Wie verdient het Nederlander te zijn?

i 4 december 2018 door en

Tamar de Waal (1988) is politiek filosoof en jurist. Ze werkt als universitair docent rechtsfilosofie aan de Erasmus Law School, waar ze onderzoek doet naar de relatie tussen rechtsstaat en inburgering, integratie en democratisch burgerschap. In 2017 promoveerde ze op het proefschrift Conditional Belonging. We spraken Tamar over de effectiviteit van het inburgeringsbeleid, de spanning die dat beleid oproept rond de democratische rechtstaat, het politieke klimaat en mogelijkheden tot beïnvloeding. Het interview vond plaats vlak na Prinsjesdag.

Je gaf je proefschrift de titel ‘Conditional belonging’. Hoe vertaal je dat in het Nederlands en wil je iets vertellen over de inhoud?
De titel vertaal ik in het Nederlands met ‘voorwaardelijke acceptatie’, of misschien ‘voorwaardelijk erbij horen’. Mijn proefschrift omschrijft de wijzigingen in het inburgeringsbeleid sinds 1998. Die wijzigingen hebben verband met de manier waarop Nederland, samen met verschillende andere West-Europese landen, aankijkt tegen nieuwkomers en burgers met een niet-Europese, niet-westerse migratieachtergrond.

Het inburgeringsbeleid is in de afgelopen twintig jaar meer dan twintig keer gewijzigd. De vraag van de beleidsmakers was steevast: wat is de mate van individuele integratie die wij van nieuwkomers moeten verwachten voordat ze in Nederland mogen blijven? Beleidsbeslissingen worden niet genomen op grond van wetenschappelijk onderzoek naar welke methode het beste inburgering ondersteund. Het is daardoor feitenvrij beleid. In mijn proefschrift stel ik dat dit perspectief op integratie ook het inburgeringsbeleid is gaan bepalen, met averechtse effecten.

We bekijken mensen met een migratieachtergrond met het perspectief dat ze persoonlijk geïntegreerd kunnen zijn of niet. Als ze dat niet zijn, dan is het hen niet gelukt om bij Nederland te horen. Wanneer zo iemand een vlekje heeft, bijvoorbeeld als vroegtijdig schoolverlater of een crimineel, staat zijn of haar Nederlanderschap meteen ter discussie. Dit laatste speelt nooit bij personen zonder migratieachtergrond: natuurlijk kunnen zij hevig bekritiseerd worden, maar er wordt nooit over gediscussieerd of ze hier wel thuishoren. Bijna alle politieke partijen hangen deze manier van denken aan.

Hoe verklaar je dit?
Er zijn meerdere redenen. Nederlandse politici moeten werken met het Europese systeem waar familiemigranten en vluchtelingen recht hebben om te blijven, het is een recht en niet een gunst. Dat klinkt politiek niet heel goed, dus wat doen ze? Ze grijpen het instrument van inburgering aan. De inburgeringseisen stapelen zich op omdat dat het enige beleidsterrein is waar politici steeds voorstellen kunnen doen om te laten zien hoe zij met migranten omgaan. Het inburgeringsbeleid wordt aangegrepen om het debat over migratie vorm te geven. Daardoor zie je een systeem dat niet tot de beste resultaten leidt maar toch wordt ingevoerd. Jarenlang hebben we inburgeraars te veel aan hun lot overgelaten, omdat zij de volledige verantwoordelijkheid hebben voor hun inburgering en het halen van alle inburgeringsexamens. Bovendien bleek al snel dat inburgeraars helemaal niet teruggestuurd kunnen worden, omdat het vooral familiemigranten en vluchtelingen betreft. We gaven dus steeds minder ondersteuning aan groepen nieuwkomers in de samenleving die toch blijven.

Is er een oplossing?
We moeten meer voor gelijkwaardig burgerschap gaan staan. De oplossing die ik voorstel is dat je het inburgeringsbeleid moet loskoppelen van wetgeving die bepaalt wie verblijfsrechten of burgerschap krijgt. Het huidige inburgeringsbeleid werkt remmend. We laten alle inburgeraars urenlang in klassen zitten, omdat ze allemaal aan dezelfde taaleis moeten voldoen. Als ze vervolgens het examen niet halen krijgen ze hoge boetes, daardoor ontstaat veel stress. Ongeveer vijftig procent van de inburgeraars die via familiehereniging hier komt, haalt het examen. Bij vluchtelingen is dat ongeveer dertig procent.

Als je inburgering loskoppelt van verblijf en burgerschap kun je veel beter onderwijs en ondersteuning op maat aanbieden. Niet iedereen hoeft dan aan dezelfde eisen te voldoen, waardoor bijvoorbeeld sommige nieuwkomers zo gauw mogelijk kunnen doorstromen naar het hoger onderwijs en anderen basaal Nederlands leren begrijpen.

Vind je iets terug van je ideeën in de nieuwe plannen en de troonrede van dit kabinet?
In de troonrede werd wel iets gezegd over dat mensen zo snel mogelijk moeten gaan werken en de taal leren en dat het inburgeringsbeleid anders gaat worden. Dat zegt niet zoveel, maar er is dus wel aandacht. En er komt inderdaad een persoonlijk inburgeringsplan waarvoor de verantwoordelijkheid bij de gemeente komt te liggen. De huidige Minister voor Integratie, Wouter Koolmees, erkent dat het systeem niet werkt. Hij heeft duidelijk gezegd dat mensen te veel aan hun lot zijn overgelaten. Dat zegt de PvdA nu ook. De nieuwe plannen worden in 2020 ingevoerd. Dat is positief. Maar al die examens en boetes blijven, er komt een persoonlijk inburgeringsplan bij en alle vier de taalexamens gaan één niveau omhoog. Dit terwijl grote groepen al veel moeite hebben met het huidige vereiste taalniveau.
Voor de averechtse praktische gevolgen van het inburgeringsbeleid is dus wel aandacht, maar men is politiek bang om te breken met het idee dat mensen hun burgerschap moeten verdienen. Zo luidde de eerste zin van de paragraaf van het regeerakkoord over inburgering: ‘Nederlanderschap moet verdiend worden’.

Wat wel beter gaat is het verzamelen van feiten over inburgering. Over het verhogen van de taaleis is door docenten, ambtenaren en wetenschappers gezegd dat het beter zou zijn om dat niet te doen. Maar het stond in het regeerakkoord en daardoor was het on-onderhandelbaar. Er komt wel meer begeleiding, tegen minder kosten voor de inburgeraar. Het wordt praktisch gratis, als ik het goed begrijp.

Je bent actief met je stichting Civic. Wil je daar iets over vertellen?
Ik heb Stichting Civic opgericht als wetenschappelijke denktank om uit te zoeken welk beleid voor nieuwkomers nu ‘werkt’. We verzamelen wetenschappelijke studies, doen onderzoek en proberen dit inzichtelijk te maken voor een breder publiek. Dit doen we vanuit een Inburgeringslab aan de Vrije Universiteit, bij hoogleraar Halleh Gorashi.

Daarnaast onderzoeken we mogelijkheden tot strategisch procederen. Zo is het opvallend dat nieuwkomers die hun examens niet halen, hun antwoorden niet kunnen inzien om te zien wat ze goed en fout hadden. Verder onderzoeken we of er sprake is van discriminatie bij het inburgeringsexamen buitenland. In het algemeen hopen we een informatiepunt te worden, bijvoorbeeld voor gemeenten en advocaten, waar ze informatie kunnen vinden over de maatschappelijke en juridische kanten van de huidige inburgering en mogelijke, betere alternatieven.

De fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer pleitte tijdens het debat over de Miljoenennota voor het dubbel straffen van mensen in wijken met veel criminaliteit en waar meer dan 50% niet-westerse migranten wonen. Hoe beoordeel jij deze uitspraak?
De fractievoorzitter van de VVD, Klaas Dijkhoff verdedigde zijn beleid van dubbele straffen in bepaalde postcodegebieden met de verklaring dat in die wijken een integratieprobleem is. Dit bleek tijdens de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer na een vraag van Marijnissen of in witte wijken met hoge criminaliteit deze maatregel dan ook niet zou helpen. Toen antwoordde hij: ‘Ja, maar daar is geen integratieprobleem’. De combinatie van criminaliteit én een vermeend integratieprobleem legitimeert andere maatregelen voor deze wijken. Dat is volstrekt niet rechtsstatelijk, discriminerend en ook praktisch niet te verdedigen.

Klaas Dijkhoff heeft de afgelopen tijd ook andere problematische proefballonnetjes opgelaten, die juridisch onhoudbaar zijn. Hij stelde bijvoorbeeld voor om vluchtelingen op te vangen, hen vijf jaar te laten blijven en dan terug te sturen of in een kamp op te vangen als ze niet bevallen. Wie wel past mag blijven. Juridisch is dat volstrekt onmogelijk. Ik vind dat heel opvallend, want hij is gepromoveerd jurist en weet, vermoed ik toch, heel goed dat dit allemaal niet kan.

Banning Leergang 2018: Is dit de politiek die we werkelijk willen?

i 4 december 2018 door

Is dit de politiek die we werkelijk willen? Om die vraag draaide dit jaar de Banning Leergang 2018. Twee deelnemers, Arie Huisman en Frits Hendriks, voelden zich door die vraag voldoende uitgedaagd om er een reflectie over te schrijven. Hieronder hun beschouwingen.

Is dit de politiek die we werkelijk willen?

Met deze vraag ben ik aan de Banningleergang 2018 begonnen en heb ik antwoord gekregen? Om te beginnen kan ik natuurlijk alleen maar voor mijzelf antwoord geven op deze vraag en zou ik willen vermijden te suggereren voor alle deelnemers aan de leergang, laat staan voor alle Nederlanders te spreken. ‘Er wordt nooit naar ons geluisterd’ en ‘het Nederlandse volk wil’ hoor ik wat mij betreft veel te vaak. ‘We doen het voor onze kinderen’ in de zwartepieten discussie, onze eigen mening wordt wat mij betreft te vaak verward met wat kinderen/mensen nu echt vinden als we het ze vragen na het goed te overdenken.

Ik denk dat de zwartepietendiscussie ook direct blootlegt waar, voor mij, het werkelijke probleem zit. De argumenten worden op luide toon uitgewisseld zonder echt naar elkaar te luisteren en zonder enig respect voor de mening of het geloof van de ander. Deze, in mijn ogen, gewelddadige omgangsvorm zie je eigenlijk overal, zowel in het maatschappelijke als bestuurlijke debat. Voor sommigen lijkt het een spel maar voor anderen is het bloedserieus. Is dit de samenleving waarin ik mij prettig voel? Nee!!! Is dit de samenleving die ik wil? Nee!!! Is dit antwoord op de vraag of dit de politiek is die ik werkelijk wil? Nee!!!

Volgens de Wikipedia is politiek:‘de wijze waarop in een samenleving de belangentegenstellingen van groepen en individuen tot hun recht komen – meestal op basis van onderhandelingen – op de verschillende bestuurlijke en maatschappelijke niveaus. Waar de scheidslijn loopt tussen het politieke en het ethische en sociale is een vraag waar veel verschil van mening over bestaat. De meeste wetenschappers erkennen dat er sprake moet zijn van enig potentieel tot het gebruik van macht of geweld om een vraagstuk als politiek te bestempelen — bij het beslissen van een politiek conflict is meestal sprake van een verplaatsing van macht van de ene groep of persoon naar een andere groep of persoon.’

Het gaat dus om het overbruggen van tegenstelling tussen groepen en individuen, waarbij het begin van de oplossing meestal het gesprek is (onderhandelingen). Met ethische en sociale kaders als grenzen, zonder dat duidelijk is waar deze precies lopen. Uitmondend in een nieuw evenwicht in machtsverhoudingen. In de kern is politiek dus het onderhandelen op basis van argumenten, waarbij bepaalde grenzen in acht worden genomen, om te komen tot een nieuw evenwicht in onderlinge verhoudingen.

De onderhandelingen beginnen veelal als maatschappelijk dispuut en moeten uiteindelijk op een bestuurlijk niveau beslecht worden. Of dat bestuurlijke niveau nu democratisch of dictatoriaal is, is niet echt relevant voor het bereiken voor de nieuwe machtsverhoudingen, wel relevant is de hoeveelheid geweld waartoe men bereid is om de nieuwe verhoudingen af te dwingen. En het monopolie daarvoor hoort toe aan het bestuurlijke niveau, elke andere vorm moet worden verworpen en worden bestreden.

Natuurlijk is het lastig de juiste keuzen te maken, soms strijden rechten van mensen en financieel-economische belangen om voorrang. Soms zijn aan economische belangen ook mensenrechten verbonden zoals bijvoorbeeld het recht op zinvolle arbeid. Daar is dus de ‘vrijheid’ van de een tegelijkertijd de ‘onvrijheid’ van de ander, wat weegt het zwaarste. Hier moet de politiek een gefundeerde keuze maken en tegelijkertijd de benadeelde compenseren voor de inbreuk op zijn of haar rechten. Mensenrechten mogen echter nooit ondergeschikt zijn aan zuiver financiële belangen.

Verder is het lastig los te komen van denken in ‘eigen schuld dikke bult’. ‘Waarom zou ik je helpen je hebt het aan jezelf te danken!’ En hoever ga je daarmee, laat je een zwemmer die bewust grote risico’s heeft genomen maar verdrinken, of red je hem van de verdrinkingsdood? Help je de toekomstige generatie Grieken of vind je dat ze zeg twee generaties moeten boeten voor het wangedrag van politici gekozen door hun ouders en grootouders. Geen cent voor de Grieken hoor je dan. Gold dat ook toen duidelijk werd dat onze voorouders te zuinig waren geweest en nalieten de dijken rondom Zeeland en de delen van Zuid-Holland tijdig te verhogen? En waarom hielpen de Amerikanen ons na WOII met het Marshall-Plan? Daar zat ook eigenbelang achter zou je kunnen zeggen, je kan ook zeggen ‘wie goed doet, goed ontmoet’, dat klinkt voor mij al een stuk positiever. Het resultaat is hetzelfde, iedereen tevreden met het resultaat.

De politiek zoals ik die zou willen:

  • Ik kies voor een politiek bestuurlijk niveau dat democratisch tot stand komt. Zonder iemand uit te
  • Ik kies voor een politiek die haar handelen toetst aan onze grondwet en universele mensen- en
  • Ik kies voor een representatieve democratie, waarbij politieke partijen en politici duidelijk zijn over hun motieven en over de ethische en sociale grenzen die zij wensen te
    hanteren, de ideologie die zij aanhangen.
  • Ik kies voor een politiek die vindt dat democratie meer is als de dictatuur van de helft plus één.
  • Ik kies voor een politiek die balans zoekt en mensen die benadeeld worden op een rechtvaardige manier compenseert, zelfs over landsgrenzen
  • Ik kies voor politici die niet wegduiken als bestuurlijk handelen vereist
  • Ik kies voor politici die hun eigen keuzen maken en zich niet primair laten leiden door wat andere politici, ook in andere landen
  • Ik kies voor politici die een voorbeeld willen zijn voor ons
  • Ik kies voor politici die vergevingsgezind zijn en zich niet laten leiden door haat- en wraakgevoelens, jegens anderen en
  • Ik kies voor politici die bereid zijn ook tot dan toe onbekende oplossingen te verkennen.

Ik realiseer mij dat de politicus die dit alles in zich heeft, lastig te vinden zal zijn. Dus zal ik het moeten doen met politici die dat tenminste proberen en net als ik vinden dat er in dit lijstje eigenschappen staan die niet onderhandelbaar zijn.

Arie J. Huisman

Is dit de politiek die we willen? Reflectie op de Banningleergang 2018

Ja, ik wil! Ik wil de romantische politiek van Diederik Samsom. De schoonheid van het compromis. Het zoeken van gezamenlijke grond. Dat is toch schitterend. Maar hij kwam niet.

Hij kwam niet bij de Banningleergang. Samsom werd bij de minister van Klimaat geroepen en moest de Banningleergang weerstaan, maar Mei Li Vos heeft diezelfde romantische inslag. En zij verving hem als slotspreker, moegestreden leek het wel van een gewonnen campagne.

Hij kwam niet, die romantische politiek, in de Haagse werkelijkheid. In de campagne van 2012 kwam het ideaal van het eerlijke verhaal nog tot leven, maar daarna werd Samsom’s politiek een schrikbewind. Als in een communistische heilstaat, leek het wel, werd de fractie tot de juiste gedachten gekneed. Al nuanceerde Mei Li Vos dit beeld. Zij had zelf deel uitgemaakt van die beruchte fractie en herkende weliswaar dat despotische bewind in de eerste maanden, maar zag daarna beterschap. Samsom had geleerd van zijn fouten. Of dat een roze bril van Vos was of daadwerkelijk het romantische ideaal dat we met z’n allen organisch kunnen groeien, zal de historicus op een later ogenblik wel analyseren. Wij moeten door met de hedendaagse politiek.

En daar ging Mei Li Vos, ondanks haar ideaal, meteen in de fout. Zij noemde de kameraden van de Socialistische Partij roeptoeters. Dat markeerde niet per se het begin van een eerlijk gesprek. En ze roemde George Monbiot. Hij is een moderne linkse denker. Maar in zijn boek Na de puinhopen geeft hij vooral een echo van Pim Fortuyn’s De puinhopen van acht jaar Paars ten beste. Het is allemaal niks, maar gelukkig heeft hij de oplossing. En Monbiot’s oplossing is er daadwerkelijk een waarvoor Fortuyn zich niet geschaamd zou hebben: verbroedering, weer een samenleving worden. Is dat de politiek die we willen? Nee, dank u.

Ik hoorde zelf in de politiek eerst het appel van de christen-democratie, alvorens Wouter Bos mij riep met zijn Dit land kan zoveel beter. Ik schaam me er nu een beetje voor dat ik juist door zo’n titel sociaal-democraat ben geworden. Alsof het allemaal fout is in dit land. Alsof het echt allemaal beter moet. Wat Bos precies voorstelde weet ik niet meer. Het boekje heb ik bij een verhuizing afgegeven aan het bestuur van een PvdA-afdeling. Wel weet ik dat hij begon met The road not taken. Een voor mij -toen- nieuw gedicht over de mogelijkheid en de spijt als je niet alle mogelijkheden onderzoekt. Daarna beschreef Bos zijn zoeken naar het begrip solidariteit. Ik neem aan dat hij van daaruit zijn betoog opbouwde: we moeten solidairder zijn, weer een echte samenleving worden. Weer die boodschap waar Fortuyn en Monbiot zich niet voor zouden schamen. Het idee is blijkbaar aansprekend, maar er komt -even blijkbaar- niets van terecht.

Drie jaar geleden heb ik in een essay religie nog bezongen als de visionaire macht die politiek nodig heeft. Hoe verkeerd kun je het hebben? We hebben geen nood aan visioenen. Waarom willen we toch steeds vluchten naar een andere, betere wereld? Waarom kunnen we niet het goede dat er is behouden?

Dat is wat de apostel Paulus zei: Onderzoek alles en behoud het goede. We onderzoeken wel, bij de Banningvereniging zeker, maar dan blijven we vooral hangen bij wat er fout is. Daar leggen we de vinger op en we stellen grote ambities om die fouten als uitdagingen om te zetten in successen. Maar wat gebeurt er met hetgeen wat al goed was? Dat verpietert omdat het geen aandacht krijgt of dat wordt overgroeid door het nieuwe. Op de gang van de leergang hadden we het over zorg, onderwijs, integratie, bijstand, noem maar op. En steeds moesten we tot de conclusie komen dat elke vernieuwing ten koste gaat van wat al goed is. En dat is zonde, want er is zoveel goeds in de wereld en dat willen we toch niet vernietigen? Dat goede moet vooral goed blijven.

Je hoeft volgens mij geen blije professor te zijn om dat te zien. Al is de positieve blik helaas eenzaam in onze samenleving, en al helemaal bij de Banningvereniging. En toch is die blik wáár, hoe romantisch wellicht ook. In zijn nieuwe en tevens laatste boek laat professor Hans Rosling dat weer eens zien. En hij wil ons -samen met zijn dochter en schoonzoon- ons opvoeden om op een andere manier naar de wereld te kijken. Niet met het oog op wat fout is, maar met het oog op wat al goed is. Niet het nog-niet, maar het al-reeds is dan het vizier.

Dat wil niet zeggen dat er niets beter kan, maar we moeten oppassen voor destructieve zingeving. Zo noemt Mohamed Ajouaou de fundamentalistische gedachte die met één maatregel alles wil oplossen. Dat kan een zelfmoordaanslag zijn, maar ook het geloof in privatisering. Zo’n eenzijdig verlangen naar heil loopt altijd fout af, zoals Sander Heijne aantoonde in Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u. Terwijl dat verlangen zo ongelofelijk menselijk is. Remieg Aerts liet zien dat zolang als er democratie is er al aan gesleuteld wordt, om het perfect te krijgen. Dat is nog nooit gelukt, maar de drang zit er en blijft maar komen. En maakt onze democratie overspannen, zoals Gijs van Oenen dat noemt, en juist daardoor kwetsbaar. Is het dan nooit genoeg? Houdt het meer willen dan nooit op?

Laten we dankbaar zijn voor wat er is. Dankbaarheid als politieke attitude; daar wil ik de komende tijd onderzoek naar doen. Het is nodig om een politiek te voeren zonder grootse visioenen, maar met een beperkte horizon van hier en nu. Politiek die niet stoelt op het grote verhaal, maar op wat al in onze samenleving besloten ligt. De contemplatieve omwenteling in de theologie zou ook naar de politiek moeten worden doorgevoerd, wat Erik Borgman al voorstelde in Leven van wat komt. Onze samenleving is al goed. Laten we van daaruit vertrekken.

Is dit de politiek die we willen? Ja, want het ís onze politiek. Daar ben ik dankbaar voor.

Frits Hendriks

 

Exit redelijkheid en spaarzaamheid; terug naar Keynes?

i 5 november 2018 door

Twan van Lieshout won begin dit jaar de Banningprijs 2018 met zijn essay ‘Weg van het redelijke midden’. In deze bijdrage krijgt Twan nog wat nadere argumenten mee: de uitgangspunten van het financieel-economische beleid van de PvdA, inclusief het begrotingsbeleid moeten inderdaad fundamenteel op de schop. Maar niet alleen omdat Van Waarde dat vraagt, maar vooral ook omdat dat economisch heel verstandig is.

In zijn prijswinnende essay ‘Weg van het redelijke midden’ meldt Twan van Lieshout dat het voor het herstel van de positie van de sociaaldemocratie in het algemeen en de PvdA in het bijzonder niet nodig is om nieuwe waarden te ontwikkelen, maar wel om twee bestaande waarden te laten vallen: redelijkheid en spaarzaamheid. Hij verwijst in dat verband ook naar het Van Waarde manifest, waarin onder meer staat dat de PvdA terug moet naar het anticyclische Keynesiaanse begrotingsbeleid. Daarbij hoort volgens Van Lieshout ook een nieuwe agenda van werkelijke herverdeling, echte gelijke kansen, mogelijkheden voor oudere mensen die hun werk zijn kwijtgeraakt en een publieke sector die haar burgers weer dient in plaats van hen te wantrouwen. Maar, zo stelt hij vast, dergelijk anticyclisch beleid is helaas niet goed uitvoerbaar binnen ‘de monetair-economische EU-politiek’.

Dat moet dus anders, maar zulks impliceert volgens Van Lieshout naast een doordachte economische analyse ook de intellectuele moed om die vernieuwde aanpak door te voeren en te verdedigen. Dat doe je enerzijds door afstand te nemen van het neoliberale economische beleid waar de PvdA verantwoordelijkheid voor heeft genomen met haar deelname aan Rutte II, maar anderzijds vooral door de huidige PvdA-visie over het financieel-economisch beleid fundamenteel op de schop te nemen.

Want zelfs in geval dat de crisis nu echt voorbij zou zijn, weten we dat we niet de laatste crisis hebben gehad. Van de ten onrechte lang genegeerde econoom Hyman Minsky leren we immers dat economische crises in kapitalistische economieën niet voortkomen uit oorzaken van buiten, maar juist vanuit het systeem zelf. Een economische theorie en een economische politiek die daar geen rekening mee houdt, wordt volgens journalist en econoom Martin Wolf ‘even relevant als een theorie van het lichaam die de mogelijkheid van een hartaanval uitsluit of een theorie van bruggenbouw die geen rekening houdt met het risico van instorting.’

Een klemmend pact

In de Nederlandse politiek overheerst in brede kring helaas nog steeds het idee dat de belangrijkste oorzaak van de problemen van de Nederlandse economie gedurende de laatste crisis de staatsfinanciën waren, in het bijzonder het financieringskort, de oplopende staatsschuld en de rentelasten. Dus moest de begroting op orde en dat wilde onder meer zeggen dat er substantieel bezuinigd moest worden. De ideologische onderbouwing voor dit beleid was dat de overheid te groot zou zijn, dat de verzorgingsstaat uit de voegen barst en dat er niet meer mocht worden uitgegeven dan dat er binnenkomt. Daarom moest Nederland door de zure appel heen bijten. Deze opvattingen kunnen echter nauwelijks worden onderbouwd met behulp van economische theorie en empirisch onderzoek. Een toenemend aantal economen was (en is) dan ook van oordeel dat Rutte I en Rutte II geen coherente macro-economische politiek hebben gevoerd en dat ze daardoor de crisis eerder hebben verdiept dan opgelost. Zie hiervoor bijvoorbeeld De Kam, Jacobs, Teulings en Hoffman in ons land, alsmede Amerikaanse economen als Krugman, Summers en Stiglitz. Maar ook in neoliberale kringen tamelijk onverdachte clubs als de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) kwamen tot vergelijkbare conclusies .

Groeiperspectieven en daarmee de ontwikkeling van de feitelijke werkgelegenheid werden in de jaren van de crisis immers vooral bepaald door de vraagzijde van zowel de goederen- als de arbeidsmarkt. Dat vergde dus ook eerder vergroting van de (overheids-)bestedingen om zo de zogenoemde output gap (dat is het verschil van wat je in je economie gegeven de beschikbare productiecapaciteit aan goederen en diensten kunt maken en wat je feitelijk maakt) effectief te dichten.

De basis van het Europese (en dus ook het Nederlandse) begrotingsbeleid is echter dat aan de eisen van het zogenaamde Stabiliteits – en Groei Pact moet zijn voldaan. De bruto overheidsschuld moet volgens dat pact beperkt blijven tot maximaal 60% van het bruto binnenlands product. Let wel: bruto- en geen netto-schuld, want de overheid mag geen activa bezitten. De neoliberale ideologie vereist namelijk dat de overheid haar activa zoveel mogelijk verzelfstandigt en privatiseert. Om de geëiste schuldquote te realiseren, mag het financieringssaldo van de overheid voorts maximaal 3% van het bruto binnenlands product bedragen.

Begrotingsbeleid à la PvdA versie 2012

Vóór haar deelname aan het kabinet-Rutte II had de PvdA betrekkelijk weinig boodschap aan dat Stabiliteits – en Groei Pact. De PvdA zag toen meer het grote belang van begrotingsbeleid als onderdeel van een politieke agenda gericht op het oplossen van de financiële crisis. Dit standpunt kwam ook tot uitdrukking in de weigering van de partij om deel te nemen aan het zogenoemde Kunduz-akkoord van april 2012. Het programma van de PvdA voor de verkiezingen van 2012 wees het Stabiliteits – en Groei Pact af en pleitte voor de formulering van een nieuw groeipact in Europees verband, met als doelstellingen het scheppen van werkgelegenheid en als lange-termijndoelstelling begrotingsevenwicht. In het programma voor de Europese verkiezingen van 2015 is overigens juist die werkgelegenheid met nadruk naar voren geschoven.

Het programma gaf aan dat (zoals Van Lieshout terecht opmerkt) zeker ook de overheidsfinanciën op orde moesten worden gebracht en grote besparingen moesten worden gerealiseerd en hervormingen in gang gezet. Dit diende echter wel behoedzaam te gebeuren, omdat de economie immers in een recessie verkeerde en de werkloosheid steeds verder opliep. Dus was goede maatvoering van belang teneinde de economie de gelegenheid te geven te herstellen en vertrouwen te scheppen waaruit nieuwe economische groei kon voortkomen.

Kunduz werd wel getekend door D66 en zelfs door GroenLinks. Zij hadden er toen blijkbaar geen moeite mee om te tekenen voor een omvangrijk bezuinigingspakket, dat uiteindelijk door Rutte II en dus door de VVD en de PvdA is uitgevoerd. Met voor de PvdA en voor haar achterban desastreuze gevolgen. In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II werd namelijk onverkort vastgehouden aan de Europese begrotingsafspraken. Hiermee stemde de PvdA alsnog in met het Kunduz-akkoord. Met daar bovenop nog verdergaande bezuinigingen, die moesten worden betaalt als prijs voor de zo gewenste regeringsdeelname. En dit terwijl op dat moment ook al duidelijk was dat die afspraak om politieke-, maar vooral ook economische redenen zeer onverstandig was.

Erg veel lijkt de PvdA hier echter niet van te hebben geleerd. In het verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 werd, met een verwijzing naar de ’traditie van een verstandig begrotingsbeleid’, gemeld dat de PvdA aan het eind van de kabinetsperiode structureel evenwicht op de begroting wil hebben, zodat we ‘onze kinderen niet opzadelen met de rekening en ouderen ook in een vergrijzende samenleving de zorg kunnen bieden die ze verdienen’. Wel mocht het tekort oplopen bij economische tegenslag of ’bij onvoorziene omstandigheden’. Maar over het klemmende Stabiliteits – en Groei Pact echter geen woord!

Het belang van een activistisch begrotingsbeleid

In de context van de indertijd bestaande macro-economische situatie waren naar mijn oordeel en dat van anderen andere interventies op het terrein van het begrotingsbeleid nodig dan onder Rutte II zijn overeengekomen.

o Argument 1 om het in ieder geval indertijd rustig aan te doen met al die bezuinigingen, was dat Nederland een structureel hoog betalingsbalansoverschot kende en overigens nog steeds kent. Dat duidt op een spaaroverschot en op onderbesteding, welke juist een ruime(re) inzet van begrotingsmiddelen vereist en een ruimere politiek ten opzichte van begrotingstekort en staatsschuld.

o Argument 2 voor een ander beleid was dat bezuinigen helemaal niet zo hoefde van de financiële markten. Beleggers willen namelijk vooral een goed product tegen een zo laag mogelijke prijs. Een goed product is een staatsobligatie van een staat die op de lange termijn aan haar verplichtingen kan voldoen. Door ons overschot op de lopende rekening en ons concurrentievermogen wisten financiële markten zich er in hoge mate van verzekerd dat Nederland zijn schulden kon afbetalen. Uit het feit dat de door de Nederlandse staat te betalen rente steeds relatief laag is gebleven, kan worden afgeleid dat de financiële markten in dit opzicht een stuk minder streng zijn dan Europa. .

o Argument 3 was dat uit talloze onderzoeken was gebleken dat bezuinigingen in exceptionele tijden van (financiële) crisis veel schadelijker zijn dan in normale tijden. Zo ongeveer alle economische actoren gedragen zich dan gerestricteerd, dat wil zeggen, dat ze terughoudend zijn met bijvoorbeeld consumptie, productie en het verstrekken van kredieten. Niet alle actoren kunnen echter tegelijk sparen zonder dat het nationale inkomen daalt. Uitgaven van de één zijn het inkomen van de ander. Door de overheid meer te laten sparen, werd het balansherstel in de private sector gefrustreerd, waardoor de bestedingen extra hard worden geraakt.

o Argument 4 was dat anticyclisch begrotingsbeleid zeker toen gemakkelijker was om uit te voeren omdat het risico dat de overheid stimulerend beleid verkeerd doseert veel kleiner was. De conjunctuur is dan immers beter te bepalen, want de economie verkeerde typisch in een dal waar ze niet zo heel snel uit zou komen.

o Argument 5 was dat uit de beschikbare data bleek dat sprake was van langdurige stagnatie. Die treedt op wanneer in een economie niet genoeg vraag is naar investeringsgoederen om de besparingen te absorberen. Langdurige stagnatie wordt zichtbaar door een lage tot negatieve reële rente, waardoor het bijna onmogelijk is via het monetaire beleid de nominale rentevoet zodanig te laten zakken dat we op een pad naar volledige werkgelegenheid kunnen komen.

Gegeven deze omstandigheden zou het begrotingsbeleid dus de klus moeten klaren om te voorkomen dat tijdelijke vraaguitval zou leiden tot structurele vernietiging van productiecapaciteit op de lange termijn, tot structureel minder investeringen door bedrijven en tot langdurige werkloosheid met als gevolg een structureel verlies van kennis van werknemers. Door als overheid zelf te investeren in bijvoorbeeld fysieke – en kennisinfrastructuur zou je die structurele effecten kunnen tegengaan. Daardoor zou ook de negatieve ontwikkeling van investeringen (waaronder niet in de laatste plaats de overheidsinvesteringen) kunnen worden gekeerd. Dat was en is ook de opvatting van organisaties als OESO, IMF en zelfs onze eigen Nederlandsche Bank.

Het IMF meent zelfs dat Nederland de overheidsbestedingen ook nu (nog) meer moet opvoeren, omdat dat het handelsoverschot zou doen krimpen en de onbalans in de handelsrelatie tussen Zuid- en Noord-Europa zou kunnen verkleinen. Het IMF wil daarbij dat die uitgavenverhogingen vooral neerslaan bij innovatie, onderwijs en onderzoek, vanwege de positieve effecten die die uitgaven hebben op het structurele groeivermogen van de economie. Ook Jacobs meent dat nog steeds, mede door de nog altijd zeer lage rentes hogere overheidsinvesteringen wenselijk zijn, aangezien zulke investe­ringen rendabeler zijn dan ooit. Met 2,6 miljard euro extra per jaar (0,35 procent bbp) werkt Rutte III volgens hem te weinig aan infrastructuur, onderwijs, R&D en ver­duurzaming van de energievoorziening.

Meer sterk door meer sociaal

Als PvdA willen we uiteraard graag een rechtvaardige(r) verdeling van kennis, macht en inkomen. Ook dit streven heeft in de periode Rutte II helaas behoorlijk wat klappen opgelopen, zoals Van Lieshout terecht stelt. De weg uit de crisis heeft onderweg immers nogal wat slachtoffers geëist. Daarbij kan niet echt worden gesproken van een eerlijke en rechtvaardige verdeling van de financiële- en sociale pijn als gevolg van de bezuinigingen. Dat geldt niet alleen de verdeling van inkomen en vermogen, kennis en macht, maar ook voor de toegang tot (goed) werk en maatschappelijke voorzieningen zoals onderwijs, zorg en wonen..

Minstens zo belangrijk voor het beleid gericht op versterking van onze economie is daarnaast echter ook dat een rechtvaardige verdeling van inkomen, vermogen, kennis, macht en die goede toegang tot maatschappelijke voorzieningen, in hoge mate bijdraagt aan duurzame economische groei, vanwege het positieve effect op het vertrouwen dat burgers (kunnen) krijgen, hebben en houden in de instituties van het land en in elkaar. In een studie van het IMF is bijvoorbeeld onderzocht hoe toegenomen ongelijkheid het vertrouwen tussen burgers onderling kan verminderen. Aangetoond is dat in de VS en in Europa vooral de ongelijkheid aan de onderkant van de inkomensverdeling het vertrouwen dat burgers in elkaar en de instituties stellen negatief beïnvloedt. Wanneer veel vertrouwen heerst, kan vrijuit worden gehandeld, onderhandeld en samengewerkt. Een situatie van wantrouwen zorgt echter voor misgelopen mogelijkheden met alle gevolgen voor de groei en draagt bovendien niet bij aan sociale cohesie in de samenleving, die we juist zo hard nodig hebben. Wantrouwen draagt langs die lijn waarschijnlijk ook bij aan de opkomst van populisme, in al haar soorten en maten.

Er zijn in dit opzicht in ons land substantiële bedreigingen aanwezig. De (relatieve) armoede, de vergroting van de inkomensverschillen tussen boven- en onderkant, de werkgelegenheidsontwikkeling bij lager opgeleiden, maar zo onderhand ook bij de middengroepen dragen bepaald niet bij aan het vertrouwen van mensen in de instituties van ons land en in elkaar. De liberalisering van het wonen leidt tot pijnlijke uitsluitingsprocessen, vooral in de steden. Stijgende koop- en huurprijzen drijven de lage- en middeninkomens naar de rand van de stad en daarbuiten. Opeenvolgende rapporten van de Onderwijsinspectie over De Staat van het Onderwijs geven aan dat de onderwijsloopbaan van onze jeugd niet zozeer wordt bepaald door intelligentie en doorzettingsvermogen, maar vooral door het inkomen en de opleiding van de ouders en door de school waar je als leerling zit. Ook signalen rond zorgmijding bij vooral lagere inkomensgroepen indiceren dat het met de toegang tot onze zorg niet echt goed is gesteld.

Een nieuwe start?

De constatering dat de economie er nu beter voor staat dan in 2012 is op zichzelf juist. Maar of dat lag dat aan het beleid waar ook de PvdA verantwoordelijkheid voor heeft genomen is een hele andere vraag. En was dat beleid bovendien fatsoenlijk en rechtvaardig? Als het doel van dat beleid was om ons te conformeren aan de afspraken die we in Europees verband hebben gemaakt in het kader van het Stabiliteits – en Groei Pact, dan hebben we het goed gedaan. Maar we zitten mis als ons doel was ons te houden aan verstandige economische inzichten die na de oorlog voor een ongekende groei zorgden en dat nog steeds kunnen doen.

Uit die inzichten blijkt ook dat het daadwerkelijk gevoerde beleid de economische groei en de werkgelegenheid onvoldoende heeft bevorderd en dat het in termen van de rechtvaardige verdeling van inkomen, arbeid en maatschappelijke voorzieningen niet goed genoeg is gesteld. Dat laatste is ook nadelig voor de economie.

Dat het met de economie nu goed gaat, komt vooral door het herstel van de voor Nederland concurrerende wereldhandel, waar de marktsector actief en met goed resultaat op heeft ingespeeld. Bovendien had het nog veel beter gekund wanneer eerder niet was uitgegaan van het neoliberale uitgangspunt dat het de ondernemers zijn die de banen scheppen – en de overheid dus niet – en dat daarom de beste overheid een kleine overheid is.

Het moet, zeg ik met Van Lieshout, dus inderdaad anders. Ten behoeve van de realisatie van echte bestaanszekerheid, verheffing, goed werk en binding, dat wil zeggen de Waarden van het Van Waarde manifest. Nederland heeft recht op een nieuwe, neo-liberaal-loze Partij van de Arbeid, niet alleen op papier, maar ook in de dagelijkse praktijk.

Alleen even afwachten of het goed komt met die intellectuele moed.

André Stroop is econoom en lid van het Netwerk Economie in de PvdA

 

Brief aan de Vereniging: Mei Li Vos

i 4 november 2018 door

Essays, zo heeft de Franse schrijver Jean Paul eens opgemerkt, zijn eigenlijk dikkere brieven aan vrienden. Indachtig die gedachte een brief aan de vereniging. Terugschrijven? Neem contact op met de redactie.

Lieve verenigde mensen,

Er is niets zo moeilijk voor een vereniging als een vereniging zijn. Je begint zo goedgemutst met z’n allen, verenigd achter een ideaal, maar na een paar algemene ledenvergaderingen blijken er toch verschillende betekenissen aan dat ideaal te worden gegeven. Voor je er erg in hebt, heb je de eerste scheuring. De protestantse kerk weet er alles van, haar geschiedenis is er een van vermenigvuldiging door delen.

De PvdA is ondanks vele mogelijkheden tot scheuring nog steeds een vereniging. Ik denk ook dat we de 75 jaar gaan halen, in 2021. De vraag is alleen hoe groot we dan nog zullen zijn. En misschien nog wel belangrijker, of we met onze rode broeders en zusters op links ooit groter worden dan rechts. Zoals we nu met elkaar omgaan heb ik daar een hard hoofd in. Zo ongeveer alle verenigingen op links zijn drukker bezig elkaar te bestrijden dan een aansprekend links verhaal te vertellen. Terwijl rechts nog een borrel neemt en het er niet meer over heeft, dat meningsverschilletje, over, ja eh, waar hadden we het ook al weer over?

Een dwarsstraatje. Deze zomer bracht het gezelschap Vrij Links een manifest uit. De schrijvers vinden dat een vrij en onbelemmerd debat cruciaal is voor onze samenleving en dat links zich daar meer voor moet inzetten. Prima, zou je zeggen, vindt niet iedereen een vrij en onbelemmerd debat van grote waarde? Maar dat was niet het punt. De opstellers vinden dat links te veel de oren laat hangen naar conservatieve gelovigen, vaak te vinden in islamitische kringen. Wie precies binnen welke linkse partij de oren laten hangen naar conservatieve gelovigen werd niet geheel duidelijk. De aantijging joeg vervolgens veel linkse mensen op de kast, ook omdat ze regressief links werden genoemd. Over en weer beschuldigden mensen elkaar van verkapte moslimhaat of vergoelijking van achterlijke praktijken. Wat vervolgens de Vrij Links initiatiefnemers deed verzuchten dat links blijkbaar nog steeds geen vrij en onbelemmerd debat wil. Rechts stond schaterlachend terzijde omdat links onderling aan het vechten was over wie het meest voor vrijheid was.

Andere dwarsstraat, of misschien wel meer een hoofdweg in de linkse stammenstrijd; de arbeidsmarkt en de verzorgingsstaat. Verschillende bloedgroepen binnen de vakbeweging en de linkse partijen kunnen het maar niet eens worden over hoe de arbeidsmarkt en verzorgingsstaat bestand blijven tegen alle druk van buitenaf. Ondertussen ontstaan er steeds meer constructies waardoor het betalen van sociale premies wordt vermeden en hebben steeds minder mensen toegang tot de sociale zekerheid. De arbeidsmarkt flexibiliseert door, de pensioenpotten lopen leeg, de rechten en uitkeringen worden versoberd omdat het links niet lukt om tot een gezamenlijk voorstel te komen voor het geknabbel aan de verzorgingsstaat. Zodra iemand iets oppert over de neveneffecten van het ontslagrecht of het pensioenstelsel wordt diegene neergesabeld als een verderfelijke neoliberaal. Ikzelf heb vroeger lustig meegedaan met het hakken op de oude bonden, erken ik in deemoed. Rechts gaat ondertussen rustig door met het ontmantelen van de instituties van de verzorgingsstaat.

Nog een zijstraat dan. Het kinderpardon. Soms lukt het om kinderen een verblijfsvergunning te laten krijgen door de publiciteit te zoeken. Dat is niet altijd even prettig voor de kinderen in kwestie, maar als het helpt dan moet het maar. Hoe vervolgens de linkse oppositie de broeders en zusters van de linkse partijen die deelnemen aan de coalitie behandelt, daar lusten de honden geen brood van. Vaak wordt door een motie iedereen gedwongen kleur te bekennen. De politici in de coalitie moeten dan met pijn in het hart tegen een behartenswaardige motie stemmen, omdat dat nu eenmaal de afspraak was met de coalitiepartner. Alles voor het goede doel, zou je zeggen, maar is het nu nodig om karaktermoord op je linkse vrienden te plegen terwijl je precies weet in welke spagaat zij zich bevinden? Doordat het verenigd links niet lukt om een betere regeling af te dwingen voor deze kinderen is elk individueel geval een lijdensweg. Rechts wrijft zich in de handen omdat het debat weer niet over hen ging, over de hardvochtigheid van het willens en wetens uitzetten van gewortelde kinderen, maar over de vermeende hypocrisie van links.

Stel dat we zouden ophouden elkaar de maat te nemen. Stel dat we verenigd zouden zijn in de strijd tegen het rechts dat de verzorgingsstaat wil afbreken, vluchtelingen niet wil opvangen en liefst alle moslims over een kam scheert. Stel dat het ons zou lukken om niet elkaar de maat te nemen op het linkse gehalte, maar dat we al onze energie stoppen in een alternatief wenkend perspectief op links?

Stel dat alle lieve linkse mensen tot tien tellen voor ze schampere opmerkingen maken over elkaar, of eerst even slikken voor ze zeggen dat alleen hun versie van links de enige ware weg naar de heilstaat is? Ik prevel dit uiteraard ook tegen mezelf. De eerste steen kan ik niet werpen, zondaar dat ik ben.

Ik weet het. Dit lijkt onmogelijk. Links dat niet bezig is elkaar te onderzoeken op zuiverheid. Maar het is wel mogelijk. Het is rechts al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw gelukt om niet elkaar in alle onderlinge verschillen af te branden, maar eendrachtig een verhaal tegen links te hebben, samengevat met de beschuldiging ‘hypocriet’.

Misschien moeten we eerst nog dieper wegzakken in zetelaantallen. Helemaal geen arbeidersvuist meer kunnen maken om de lonen omhoog te krijgen. Misschien moeten we eerst nog meer afsplitsen in kleine, zuivere eenheden. Misschien vindt ooit een verlichte geest het meest zuivere linkse leerstuk waarin mens, milieu, buitenland en dier voor de volle honderd procent tot hun recht komen. Ik vrees dat het er altijd te veel zullen zijn, die zuiver linkse leerstukken.

Toch blijf ik hopen op en geloven in vereende linkse krachten. Ik heb hoop, geloof en liefde. Maar de grootste daarvan is liefde. Voor het linkse ideaal. En daarmee ook voor elkaar. Want de liefde voor het linkse ideaal hebben we allemaal.

Mei Li Vos

Lilianne Ploumen: iedereen moet zeker zijn van goede zorg

i 4 oktober 2018 door en

In de vorige kabinetsperiode riep PvdA-staatssecretaris Martin van Rijn van Volksgezondheid veel weerstand op met de bezuinigingsmaatregelen van het kabinet Rutte II. Nu de PvdA in de oppositie zit en woordvoerder Gezondheidszorg Sharon Dijksma wethouder is geworden in Amsterdam, is Lilianne Ploumen naast haar woordvoerderschap voor Buitenlandse Zaken ook woordvoerder Gezondheidszorg. Wat is haar visie op de Gezondheidszorg?

Een enorme zorgsector (omzet 95 miljard) vraagt om doordenking van hoofd- en bijzaken. Heeft u als woordvoerder ideeën waar u vooral op in gaat zetten? Waar de sociaaldemocratie het verschil kan maken?
De zorgsector is heel groot. Dat is ook niet voor niets, want onze gezondheid en die van de mensen om ons heen is het belangrijkste wat we hebben. Juist daarom hebben we als PvdA ook twee woordvoerders in de Tweede Kamer die zich bezighouden met dit onderwerp. Mijn collega John Kerstens houdt zich bezig met de langdurige zorg en het arbeidsmarktbeleid. Ik ben woordvoerder op het gebied van de curatieve zorg, medisch ethische onderwerpen en preventie. Daarbinnen heb ik drie speerpunten: ik vind het ongelofelijk dat je gezondheid in Nederland voor een groot deel nog steeds bepaald wordt door waar je geboren bent en welke opleiding je hebt gehad. Mensen in achterstandswijken of mensen die niet gestudeerd hebben leven gemiddeld jaren korter en in slechtere gezondheid dan andere mensen. Dat moet echt veranderen. Bijvoorbeeld door extra geld voor huisartsenpraktijken in moeilijke wijken, zodat daar net wat extra tijd uitgetrokken kan worden voor patiënten. En door ervoor te zorgen dat geld voor preventie ook echt bij de juiste mensen terecht komt.

Farmaceuten schuwen geen enkele methode om hun winsten maar zo hoog mogelijk te maken. Dat gaat zelfs over de ruggen van doodzieke patiënten, door te dreigen medicijnen niet meer beschikbaar te stellen als niet de hoofdprijs wordt betaald. Die macht moeten we doorbreken. Want geneesmiddelen moeten altijd beschikbaar zijn voor de mensen die ze nodig hebben. En tegen een eerlijke prijs. De PvdA heeft hier samen met GroenLinks en SP een initiatiefnota over ingediend met tal van maatregelen die genomen moeten worden. Hoog tijd dat het kabinet daar mee aan de slag gaat.

Dag in dag uit zijn talloze huisartsen, huisartsassistentes, (wijk)verpleegkundigen en andere zorgverleners bezig om mensen te helpen. Zij verdienen onze waardering. Maar dat niet alleen, zij moeten ook het vertrouwen krijgen dat zij hun werk goed doen. Dat betekent dus minder administratie en meer ruimte om de eigen tijd in te delen, en dus de mogelijkheid om voor sommige patiënten wat extra tijd te nemen als dat nodig is.

De PvdA vindt dat zorgverzekeraars het publiek belang voorop moeten stellen. Doen ze dat in voldoende mate? Welke ruimte voor verbetering ziet u?
Zorgverzekeraars stellen nog niet altijd het publieke belang voorop. Nog te vaak worden er pogingen gedaan om vooral de eigen belangen te dienen in plaats van het publieke belang. Dat zie je bijvoorbeeld in het aanbieden van die honderden verschillende zorgpolissen. Maar ook in het feit dat zorgverzekeraars graag hun winsten zouden willen uitkeren. Daar wil ik, samen met CDA en SP, dan ook een einde aan maken. We hebben daarover een wetsvoorstel ingediend.

Wat denkt u van de bonte kermis van polissen die door zorgverzekeraars worden aangeboden?
Door al die verschillende soorten polissen die zorgverzekeraars aanbieden is het bijna onmogelijk om de beste zorgverzekering voor jezelf te kiezen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ieder jaar steeds minder mensen overstappen, terwijl je daarmee wel een hoop geld kunt besparen. Ik wil dan ook dat het kapmes door de polisjungle gaat. Allereerst wil ik daarom een verbod op kloonpolissen, dat zijn verschillende polissen bij één zorgverzekeraar die nauwelijks verschillen maar wel voor verschillende prijzen worden aangeboden. Vergelijken en kiezen wordt dan een stuk eenvoudiger en je weet zeker dat je nooit teveel betaalt voor je zorgverzekering.

Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars spoedeisende-hulpafdelingen sluiten omdat het er teveel zouden zijn en zij de vrije artsenkeuze willen inperken?
De PvdA maakt zich zorgen over het sluiten van veel spoedeisende hulpposten. Zorg moet namelijk altijd beschikbaar zijn in de buurt en dat geldt natuurlijk helemaal voor de spoedeisende hulp. Ik denk niet dat daarmee de vrije artsenkeuze in het geding is, want als je naar de spoedeisende hulp gaat dan wil je meestal niet kiezen maar gewoon zo snel mogelijk de zorg krijgen die je op dat moment nodig hebt. Op de plekken waar dat in de knel dreigt te komen, trekken we dan ook direct aan de bel.

Het Amsterdamse UMC maakt reclame op trams. Wat vindt u ervan dat budget van ziekenhuizen gebruikt wordt voor reclamedoeleinden?
Ik ben geen fan van reclames van ziekenhuizen. Wat mij betreft moeten ziekenhuizen namelijk niet concurreren, maar zouden ze vooral samen moeten werken. En moet geld zoveel mogelijk naar zorg gaan en niet naar advertenties.

Als minister heeft u in januari 2017 het fonds SheDecides opgezet. Is dat ook van belang voor Nederland zelf?
Absoluut. We zien namelijk dat de verworvenheden die we met elkaar hebben bevochten ook bij ons in Nederland onder druk staan. Het recht om als vrouw over je eigen lichaam te beslissen is helemaal niet vanzelfsprekend. Dat zie je aan het besluit van de Amerikaanse president Trump om de financiering van veilige abortus, goede kraamzorg en seksuele voorlichting stop te zetten. Daar is SheDecides voor opgericht. Maar ook in Nederland kan het zomaar de verkeerde kant op gaan. Zo hebben D66, VVD, CDA en ChristenUnie besloten de abortuspil niet via de huisarts beschikbaar te willen stellen. Terwijl daarmee juist – naast de abortuskliniek – vrouwen de mogelijkheid krijgen voor betere zorg wanneer zij de moeilijke beslissing hebben genomen om hun zwangerschap af te breken. SheDecides gaat ook daarover. En daarom ben ik, samen met Corinne Ellemeet van GroenLinks, ook bezig met een wetsvoorstel om toch die abortuspil via de huisarts beschikbaar te stellen.

Heeft u affiniteit met de zorgsector omdat u er privé mee te maken had/heeft?
Net als bijna iedereen heb ik op verschillende momenten in mijn leven gezien hoe belangrijk goede zorg is. Want als je zelf ziek wordt, of iemand in je naaste omgeving, dan is in één klap al het andere onbelangrijk. Je hele bestaan wankelt. Dan moet je er zeker van zijn dat je snel de juiste zorg krijgt. Dat medicijnen gewoon beschikbaar zijn. En dat zorgverleners kunnen doen wat nodig is. In Nederland hebben we die goede zorg ook bijna altijd. De technologie raast verder en daardoor kunnen we steeds meer. Onze kinderen en kleinkinderen worden met gemak ouder dan honderd, als we de voorspellingen mogen geloven. Maar soms gaat het ook niet goed. En als Tweede Kamerlid wil ik die dingen onder de aandacht brengen en voorstellen doen waarmee de zorg in Nederland nog beter kan worden.

Dit interview is tot stand gekomen via e-mail.