigeen dat al zijn vrienden naar rechts zijn opgeschoven. Links zijn in Nederland is een eenzame ervaring geworden.

Wat is dan nog de waarde van al dat gepraat over waarden? De kracht van de Nederlandse sociaaldemocratie school lange tijd in het sluiten van compromissen, in besturen. Daarbij zijn waarden, beginselen en ideologie mogelijk handvatten of bronnen van inspiratie, maar zijn ze ook meer dan dat? De hedendaagse politiek is in zichzelf technisch en complex, is een gesprek over waarden alleen dan niet te makkelijk? En zijn waarden wel een goede basis om politieke invloed te verwerven, of gaat het uiteindelijk toch vooral om geloofwaardigheid.

Wat is nog de waarde van linkse waarden? En welke waarden waren dat, zijn dat of zouden dat moeten zijn? En wat is de meest wenselijke verhouding tussen waarden, overtuiging en politiek? Op dat soort vragen zoeken we een antwoord. Schrijf er voor 1 januari 2018 een compact en prikkelend essay over. Werk toe naar een puntige conclusie die onderbouwd wordt met stevige feiten, heldere argumenten en levendige voorbeelden in een originele stijl.

Prijzen en uitreiking
De winnaar van de Banning Prijs 2018 ontvangt 1000 euro. De overige drie genomineerden ontvangen elk 250 euro. De vier genomineerde essays worden gebundeld in een boekje en het winnende essay komt in aanmerking voor publicatie in Socialisme & Democratie. De Banning Prijs 2018 wordt op 21 februari uitgereikt, voorafgaand aan de Banning Lezing uitgesproken door Lodewijk Asscher. Alle inzenders zijn van harte uitgenodigd uitreiking en lezing als gast bij te wonen.

Deelname
Mail je essay van maximaal 2000 woorden uiterlijk 1 januari 2018 voor 21.00u als word-bestand naar info@banningvereniging.nl. Vermeld je naam, geboortedatum, adres, telefoonnummer en studierichting of beroep. Inzenders zijn niet ouder dan 35 jaar. Ontvangst van inzending wordt altijd bevestigd.

Jury
Jet Bussemaker (Minister van Onderwijs in het kabinet Rutte-Asscher, voorzitter)
Menno Hurenkamp (Wiardi Beckman Stichting)
Jeroen Muller (Banning Vereniging)
Matthijs Nijboer (Vereniging Woodbrookers Barchem)
Harmen van der Meulen (genomineerde Banning Prijs 2016)
Maarten van den Bos (Ambtelijk Secretaris Banning Vereniging)

Over de Banning Prijs
De Banning Prijs is een politieke essayprijs voor mensen tot en met 35 jaar. De Banning Vereniging wil middels de prijs het denken over waarden en democratie stimuleren. Onder voormalig winnaars van de prijs zijn Dick Pels, Pieter Hilhorst en Wimar Bolhuis. De prijs wordt tweejaarlijks uitgereikt, vanaf 2018 voor het eerst in combinatie met het uitspreken van een Banning Lezing.