RELIGIE: EEN BLINDE VLEK BIJ ZELFREFLECTIE PvdA

i 1 mei 2018 door

Op het projectiescherm in de Rode Hoed stond met grote letters ‘Banningvereniging’ en met kleinere letters ‘levensovertuiging’, ‘religie’ en ‘sociaaldemocratie’. Lodewijk Asscher hield de eerste Banninglezing, 21 februari 2018. Het was een interessant en bevlogen verhaal over de politieke uitdagingen van nu. Maar de verhouding tussen levensovertuiging, religie en sociaaldemocratie kwam niet aan bod. Terwijl de Banningvereniging juist daaraan zijn bestaansrecht ontleent.

Het woord ‘religie’ kwam uitsluitend voor in negatieve zin, namelijk als iets waartoe mensen niet gereduceerd mogen worden. Geen identiteitspolitiek. We zijn als mensen meer dan onze religie, etniciteit en afkomst. Daarover zei Asscher zinnige dingen. Hij vergeleek de identiteitspolitiek van de verzuiling in de tijd van Banning met die van nu en bepleitte een nieuwe doorbraak. Als mensen niet méér zijn dan onderdeel van een etnische of religieuze groep, valt de samenleving uit elkaar. Dan krijg je: stem op mij om wie jij bent, want bij mij ben je veilig. Identiteitspolitiek leidt nooit tot een ‘wij-samenleving’. Breek door deze nieuwe verzuiling heen, was Asscher’s boodschap. ‘Be a Banning’.

So far, so good. Maar wat is de rol van religie en levensovertuiging dan wél in zo’n uiteenvallende samenleving? Dat in 1946 een dominee het oprichtingscongres van de PvdA voorzat, toonde dat de doorbraak méér was dan: christenen, welkom, maar jullie levensovertuiging is een privézaak die buiten de politiek moet blijven. Integendeel, in het eerste beginselprogramma werd de inbreng ervan expliciet verwelkomd. En mede dankzij Banning werd zelfs de opdracht van kerken erkend om zich in de publieke discussie te mengen. Dat was niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.

Ook met de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart in zicht was enige reflectie van Asscher op de huidige verhouding tussen levensovertuiging, religie en sociaaldemocratie wenselijk geweest. De dreun die de PvdA bij de Kamerverkiezingen van 2017 heeft gekregen heeft daar immers mee te maken.

Volgens het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) van het CBS van 2012 noemde toen 42% van de PvdA stemmers zich ‘gelovig’. Daar zaten veel moslims bij. Ook al zijn er (nog) geen vergelijkbare cijfers voor 2017, het staat vast dat veel mensen met een islamitische achtergrond toen geen PvdA gestemd hebben, terwijl de PvdA bij hen altijd veel meer stemmen trok dan welke andere partij ook. Zie de uitslag van 2017 in Amsterdam: de PvdA van 35.8% naar 8.3%, DENK van nul naar 6.9%. In Nieuw-West, waar veel mensen met een islamitische achtergrond wonen, de PvdA van 40.5% naar 7.2%, DENK van nul naar bijna 20%. In Rotterdam en Den Haag was DENK zelfs groter dan de PvdA. De gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart bevestigen hoezeer deze kiezers zich door de PvdA in de steek gelaten voelen.

Dit heeft overigens voor de PvdA nog een bijkomend effect. Behalve naar GroenLinks en D66 zijn in 2017 ook veel jongeren naar DENK overgestapt. Volgens het NKO 2017 had DENK zelfs veruit de jongste kiezers, met een gemiddelde leeftijd van nog geen 35 jaar. De PvdA-kiezer was toen gemiddeld bijna 60 jaar (alleen de aanhang van 50-Plus was ouder). En voor jongeren waren juist culturele thema’s belangrijk, schrijft het NKO 2017. Voor de DENK-kiezers telt dan uiteraard hoe Wilders van religie een politiek speerpunt heeft gemaakt.

De PvdA heeft zichzelf suf geanalyseerd, maar ook in het boek De neergang van de PvdA met interviews met 19 PvdA-prominenten vind ik geen reflectie op de rol van religie. In de uitvoerige index komen de woorden religie, godsdienst en ook islam niet voor. Een uitzondering is Fouad Sidali, wethouder in Culemborg, die wijst op de verwijdering van mensen die hun religie belangrijker vinden dan de ideologie van de PvdA. Sociaal-culturele thema’s zoals ritueel slachten doen er óók toe, naast de sociaal-economische zoals werk, wonen en zorg.

Waarom die blinde vlek voor levensovertuiging en religie, uiteraard in bredere zin dan alleen de islam? De eerste verklaring geldt niet alleen voor de PvdA: onwetendheid. In een groot deel van onze samenleving bestaat je reinste religieus analfabetisme. Ook politici en journalisten hebben vaak geen benul van wat religie in ons land nog betekent.

Eén van de oorzaken lijkt futiel maar is het niet: de gezaghebbende rapporten tonen voornamelijk percentages. Als volgens ‘God in Nederland’ (2016) 82 % van de bevolking zelden of nooit meer een kerk van binnen ziet, roept dat het beeld op van kerk en geloof als verwaarloosbare factoren. Maar als je de percentages van wat er wél nog is omrekent in aantallen en bovendien de jongeren meetelt (dat doen de meeste rapporten niet) zie je iets anders dan het stereotype beeld.

Ondanks de doorgaande krimp, met name in de twee grootste kerken – de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en de Rooms-Katholieke Kerk – gaan toch nog altijd ongeveer 1.4 miljoen mensen in Nederland één keer per maand of vaker naar de kerk. In een gemiddeld weekend zijn het er 1 miljoen en met kerstmis 3 miljoen. Zo’n 4 miljoen mensen geven zelf aan dat zij zijn aangesloten bij een christelijke kerk of groepering.

Deze gegevens zijn al weer twee jaar oud, maar vergelijk dit met de 300.000 leden van politieke partijen, van wie bovendien slechts een klein deel actief is. En het laatste CBS rapport (eind 2016) komt zelfs tot veel hogere cijfers van godsdienstigheid: de helft van de bevolking van 18 jaar en ouder rekent zich tot een ‘kerkelijke gezindte’. Dat is (anders dan de cijfers hierboven) inclusief 6 % andere religies, met als grootste groep de 4.9 % die zichzelf omschrijft als moslim.

Lopen de kerken leeg? Dit cliché behoeft correctie. Evangelische geloofsgemeenschappen trekken veel jongeren. Er zijn honderden migrantenkerken die veelal snel groeien. De behoudend-gereformeerden (ook enkele honderdduizenden) blijven constant. Het ledental van de PKN blijft dalen, maar plaatselijk zijn er veel nieuwe initiatieven. Hoeveel potentieel de kerken nog steeds hebben als sector in de civiele samenleving met een geheel eigen karakter wordt onvoldoende beseft.

De beeldvorming wordt trouwens ook te veel bepaald door de zogenoemde bible belt, alsof in heel kerkelijk Nederland de slang nog steeds echt gesproken heeft. In tal van kerken werden homoseksuele relaties al gezegend lang voordat ze voor de wet een huwelijk mochten heten. Kerkelijke mensen gaan relatief vaker naar de stembus en doen meer vrijwilligerswerk. De uitspraak van Straatsburg over de ‘bed, bad en brood regeling’ was een initiatief van de PKN, maar wie weten dat? Natuurlijk is er ook veel negatiefs, het plaatje is gedifferentieerd. Maar door die blinde vlek worden ook de veranderingen niet gezien. De sociale binding in de uitpuilende garagekerken in de Bijlmer is ook voor politici van belang, ongeacht of men zelf gelovig is of niet.

Naast onwetendheid is er een tweede verklaring van het gebrek aan reflectie in de PvdA en die slaat wel op de PvdA zelf. De intense discussie over geloof en politiek in de tijd van Banning heeft plaats gemaakt voor desinteresse en neerbuigendheid. Voorbeelden zijn de betutteling van godsdienst in de integratienota van 2009 (vooral de islam als probleem in ‘ons Nederland’), de slordigheid in de Tweede Kamer fractie in 2011 bij het onderwerp ritueel slachten (niet eerst goed overleg met de joodse en islamitische achterban), en in 2013 bij uitgerekend het thema ‘binding’ in de Van Waarde Resolutie geloof en levensbeschouwing alleen in negatieve zin (het vrijwaren van het seculiere, open en verdraagzame karakter van onze samenleving) benoemen.

En dan nu die slogans ‘Rechts met den bijbel’ en ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’. Mijn hemel. Waarom worden religieuze sleutelwoorden gekoppeld aan iets negatiefs, nl. een rechts beleid waartegen oppositie gevoerd moet worden? Mij stoort het mateloos. Maar het geeft ook aan dat het beeld van ‘de christenen’ versus de rest nodig moet worden gecorrigeerd. Christenen zijn niet alleen te vinden in het CDA, de CU en de SGP. In 2012 stemde volgens het CBS van de rooms-katholieken in Nederland 22% VVD, 16% PvdA en 10% CDA. Laten we mensen inderdaad niet reduceren tot hun religieuze overtuiging, zeg ik Asscher na.

Hopelijk hoeven we niet op de volgende Banning lezing te wachten voor serieuze reflectie op de relatie tussen levensovertuiging, religie en sociaaldemocratie.


Meer lezen? In de uitvoerige studie Kerkelijkheid en geloof in aantallen gaat de auteur uitvoerig in op de beeldvorming over kerk en geloof en de veranderingen in het kerkelijk landschap aan een nadere inspectie worden onderworpen. In het najaar organiseren het Netwerk PvdA en Levensovertuiging en de Banning Vereniging gezamenlijk een bijeenkomst waar Laurens Hogebrink – voormalig medewerker van de Nederlandse Hervormde Kerk en de PKN – met belangstellenden in gesprek gaat over zijn notitie. De auteur is lid van de PvdA.

Macht en ideeën. Interview met Tinneke Beeckman

i 3 april 2018 door

Op 24 januari jl. organiseerde De Balie in Amsterdam een avond over Ter Braaks essay Het nationaal-socialisme als rancuneleer. Menno ter Braak (1902- 1940) was een van de meest vooraanstaande intellectuelen van zijn tijd. Hij was bestuurslid van de intellectuele groepering die zich, buiten het politieke partijwezen om, rekenschap gaf van en verzet bood aan de extremistische tijdgeest: het zogenoemde Comité van Waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische intellectuelen (1936-1939).

In zijn essay ging Ter Braak in op rancune, wrok en de ressentimentsmens die het meerdere bezit van de ander niet kan verdragen. Ter Braak zag rancune ontstaan door het streven naar economische en sociale gelijkheid. Tinneke Beeckman schreef speciaal voor deze avond een nieuw essay. Naar aanleiding van deze avond en het boek Macht en Onmacht hadden we een gesprek met Tinneke Beeckman in haar woonplaats Antwerpen.

We willen graag weten waarom Ter Braak ons nu nog iets te zeggen heeft. Daarom is onze eerste vraag naar het waarom van een essay over dit onderwerp.
Menno ter Braak staat meer in de aandacht sinds de opkomst van Pim Fortuin, Geert Wilders en Donald Trump. Het is de vraag of hun ideeën overeenkomen met het pure ressentiment dat Ter Braak in zijn werk beschrijft. Ik denk dat er boeiende raakvlakken zijn.

In je essay (elders in dit tijdschrift) beschrijf je ressentiment. Ressentiment is een gevoel van onmacht, wrok en rancune. Leidt ressentiment tot rechtspopulisme?
Ressentiment is niet alleen een gevoel. Waar het om gaat is dat het ressentiment waardebepalend is. De haat is primair, dan volgt de verklaring. De mens kan de haat laten prevaleren boven de rest. De haat kan sterker zijn dan liefde, dan naar verlangen naar verbondenheid. Dat is wat Ter Braak beschrijft. Wie ben je? Degene die haat kiest een groep als tegenstander, die haat gaat degene helemaal bepalen. Vanuit het idee van een samenzwering begin je helemaal dat idee op te bouwen.

Ter Braak heeft het over het recht op gelijkheid. Wat is dat recht op gelijkheid?
Met de Franse revolutie ontstaat het gelijkheidsideaal. De gelijkheidsgedachte is nu meer dan vlak voor de Tweede Wereldoorlog toegespitst op de gelijke rechten. Bijvoorbeeld het hoger onderwijs dat niet meer wordt beschouwd als een privilege maar als een recht. Daarbij wordt alles een kwestie van kwantiteit waardoor de kwaliteit verloren gaat.

Het boek ‘Macht en Onmacht’ opent met het gedicht ‘A Street’ van Leonard Cohen.

It’s going to be September now
For many years to come
Every heart adjusting
To that strict September drum

I see the Ghost of Culture
With numbers on his wrist
Salute some new conclusion
Which all of us have missed

So let’s drink to when it’s over
And let’s drink to when we meet
I’ll be standing on this corner
Where there used to be a street

Wat spreekt je aan in het gedicht van Leonard Cohen?
Het gedicht gaat over 11 september en de impact ervan. Het is bijzonder dat Leonard Cohen zich zo politiek uitsprak, terwijl hij dat bijna niet deed. Een kunstenaar zoals Cohen kan op een andere manier dingen raken dan een filosoof en kan soms meer bereiken met taal. Het gedicht refereert aan de aanslagen van 11 september 2001 in de VS Met de aanslag op het Franse weekblad Charlie Hebdo in januari 2015 beleefde Europa haar 11 september.

Het eerste hoofdstuk start met de moord op de redactie van Charlie Hebdo. Dit satirische tijdschrift schopte tegen elk heilig huisje. De boegbeelden van mei ’68 waren er in vertegenwoordigd. Het bejubelde de vrije zoektocht naar geluk tegen elke groepsdruk in.
De zondag na de aanslag gingen 4 miljoen mensen de straat op. Deze eensgezindheid duurde niet lang, schrijf je. In de debatten erna neemt het slachtofferschap een belangrijke plaats in. Is dit na drie jaar nog steeds hetzelfde?

Er is nu meer kritiek op het slachtofferschap. Mijn boek begint met Charlie Hebdo en hoe erop gereageerd werd, door politici en in de media, met discussie over de vrijheid van meningsuiting en met de grote marsen in de Franse steden. Dit alles riep vragen op. Was de mars daarna een demonstratie van burgerschap, een revival van waarden of was het een ‘spuwen op de godsdienst van zwakkeren’, al jaren door de overheid in de steek gelaten slachtoffers? In de dagen na de aanslagen was er bijvoorbeeld onder jongeren in de banlieues discussie over wie dader en wie slachtoffer is. Slachtofferschap nam een belangrijke plaats in tijdens de publieke debatten. Waren de daders geen slachtoffers van een groter, algemener onrecht? Wie het ergste slachtofferschap kan claimen krijgt het grootste gelijk. Niet wat iemand doet of denkt, maar hoe diep iemand gekwetst is, doet ertoe. Ik vraag me af hoe we dit hedendaagse ressentiment kunnen begrijpen.

Waar kwamen deze twijfels over de mars vandaan?
De zekerheden waar Charlie Hebdo ooit in geloofde zijn mede door de postmoderne denkers vervangen door een algemene vertwijfeling over de waarden en ideeën die de samenleving vorm moeten geven. De postmoderne methode is een analyse op basis van machtsstructuren. Zij verkondigden dat algemene waarden een illusie zijn, een uitdrukking van misplaatst superioriteitsgevoel. Zelfs de wetenschappelijke waarheid is een product van machtsverhoudingen. De dominantie van het postmodernisme als kritische denkstroming loopt ironisch genoeg parallel met de opkomst van economische liberale politiek, die vanaf de jaren ’80 zowel bij linkse als bij rechtse partijen steun vindt. Wie stelt dat waarheid slechts een constructie is, opent de deur voor het neoliberalisme.

Postmoderne denkers als Foucault en Derrida verhinderen emancipatie, het kritisch denken en de onafhankelijkheid van leden uit minderheidsgroepen. Kun je dat verder verklaren?
Wetenschappelijke waarheid, rationalisme, universele idealen zouden het product van machtsverhoudingen zijn. Waarheids- en autoriteitsaanspraak worden hiermee onmogelijk gemaakt, normatieve oordelen afgeschaft. Het is dus de vraag of deze methode helpt om onmacht te doen afnemen en wantoestanden te verbeteren. Het postmodernisme heeft juist gevoelens van onmacht veroorzaakt.

Toneelgroep Amsterdam speelt het stuk The Fountainhead, dat geschreven werd op basis van één van de belangrijkste boeken van de Amerikaanse filosofe Ayn Rand, al vier jaar lang voor uitverkochte zalen. Aanhangers van Forum voor Democratie zeggen te spreken in haar geest. Waarom is zij zo populair?
Rands boodschap past perfect bij de tijdsgeest. Rands onverbloemde heroïsme trekt degenen aan die zich niet herkennen in het pessimistische onmachtige mensbeeld dat de postmoderne filosofie kenmerkt. De held in Rands werk lijkt wel een almachtig mens: rationeel, meester van zijn lot, aan niemand iets verschuldigd, volstrekt autonoom. Ook zonder zelfmedelijden, medelijden of verbittering. Het is de ideale mens voor Rand. Heel wat Europeanen vinden haar romans zeer aantrekkelijk. Terwijl postmoderne denkers als Foucault wantrouwig staan tegenover begrippen als waarheid, rede, identiteit en objectiviteit, voert Rand uitgerekend die begrippen weer in. Ze hangt dus het tegenovergestelde mensbeeld van de postmoderne denkers aan. Tegelijkertijd schetst ze de mens van de toekomst die perfect past bij het economisch liberalisme.

Hoe manifesteert zich dat?
Het neoliberalisme dringt overal in door. Alle ouders willen bijvoorbeeld dat hun zoontje zo goed wordt als voetballer Messi. Dat jongetje moet altijd op het veld staan, hij mag niet worden terecht gewezen, als die vuil speelt mag hij geen kaart krijgen, dat is nu precies het ressentiment waar het over gaat. Er is zo’n gedweep met beroemdheid. De jeugd leeft in een soort spanning, de lol is er op tal van manieren echt wel vanaf. Kinderen staan onder druk om te presteren. Als ouder win je de loterij als jouw kind zo bijzonder kan voetballen, dat komt door de manier waarop geld meespeelt in de sport. Wat heeft dat nog te maken met het plezier van het spel?

De waarden van de sociaaldemocratie waren gelijke verdeling van kennis, macht en inkomen. De sociaaldemocratie lijkt veel mensen niet meer aan te spreken. Hoe kijk je daar tegen aan?
Links heeft geen overtuigend alternatief verhaal voor de vrije markt geboden. Wie wel het verlichtingsverhaal schrijft zoals de redactie van Charlie Hebdo loopt het risico om te worden vermoord. Het doel van dergelijke politieke moorden is om de toekomst van een samenleving te veranderen. Wellicht dat wie ideeën kan verspreiden meer macht heeft dan staatsmannen.

Tinneke Beeckman (1976) studeerde moraalwetenschappen en filosofie en doceerde na haar promotie aan de Vrije Universiteit Brussel. Haar boek Macht en Onmacht: Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting publiceerde ze in 2015. Eerder verscheen Door Spinoza’s lens, een oefening in levensfilosofie (eerste druk 2012), dat werd bekroond met de Liberales-prijs. Beeckman schrijft columns voor De Standaard en NRC Handelsblad. Ze geeft ook lezingen over filosofie voor een breder publiek, waarbij de aandacht voornamelijk uitgaat naar de relatie tussen (democratische) politiek, economie en filosofie.

Brief aan de vereniging: Frits Hendriks

i 6 maart 2018 door

Van mening veranderen tijdens een discussieavond. Hoe vaak gebeurt dat? Mij is het gebeurd op de discussieavond over euthanasie van het Netwerk PvdA en Levensovertuiging, waarvan in de vorige Tijd en Taak verslag werd gedaan. Het was weliswaar geen totale ommekeer, geen 180 graden draai, maar bijstelling van relatief onverschillig tot strijdvaardig.

En dat had alles te maken met hoe de drie hoofdpersonen van dit debat andere meningen tegemoet traden: voormalig huisarts Dirk Achterbergh, voorzitter Agnes Wolbers van de NVVE en gespreksleider Maarten van den Bos.

Dokter Achterbergh was de rustige van het stel. Hij had veel met de huidige wet gewerkt. Hij had er her en der wel wat problemen mee, maar dat was meer technisch dan principieel. Een huisarts voor wie geen klacht vreemd is. Zo’n dokter wens je eigenlijk iedereen toe.

Met Agnes Wolbers lag dat anders. Zij begon als een bekwaam lobbyiste alles wat niet in haar straatje paste weg te werken. Zo moesten we van haar het debat ontdoen van begrippen met een negatieve connotatie. We mochten niet meer spreken van euthanasie plegen, maar van verlenen. Moord versus gunst.

Ook mochten we niet zeggen dat de wet een hellend vlak is. Maar wat is het anders? In Wolbers’ verhaal is er maar één kant waar de bal naartoe kan rollen en dat is richting verruiming van de mogelijkheid tot levensbeëindiging. Dat is heel praktisch, maar ook heel duidelijk. Door gespreksleider Van den Bos werd dit frame overgenomen. Hij bestond het te vragen wie er voor vooruitgang was en wie stappen terug wilde zetten.

Nog nooit heb ik zo de ideeën van mensen met een andere mening horen ridiculiseren. Achterbergh ging daarin op een gegeven moment ook mee. Hij zei dat christelijke partijen niet erkennen dat mensen een doodswens hebben. Toen hij hierop werd bevraagd – een vraag overigens die door gespreksleider Van den Bos tot driemaal toe irrelevant verklaard werd – moest hij toegeven dat dit geen feit was, maar een vermoeden. Toch herhaalde hij het daarna vol bravoure als de nieuwe waarheid. Wolbers zong mee in dit koor.

Ook werd er voetstoots gedebiteerd dat tegenstanders van verruiming een directe link legden tussen slechte zorg en de vraag naar euthanasie. Hoewel Achterbergh over de invoering van de wet in 2001 had gezegd dat het vreemd was dat niet eerst de palliatieve zorg was verbeterd, mocht hier niet ook naar de staat van de zorg gekeken worden. En het verband heb ik nog niemand zo direct horen leggen, behalve Achterbergh en Wolbers.

Dit was geen eerlijke competitie van ideeën. Maar de weigering om de discussie meer te maken dan een uitvoeringskwestie is wel een toppunt van idiotie. Mensen hebben nu eenmaal recht op waardig sterven. Wat dit voor het leven betekent maakt deze mensen niets uit. Welke consequenties het heeft, interesseert hen niet. Of we niet beter over waardig leven zouden moeten spreken, vinden ze een ontkenning van de reëel bestaande wensen.

In mijn hoofd komt een beeld op, een variant op de posters voor ALS-onderzoek. Daar staan mensen op met de tekst: ‘Ik ben inmiddels overleden’ en ‘Ga door met mijn strijd’. In mijn campagne zouden mensen staan die nog leven, met de tekst: ‘Als het aan Alexander Pechtold/Agnes Wolbers had gelegen, was ik nu dood.’ Ik wil niet beweren dat ze mensen willen laten vermoorden. Maar welke boodschap geven we mee aan die vele depressieve mensen in Nederland als we het leven niet meer onaantastbaar vinden? Als we ze niet meer met z’n allen meegeven dat het leven maar één mogelijkheid biedt: leven. Het is een fundament dat de samenleving stut. Niet voor niets zijn we geschokt door een zelfdoding. Het tast onze meest fundamentele waarheid aan: Ieders leven doet ertoe. Waarom mag deze existentiële laag niet worden meegenomen bij de debatten?

Ook in het meer recente donordebat zag je dit terug. Er waren nog wel vragen over grondrechten, maar niet meer over de existentie van iedere mens. Ook in dat debat regeerde de praktijk. Frank de Grave vatte het mooi samen: ‘In de praktijk is de donorwet een betrekkelijk kleine verandering.’ (Trouw 30-01-2018) Maar in het leven? Wat zegt deze wet over hoe we tegen de mens en zijn leven aankijken? Ik heb ook geen antwoord, maar ik wil wel de ‘trage’ vraag kunnen en blijven stellen, zoals Annemarieke van der Woude in haar boeken doet. Zij schrijft over het levenseinde vanuit het perspectief van theologie en zielzorg. Ik heb die vraag dan ook gesteld bij het debat; ik heb het verslag gehaald. Maar meer is nodig: de vraag moet blijven klinken, bij elke discussie. Het debat is te belangrijk om aan ‘praktische’ mensen te worden overgelaten.

Frits Hendriks

Banning Lezing door Lodewijk Asscher

i 26 februari 2018 door

Op woensdag 21 februari, geboortedag van Willem Banning, hield Lodewijk Asscher de eerste Banning Lezing in de Rode Hoed, Amsterdam. De lezing, onder de titel Be a Banning! De nieuwe doorbraak: kom in opstand tegen politici die je tot geloof, kleur of consument reduceren, werd uitgesproken nadat Jet Bussemaker, namens de jury, de Banning Prijs 2018 had uitgereikt aan Twan van Lieshout. De lezing is hier terug te lezen en terug te zien.

De Banning Lezing is een nieuw initiatief van de Banning Vereniging en zal om het jaar – gelijktijdig met de uitreiking van de Banning Prijs – worden uitgesproken in de Rode Hoed te Amsterdam. Met de eerste lezing door Lodewijk Asscher is een nieuwe traditie geboren.

Twan van Lieshout wint Banning Prijs 2018

i 26 februari 2018 door

Op woensdag 21 februari heeft Jet Bussemaker, namens de jury, de Banning Prijs 2018 uitgereikt aan Twan van Lieshout voor zijn essay Weg van het redelijke midden. Twan won 1000 euro en zijn essay wordt voor publicatie voorgedragen bij de reactie van Socialisme en Democratie. De overige genomineerden, Teun Dominicus, Yourik Malet en Naomi Woltring, wonnen elk 250 euro.

De vier essays en het juryrapport zijn uiteraard hier terug te lezen:

De vereniging feliciteert alle genomineerden en de winnaar van harte.