Naar een sociaal Europa. Avond met Frank VandenBroucke, Paul Tang en Klara Boonstra

i 5 juni 2018 door

Op donderdagavond 27 september organiseren de Banning Vereniging, de Internationale Liga van Religieus Socialisten en het Netwerk PvdA en Levensovertuiging een Engelstalige publieksbijeenkomst over een sociaal Europa na de economische crisis. Met bijdragen van Frank VandenBroucke, Paul Tang en Klara Boonstra. Inloop vanaf 19.00u, locatie: Zaalverhuur7, Boothstraat 7, Utrecht. Aanmelden kan via deze link.

Europa heeft geen al te beste papieren. Althans, zo lijkt het. Uit onderzoek blijkt dat veel Nederlanders betrekkelijk positief zijn over Europa, maar die mensen zitten blijkbaar niet in de politiek. Want onverdeeld enthousiasme lijkt alles wat we zo graag samenvatten in het begrip Europa al lang niet meer op te roepen.

Dat lijkt noch geheel terecht, noch geheel onterecht. Weinigen lijken echt zonder Europa te willen, voor een uittreden van Nederland uit de Europese unie is geen draagvlak en de Britten lijken vooral spijt te hebben van hun keuze. Maar tegelijkertijd dringt de vraag zich op wat we eigenlijk voor profijt hebben van Europa. In hoeverre is Europa in staat om ons de zekerheid te bieden die we nodig hebben in een wereld die met de dag ingewikkelder lijkt te worden? En kan en mag Europa meer zijn dan een samenwerking van landen waar we min of meer profijt van hebben? En is Europa in staat de grote vragen van deze tijd – ongelijkheid, migratie, klimaatverandering – het hoofd te bieden zonder de waarden waarop zij ooit gegrondvest werd uit het oog te verliezen?

Het zijn vragen die centraal staan tijdens het congres van de Internationale Liga van Europees Socialisten dat van donderdag 27 tot en met zaterdag 29 september 2018 plaatsvind in Utrecht. Dit congres openen we met een publieksbijeenkomst waarin we de mogelijkheden willen verkennen van een sociaal Europa na de economische crisis. In hoeverre is Europa in staat haar inwoners bescherming en bestaanszekerheid te bieden in een globaliserende wereld? Wat is er nodig om verder te bouwen aan een eerlijke Europese arbeidsmarkt? En hoe zetten we de macht van Europa in om af te dwingen dat niet allen burgers en kleine bedrijven maar ook multinationals gewoon belasting betalen?

De avond wordt geopend met een lezing van Frank VandenBroucke. VandenBroucke is na een lange loopbaan in de Belgische politiek als onder meer Minister van Onderwijs en vice-premier nu hoogleraar aan de universiteiten van Amsterdam, Antwerpen en Leuven. Paul Tang, delegatieleider voor de PvdA in het Europees parlement, en Klara Boonstra, hoogleraar internationaal arbeidsrecht en directeur van de Wiardi Beckman Stichting, zullen op zijn lezing reageren. Vervolgens is er ruimte voor onderling gesprek en kan er onder het genot van een drankje nagepraat worden met partijgenoten uit heel Europa. De voertaal van de bijeenkomst is Engels. Toegang is gratis, maar aanmelden is gewenst want vol is echt vol.

NAOMI LEEST: DE CONSEQUENTIES

i 5 juni 2018 door

Hoe lang geleden is het dat je een boek na het uitlezen direct herlas? Wie mij de vraag een paar weken geleden had gesteld, had ik geantwoord: lang geleden, een kinderboek. Maar toen las ik De consequenties van Niña Weijers. En nog een keer.

Wat een boek. Het is in 2014 verschenen, maar verdient alsnog een recensie in T&T. De plot in het kort: de dertigjarige kunstenares Minnie Panis maakt ‘zelfportretten in negatief’, die op het eerste oog heel veel, maar uiteindelijk heel weinig van haar laten zien. Het zijn oefeningen in onthechting die intimiteit bevragen. Kun je iemand kennen? En wat ken je dan eigenlijk? Weijers geeft Panis een geloofwaardig oeuvre op het snijvlak van fotografie en performance dat aansluit bij kunstenaars als Marina Abramović en Bas Jan Adler. Als Minnies verhouding met een fotograaf een nieuwe fase ingaat en ze een mysterieuze brief van een arts ontvangt, begint alles te schuiven. Ze is succesvol, maar lijkt de grip te verliezen op haar kunst en haar leven.

Weijers schreef een gelaagd, intelligent en humoristisch boek. Ze heeft een scherp oog voor intermenselijke verhoudingen en weet man-vrouw verschillen treffend weer te geven. ‘[Hij] greep de kennis bij zijn schouder. Er volgde een uitwisseling van schouderklappen over en weer, een intrigerende omgangsvorm die voorbehouden was aan mannen onder elkaar en in heldere contouren de hele evolutie van aap naar mens blootlegde.’ Nog een voorbeeld: ‘De naïviteit die ze veinsde was een pleziertje dat ze zichzelf vaker gunde wanneer mensen – mannen – fulmineerden tegen de wereld alsof ze de eerste mensen in de geschiedenis waren die zich ergens over opwonden.’

Levensbeschouwelijk heeft het boek veel te bieden. Misschien is het mijn eigen preoccupatie, maar ik lees het boek ook als een commentaar op de zalvende levenskunstfilosofie, de veelvuldig op snippers oosterse filosofie gegrondveste maar eigenlijk eerder calvinistisch aandoende verplichting om je leven zo goed en vol mogelijk te leiden want ‘je leeft maar een keer’. Aan de hand van de mythe van Sisyphus beschrijft Weijers hoe werken aan iets wat er voor jou toe doet, naast seks, de enige manier is om iets van zingeving en vrijheid te ervaren. ‘Ze was uitgeput en tegelijk op een radicale manier in leven. […] [E]en gelukzalig moment lang balanceerde ze met haar steen op het topje van de berg.’

Wijers lijkt de boodschap van tao, Maya’s en existentialisme op een hoop te vegen. Gecombineerd met de verlossende rol van de mysterieuze arts John Johnstone doet dat wat magisch-realistisch aan – ik moest althans meerdere malen denken aan Hubert Lampo’s De komst van Joachim Stiller. Hoe serieus Weijers de tao en de filosofie van de Maya’s neemt, kan ik aan het eind van het boek moeilijk inschatten.

Een ding is duidelijk: de totale vrijheid die we zoeken bestaat niet. Mensen gaan hooguit met vakantie.

IS HET KABINET ER VOORAL VOOR DE BASISSCHOOLLERAAR OF VOOR DE BONUSBANKIER?

i 1 juni 2018 door

Tijdens politieke cafés van de afdeling Amsterdam sprak Thomas von der Dunk de afgelopen jaren een column uit. Deze gesproken bijdragen en zijn stukjes op zondag op de website van de Volkskrant verrassen door hun originele invalshoeken. In één van de columns, vlak voor de landelijke verkiezingen in 2017, sprak hij zich uit tegen het opnieuw regeren met de VVD. Wanneer de PvdA dat wel zou doen, dan zou hij zijn lidmaatschap opzeggen. Nieuwsgierig naar het waarom van deze uitspraak interviewde ik hem.

Ben je nog lid van de PvdA?
Ik ben nog lid, een beetje slapend. Er is iets in mij kapot gegaan in 2014-2015. Dat kwam door een aantal besluiten van het kabinet Rutte II die ik totaal onverdedigbaar vond. Het ging mij om de afbraak van de rechtsbijstand, waardoor de gewone burger of middenstander de gang naar de rechter kan vergeten. Onbegrijpelijk vond ik de voordeurdelerskorting die bijstandsgerechtigden kregen opgelegd als ze hun ouders in huis haalden. Ook het verminderen van de subsidies aan de sociale werkplaatsen stuitte me tegen de borst. Het aan banden leggen van de vrije artsenkeuze was voor mij onacceptabel. Tenslotte vond ik wat Dijsselbloem deed in de EU als het ging om Griekenland buiten proporties. Het volledig kiezen voor de strakke monetaire lijn in de EU ging recht tegen sociaaldemocratisch uitgangspunten in. Wat me het meeste raakte was een uitspraak van Samsom, die na de Statenverkiezingen zei dat de uitslag er niet toe deed, het regeringsbeleid werd ondanks die uitslag voortgezet. Asscher zag dat er een probleem lag, Samsom was alleen maar bezig om ‘het land te redden’. Asscher heeft wel getracht sociaaldemocratisch beleid te voeren door bijvoorbeeld het vaster maken van flexbanen. Hij was er minder op uit om aardig gevonden te worden door de coalitiepartner, meer bereid om ergens voor te knokken. Terwijl Samsom teveel dacht aan de harmonie binnen het kabinet.

In één van je columns stel je dat door de ondergang van het communisme de markt heilig is verklaard. Hoe zie je dat?
Het was de heilzame angst voor het communisme die de economische toplaag tot sociaal fatsoen dwong en zo na 1917 de opbouw van een beschaafde samenleving mogelijk heeft gemaakt. Het was de angst voor de revolutie die aan sociaaldemocraten de mogelijkheid gaf om de macht van het kapitaal te temmen. Met de ondergang van de Sovjet-Unie is die angst verdwenen en is het onbeschaamde egoïsme van de miljonairskaste weer terug. Dit is geen natuurverschijnsel, maar het gevolg van de heiligverklaring van de markt waarmee willens en wetens de staat is afgebroken. De financiële sector dicteert de politiek en de politiek zelf gaat nergens meer over. De vrije markt heeft voor maatschappelijke fragmentering gezorgd, waarbij de kiezers als individuele consumenten met de schijnkeuze tussen tien merken wasmiddelen zijn opgezadeld. Burgers hebben collectief niets meer over de inrichting van hun eigen samenleving te zeggen. Doordat de sociaaldemocraten te lang in het neoliberale waandenken zijn meegegaan, vertaalt de electorale woede bij de minder welvarende kiezers zich nu in de groei van extreem-rechts.

Wat is er de laatste dertig jaar veranderd voor werknemers?
Mensen hebben vaak niet meer één beroep, één rol en één opdrachtgever. Daardoor kan er belangenverstrengeling, corruptie en vriendjespolitiek ontstaan. Iemand als vicepresident van de Raad van State Piet Hein Donner heeft altijd in loondienst gewerkt, met een volle baan, waar er geen mogelijkheden voor bij verdiensten waren. Voor hem was het makkelijk om integer te zijn. Ik ben zelf zzp-er en ik sta zelf wel eens voor de vraag of mijn onafhankelijkheid in het geding is bij een opdracht van bijvoorbeeld een Ministerie. De verleiding van het goed geld verdienen is groot. Intussen worden maatschappelijke problemen, van welke aard dan ook, steeds persoonlijk gemaakt. Dat is ook typisch wat Rutte doet. Je moet je maar invechten, het ligt allemaal aan je eigen inzet. Terwijl duidelijk is aangetoond dat bij onderzoek naar de praktijken van de uitzendbureaus bijna de helft van die bureaus wilde meewerken aan het weren van mensen met een migratieachtergrond.

Wat is er bij de overheid veranderd?
Bij overheidsinstellingen is de markt centraal komen te staan, het gaat daar om de centen. Naar buiten toe met opgeblazen reclametaal van wij zijn de besten, excellent en super. Gewoon goed is niet meer voldoende. Intern mag er niemand buiten de pot pissen want dat schaadt het merk. Dat zie je bij scholen, ziekenhuizen en het leger. Kritiek van onder dringt niet door naar boven omdat er tussenlagen zijn die die kritiek dempen. De bestuurders praten niet open over de bedrijfsvoering. Het hogere management komt niet voort uit de scholen of universiteiten zelf, het zijn geen praktijkmensen. Zij kunnen de kwaliteit niet beoordelen omdat ze daar geen verstand van hebben. Bij hen gaat het om de kwantiteit. Een voorbeeld daarvan is Pieter Duisenberg die, van VVD Kamerlid zonder enige wetenschappelijke prestatie, voorzitter werd van de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten. Dat soort bestuurders functioneert als een echoput voor het Haagse kwantiteitsdenken.

Hoe zie je de politieke toekomst?
Ik denk dat het vertrek van de Britten uit de EU een zege kan zijn. Ik verwacht een verandering van de eenzijdige vrije handel en een aanpak van de belastingparadijzen. De kloof tussen de Angelsaksische wereld, waar Nederland vanouds als voorbeeld naar kijkt, en het Europese continent wordt steeds groter. De droom van de neoliberale Brexiteers die nu de toon zetten in Groot-Brittannië staat daar haaks op: die behelst de omvorming van hun eiland tot een soort fiscale vrijbuitersstaat voor de Europese kust die, dankzij forse belastingverlaging voor rijken en bedrijven, ervoor moet zorgen dat Britannia rules the waves again. De prijs zullen zij betalen die, van de daarmee verder afgebroken, collectieve voorzieningen afhankelijk zijn.
Engeland heeft eigenlijk alleen nog maar een sterke financiële sector. Onder Margaret Thatcher is men overgegaan op de dienstverlening. De maakindustrie is in Groot-Brittannië helemaal verdwenen in tegenstelling tot die in Duitsland. Dat land ziet zichzelf als een industrienatie, de vrije markt is daar minder sterk. Het kent een sterke maakindustrie van nuttige spullen, of het nu auto’s zijn of wasmachines. Die maakindustrie is nog steeds de kracht van de Duitsers. Zij zijn veel meer een egalitair, burgerlijk land dan het nog half-feodale Engeland.

Wat dreigt, is dat ook andere landen zich door fiscale concurrentie tot een verdere sociale race to the bottom genoodzaakt zien, iets waarop de Haagse coalitie met de verlaging van de vennootschapsbelasting alvast een voorschot neemt. Het is die onzekerheid aan de onderkant die het populisme electoraal voedt. Het wordt de morele hamvraag voor de nieuwe coalitie, die verder reikt dan de Nachtwacht en het Wilhelmus: is zij er straks meer voor de basisschoolleraar of vooral voor de bonusbankier?

Thomas H. von der Dunk (1961) is cultuurhistoricus, publicist en politiek commentator. Na zijn studie kunstgeschiedenis in Amsterdam en promotie in Leiden (1994) vestigde hij zich als zelfstandig publicist. Hij schrijft in wetenschappelijke vaktijdschriften over thema’s uit de Nederlandse, Duitse en Europese architectuur- en cultuurgeschiedenis van de zestiende tot de negentiende eeuw, en in kranten en op internet over actuele onderwerpen uit de nationale en internationale politiek. Sinds 2007 is hij als gastonderzoeker verbonden aan de vakgroep Europese Studies van de Universiteit van Amsterdam. Bij uitgeverij Vantilt verschijnt in mei Zuid-Tirol is niet Italië̈! Een honderd jaar oud Europees grensgeval. In dit boek toont Von der Dunk aan dat gevoelens van eenheid en identiteit niet kunnen worden opgelegd door een nationale regering. Von der Dunk is al jaren lid van de Partij van de Arbeid.

OMZIEN IN VERWONDERING

i 23 mei 2018 door

De geschiedenis van de Banning Vereniging reikt ver terug, onze vereniging komt voort uit de in 1919 opgerichte Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers en bestaat dus volgend jaar honderd jaar. Maar waarom is het eigenlijk zinvol om zo ver terug te kijken, hoe veel gewicht kennen we die geschiedenis toe? Een poging te komen tot een antwoord aan de hand van drie recent verschenen boeken en de onlangs door Lodewijk Asscher uitgesproken Banning Lezing.

In zijn op 21 februari uitgesproken Banning Lezing opende Lodewijk Asscher met de constatering dat voor Willem Banning de regel opgaat: hoe meer je van hem weet, hoe actueler hij wordt. Dat was een opvallende constatering. De conclusie dat het denken van Banning iets was van een voltooid verleden tijd, ooit door Joop den Uyl getrokken ter gelegenheid van een bijeenkomst over ‘honderd jaar Banning’ in 1987, lijkt immers nooit meer gecorrigeerd. De naam Willem Banning ligt weinigen in de PvdA nog voor in de mond. In de discussie over de centrale waarden van de sociaaldemocratie valt de naam Banning bijvoorbeeld vrijwel nooit. En ook buiten de Nederlandse sociaaldemocratie zijn het eigenlijk voornamelijk historici die nog wel eens over Banning spreken of schrijven. De gedachte dat diens werk ook vandaag de dag nog zeggingskracht heeft, kom ik daarbij zelden tot nooit tegen.

Zeer recent verscheen echter een boek waarin Banning en de Woodbrookers ten voorbeeld gesteld worden voor de tijd waarin we leven. De auteur, bestuurskundige Tanja Abbas, gaat in dit boek op zoek naar antwoorden op de vragen die onze verwarrende tijden stellen. De traditie van de Woodbrookers en het denken van Willem Banning worden door haar gepresenteerd als loodsmannen bij de noodzakelijke ‘kanteling’ die er momenteel gaande is. In de woorden van de auteur zelf: ‘Wat een persoonlijke, innerlijke rijkdom dat ik dit alles mag herontdekken. Ik ben blij dat ik in Banning ben gedoken. Zijn ideeën over de verhouding individualisme versus collectivisme zijn een waardevolle aanvulling op de ingrediënten van de Woodbrookers voor persoonlijke en maatschappelijke transformatie. Bovendien sluit het helemaal aan bij de actualiteit’.

Heel mooi, zou je zeggen. Het is voor een vereniging altijd goed als haar naamgever opnieuw in de belangstelling komt te staan en nog mooier als zijn denken mensen opnieuw ten voorbeeld dient. Vraag blijft dan wel in hoeverre dat denken vervolgens ook recht gedaan wordt. Dat de historische context waarin de Vereniging Woodbrookers Holland en Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers ontstonden en functioneerden en waarin Willem Banning zijn denken ontwikkelde ook het gewicht krijgt dat het verdient. Dat de centrale vragen die uit dit werk voortvloeien niet al te zeer worden bijgebogen in de voor vandaag bruikbare richting. Putten uit het verleden is immers waardevol, het misbruiken ervan ter legitimering van de eigen agenda is dat niet.

Nu is het werk van Banning uiterst omvangrijk en bovendien nogal tijdgebonden. Het is gesteld in een taal die we niet meer gewoon zijn te horen en staat vol lange meanderende zinnen die niet zelden een interne tegenspraak lijken te kennen. Banning was een denker van paradoxen. Van de afgewogen en ingewikkelde verhouding tussen individu en gemeenschap, van de lastige balans tussen levensovertuiging en politieke betrokkenheid, van de niet altijd eenduidige samenhang tussen zelfontplooiing en dienstbaarheid. Banning was bovendien – ondanks het feit dat hij het merendeel van zijn leven schrijvend doorbracht – vooral een doener. Al zijn werk doet een poging te komen tot werkbare conclusies, tot suggesties waarmee mensen verder konden. Niet voor niets achtte hij zichzelf in laatste instantie het best omschreven met de term ‘volksopvoeder’. De wens mensen aan te zetten tot handelen weerklinkt in al zijn artikelen en boeken. Dat maakt het werk per definitie tijdgebonden, actief zijn we immers altijd in de wereld die we kennen.

Bovendien wijzen twee recent verschenen proefschriften, waarin Willem Banning en de Woodbrookers de nodige aandacht krijgen, uit dat het denken van Banning veel beter in zijn tijd past dan wel is aangenomen. Het was onderdeel van een veel bredere beweging en had zijn weerslag op verschillende debatten. De gedachte dat Banning kan worden beschouwd als een soort profeet, een ziener die zijn tijd ver vooruit was, zoals Abbas meent, wordt door deze werken op grond van goede argumenten naar het rijk der fabelen verwezen.

In 2016 promoveerde historica Marjet Brolsma op een prachtige geschiedenis van de zogenoemde humanitaire beweging. Deze beweging kwam in Europa en de Verenigde Staten rond 1900 op als reactie op een toenemende globalisering en de daarmee samenhangende doorbraak van het kapitalisme die zorgde voor een gelijktijdige stijging van de welvaart en de ongelijkheid. Dit stelde alle bestaande verhoudingen onder zware druk en had daarmee een grote impact op het leven van gewone mensen. In de beweging stond vooral de verhouding tussen individu en gemeenschap centraal: de vraag hoe persoonlijke ontwikkeling en vrijheid opnieuw verbonden konden worden aan gemeenschapszin en saamhorigheid. Het was in de context van die beweging, zo laat Brolsma overtuigend zien, dat de Vereniging Woodbrookers in Holland ontstond. En toen de beweging, na een eerste hoogtepunt in de jaren rond de eeuwwisseling, na het einde van de Eerste Wereldoorlog met verhevigde kracht opnieuw kwam opzetten was het Banning met de door hem geleide Arbeidersgemeenschap die er een van de leidsmannen van werd.

In haar proefschrift laat Brolsma zien hoe omvangrijk de uitwisseling was vanuit de humanitaire beweging met de Nederlandse sociaaldemocratie. Toch blijft de humanitaire beweging in haar boek naar mijn smaak toch iets te veel een beweging in de marge. Het beeld van het Nederlandse politieke en maatschappelijke landschap als streng verkaveld langs levensbeschouwelijke lijnen, een beeld ooit gevangen in de metafoor verzuiling, blijft in haar boek even invloedrijk als impliciet. Dat valt te meer op wanneer je het in 2017 verschenen proefschrift Eenheid in verscheidenheid van historicus Pieter Kromdijk naast de analyse van Brolsma legt. In zijn studie onderzoekt Kromdijk de historische wortels van de zogenoemde doorbraakgedachte in protestantse kring. Belangrijkste conclusie van zijn onderzoek is dat de naoorlogse ambitie om van de Nederlandse Hervormde Kerk weer een ‘belijdende volkskerk’ te maken en daarmee de verhouding tussen kerk en religie enerzijds en maatschappelijke organisaties en politiek anderzijds te veranderen, diepe wortels had in het theologisch debat van voor de Tweede Wereldoorlog.

Die conclusie lijkt me onmiskenbaar juist, al is ze naar mijn inzicht minder vernieuwend dan de auteur in zijn lezenswaardige boek doet voorkomen. Interessanter aan het boek van Kromdijk is voor mij echter de aanzienlijke verwantschap met het debat binnen de door Brolsma omschreven humanitaire beweging. Klaarblijkelijk werden in het verzuilde Nederland in verschillende morele gemeenschappen met elk hun eigen vlechtwerk van organisaties en hun eigen funderende gedachten over wat Nederland was en zou moeten zijn toch tal van thema’s en argumenten gelijkluidend. Als beide proefschriften gezamenlijk een ding duidelijk maken, is het wel dat het de hoogste tijd is om in het historisch onderzoek de oude levensbeschouwelijke verkaveling te doorbreken en veel meer op zoek te gaan naar de kruisbestuiving en uitwisseling tussen debatten in verschillende kringen en verbanden.

Wanneer we vervolgens met wat meer kennis van de geschiedenis van de Woodbrookers, de Arbeidersgemeenschap en Willem Banning kijken naar de hernieuwde interesse van Asscher en Abbas vallen twee dingen op. In de eerste plaats lijken beiden in meer of mindere mate de eigen gedachte dat het werk van Banning enige mate van actualiteit kent ten volle serieus te nemen. Het is geen kwestie van name-dropping. Zeker in het geval van Asscher is dat even verrassend als hoopgevend. Zoals gezegd was de naam Banning immers in het debat over de toekomst van de Nederlandse sociaaldemocratie lang weg en er zijn wel degelijk aanknopingspunten in zijn werk die kunnen helpen bij het denken over die toekomst. Tegelijkertijd echter had Banning misschien een meer uitgebalanceerde behandeling verdiend.

In zijn lezing werkt Lodewijk Asscher toe naar de conclusie dat mensen niet gevangen mogen worden in een enkelvoudige identiteit. Mensen zijn meer dan hun sekse, hun geloof, hun maatschappelijke en economische positie. Identiteiten zijn meervoudig en mensen dan slechts aanspreken op bijvoorbeeld hun religie of maatschappelijke positie is beperkend. Maar dat zien we in het publieke en politieke debat van vandaag – waarin mensen zich bovendien liever wentelen in het eigen gelijk dan dat zij op zoek gaan naar tegenspraak – wel veel terug. Mede daarom doet Asscher een oproep: Be a Banning. Doorbreek tegenstellingen, sta open voor onderling gesprek en zoek de samenwerking. Alleen zo zijn – zo interpreteer ik zijn lezing – de grote vraagstukken van deze tijd aan te vatten.

Dat is een mooie boodschap en het is goed dat de politiek leider van de PvdA zo naar de partij kijkt. Het is een boodschap ook in lijn met het denken zoals dat door Banning vooral binnen de Arbeidersgemeenschap vanaf de tweede helft van de jaren dertig ontwikkeld werd. Echter, dat denken had ook een kant die Asscher wellicht minder zal bevallen, maar die wel wezenlijk was en is voor een goed begrip van de centrale boodschap. In diens werk over de verhouding tussen levensovertuiging en politiek ging het er immers niet om – zoals Asscher lijkt te veronderstellen – de eigen overtuiging vooral te bewaren voor gebruik binnenshuis om vervolgens buitenshuis gelijkgezind en pragmatisch samen te werken met mensen met een andere levensovertuiging.

In Bannings perspectief was iemands fundamentele overtuiging – of die nu Christelijk was, seculier of anders – niet iets voor achter de voordeur, maar was het aan eenieder juist hun opvattingen over het goede leven in te brengen in het maatschappelijk debat. Wie elkaar op basis van dat gesprek wist te vinden in een politiek programma kon samenwerken. Het was een opvatting die vervat werd in het eerste beginselprogramma van de PvdA: ‘De Partij staat open voor personen van zeer verschillende levensovertuiging, die instemmen met haar beginselprogram. Zij erkent het innig verband tussen levensovertuiging en politiek inzicht en waardeert het in haar leden, als zij dit verband ook in hun arbeid voor de Partij doen blijken’ (artikel 35). Met name op dit laatste punt vraag ik mij, ook na het nog eens terugkijken van de lezing van Asscher, af of hij ook dat aspect in het denken van Banning nog zou onderschrijven. Misschien onderwerp voor toekomstige reflectie?

Het boek van Abbas is ondertussen van een heel andere orde. Daarin wordt het werk van Banning ingezet als een soort springplank voor een onderzoek naar de ‘kanteltijd’ waarin we momenteel zouden verkeren. Wat er met dat begrip bedoeld wordt blijft buitengewoon vaag, uitgelegd wordt slechts met een formulering van hoogleraar Jan Rotmans dat we momenteel geen tijdperk van verandering maar een verandering van tijdperk zouden meemaken. Het is een stoplap die in meer modieuze analyses van onze tijd wel vaker terugkomt en waarmee de vraag wat er nu precies aan het veranderen is en waarom wegvalt tegen de gedachte dat eigenlijk alles anders wordt. Het is een Tibetaanse gebedsmolen die op zijn minst sinds de jaren zestig regelmatig wordt aangeslagen en die door de onlangs overleden historicus Maarten Brands ooit treffend werd omschreven als ‘bijziendheid in de tijd’.

Brands beviel dat maar matig en naar zijn inzicht was een grondige studie van het verleden nodig om de voortdurende samenhang van continuïteit en discontinuïteit te blijven zien, om ook de ‘karresporen onder het asfalt’ te blijven onderkennen. In dit geval heeft die remedie echter niet voldoende verkoelend gewerkt. Want waar Abbas in haar boek naar mijn mening oprecht probeert het denken van Banning en de ontwikkeling van de Woodbrookers recht te doen, vervalt haar analyse al te snel in holle retoriek over een reis van niets naar nergens. Gelezen als een persoonlijke zoektocht naar zingeving los van de dwingende kaders van carrière en materieel succes is het dan nog wel een inspirerend boek, maar gelezen als een poging tot maatschappijanalyse voldoet het in ieder geval niet aan de standaarden die Banning daarvoor in zijn sociologisch werk aanlegde en die ik graag tot de mijne wil maken. Als het werk van Banning immers ergens toe oproept is het wel tot diepgravende analyse en zorgvuldige studie. Beiden lijken in de wat particuliere zoektocht van Abbas naar ‘een tijdperk van wijsheid en liefde’ niet leidend geweest te zijn.

Dit alles overziend dringen zich naar mijn inzicht twee conclusies op. Als we van mening zijn dat het denken en werk van Banning en de traditie van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers ook in deze tijd nog zeggingskracht hebben, dan is het zaak dat denken ook ten volle serieus te nemen en te waken voor een al te gemakkelijk leentjebuur spelen. Daarbij kan een grondige studie van het verleden – zo wijzen de proefschriften van Brolsma en Kromdijk onmiskenbaar uit – bijzonder nuttig zijn, zeker wanneer we vervolgens ook weer los komen van die analyse van het verleden en de blik op vandaag en verder richten. Het is een mooie opdracht aan de vereniging het grondig historisch onderzoek naar de eigen geschiedenis te verbinden aan een analyse van de actualiteitswaarde van haar traditie.

Van wie is de school?

i 22 mei 2018 door

Wat is nog de waarde van de vrijheid van onderwijs, wie is eigenlijk ‘eigenaar’ van de scholen. Over die vragen en meer ging het Netwerk PvdA en Levensovertuiging in gesprek op woensdag 25 april. Op het gebied van onderwijs is Nederland een uniek land. Ouders kunnen scholen oprichten die passen bij hun levensovertuiging of opvoedkundige ideeën. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt de vrijheid van onderwijs, evenals de eerbiediging van godsdienst en levensovertuiging en hiermee samenhangend garanties voor de bekostiging. Artikel 23 hoort bij de Nederlandse identiteit.

Historicus Wim de Jong, auteur van het boek Heer en Meester. Vrijheid van onderwijs, 1917-2017,
schetst deze avond de geschiedenis van het protestants-christelijk onderwijs, dat zich in de laatste honderd jaar ontwikkelde van een hechte en beschermde gemeenschap tot een grootschalige en diverse sector. De titel van het boek verbaasd een beetje, terwijl het onderwijs gedragen wordt door vrouwen lijkt het of mannen (heren en meesters!) er het meeste toe doen.
Wim de Jong ziet een aantal kwesties in de afgelopen honderd jaar die grote invloed hebben gehad op de vorm en de inhoud van het christelijk onderwijs. Het gaat allereerst om de vraag of de christelijke school zich moet richten op een specifieke groep christelijke ouders of op de samenleving als geheel. Deze vraag is, in een snel ontkerkelijkt Nederland, steeds belangrijker geworden.
De eerste gebeurtenis is de financiële gelijkstelling van het christelijk onderwijs aan het openbaar onderwijs bij wet in 1917. In christelijke kring werd niet overal gejuicht. Er bestond angst dat de invloed van de ouders zou verminderen nu de overheid door het stellen van voorwaarden een te grote vinger in de pap zou krijgen. Vanaf de jaren tachtig is er een nieuwe tendens te zien. Het overheidsbeleid en de manier van financieren zorgen ervoor dat scholen groter worden. Er ontstaat een zakelijke sfeer. Bestuurders gaan meer denken als maatschappelijk ondernemers. De greep van de overheid werd alleen maar sterker. De bemoeizucht van Den Haag is een grote ergernis, maar toch blijkt dat christelijke scholen uiteindelijk meegaan met de wensen van de politiek, ook al staan die ver af van hun oorspronkelijke idealen. Er blijft weinig over van de invloed van de ouders. Het protestants-christelijk onderwijs als ‘bijzonder’ onderwijs kenmerkt zich ook door een grote gezagsgetrouwheid.

Voormalig PvdA-Kamerlid Loes Ypma is de tweede spreker. Zij is voorzitter van Verus, de koepel van christelijke en katholieke scholen. Ypma zat van september 2012 tot maart 2017 in de Tweede Kamer voor de PvdA. Zij was o.a. woordvoerder basisonderwijs, speciaal en passend onderwijs en jeugdzorg. In de functie van voorzitter van Verus behartigt Ypma de belangen 1.2 miljoen leerlingen en 4000 scholen met 650 besturen – tweederde van alle basis- en middelbare scholen. Meer dan zeven van de tien leerlingen gaat naar een bijzondere school. Ook ouders die niet meer naar de kerk gaan, vinden het belangrijk dat hun kinderen iets van de christelijke waarden meekrijgen. Loes Ypma is opgevoed in een katholieke traditie. Als kind was ze misdienaar en zong ze in het kerkkoor. Haar ouders leerden haar dat je niet alleen leeft voor jezelf, maar dat je met je eigen talenten ook bij kunt dragen aan het welzijn van anderen. Dat kon ze bij de PvdA en nu bij Verus. Voor Ypma zijn het christendom én de sociaaldemocratie belangrijke inspiratiebronnen. Wat haar ten diepste drijft is ieder kind een goede start geven. Scholen die zijn aangesloten bij Verus willen kinderen bijbrengen dat de mens niet leeft voor zichzelf alleen. Dit doet zij met inspirerende verhalen, gebaseerd op de Bijbel en de christelijke traditie.


De discussie na afloop van de inleidingen ging over dat artikel 23 maatschappelijk wenselijke, nieuwe onderwijsinitiatieven in de weg staat. De regelgeving die we in de loop van de tijd op dat grondwetsartikel gebouwd hebben, zit een aantal beperkingen. En het kan gebeuren dat in een regio waar al een montessori-vmbo is, er geen montessori-vwo mag komen. Terwijl belangstelling van ouders en leerlingen is aangetoond. Hetzelfde geldt voor ouders met vernieuwende ideeën: zij komen niet verder, hoewel er behoefte is aan nieuwe scholen. In Utrecht willen ouders en school voor kinderen met autisme stichten maar het lukt hen tot nu toe niet. Segregatie is het bijzonder onderwijs vaak verweten. In de beeldvorming is de bijzondere school een christelijke, witte school, Maar zo homogeen is die school al lang niet meer. De leerlingenpopulatie op die scholen is behoorlijk gemengd. Van de kinderen met een niet-Nederlandse achtergrond zit 60 procent op een bijzondere school.

Arjen Lubach hield in zijn tv-programma ‘Zondag met Lubach’ een hartstochtelijk pleidooi van de afschaffing van de financiële gelijkstelling van bijzonder onderwijs. Lubach stelde dat school de plek is waar je ouders gek zijn; op school emanciperen kinderen zich van hun ouders. VVD-er Sander Dekker was, toen hij nog staatssecretaris voor onderwijs was voor dat godsdienstige vorming alleen maar thuis en niet op school plaats vindt. De liberale situeren godsdienstbeleving en opvoeding volledig in de privésfeer die buiten de overheid en de politiek moet blijven. De Banning Vereniging wil juist dat de levensovertuiging in het politieke debat en het onderwijs doorklinken en daarom artikel 23 niet afschaffen.