NIET ALLEEN LIEFDE, OOK EEN KEUKENTAFEL

i 2 februari 2018 door

De Banningleergang gaat dit jaar over ‘Wij Burgers’: Wie we zijn, wat we doen en wie er mee mag doen als we ons aanduiden als ‘burger’. Tijdens een dag over burgerschapsonderwijs raadde een onderwijsinspecteur ons aan om het boek Mensen maken. Nieuw licht op opvoeding van filosoof Daan Roovers te lezen. Om meer te weten te komen over hoe het zit met de opvoeding interviewden we Daan Roovers.

Je heet Daan, hebben je ouders je zo genoemd?
Nee, ik heet eigenlijk Danielle, maar iedereen noemde me altijd Daan. Soms is mijn voornaam Daan een voordeel. Ik vermoed bijvoorbeeld dat ik soms meer bereik doordat veel mensen veronderstellen dat ik een man ben. Dat blijkt ook uit onderzoek: vrouwen met een mannennaam worden serieuzer genomen.

Waarom schrijf je als filosoof over opvoeding?
Het boekje is ontstaan doordat de uitgever mij vroeg om me over een oude tekst van Rousseau te buigen. Ik kende Rousseau vooral als een politiek denker. Hij is de filosoof van onder andere het sociaal contract. In het begin van zijn boek Emile, of Over de opvoeding schrijft hij dat je kinderen moet opvoeden tot mens. Rousseau was de eerste die vond dat kinderen niet lastiggevallen moeten worden met de eisen van het volwassen leven. Dat was nieuw halverwege de achttiende eeuw. Grote denkers als Kant, Plato en Hannah Arendt hebben ook geschreven over pedagogische ideeën. Het was vroeger een heel gangbaar filosofen-thema.

In het boek formuleer je het beeld van de ideale opvoeder. Deze opvoeder zorgt voor een ‘geleide vrijheid’. Wat bedoel je daarmee?
Vrijheid wordt vaak gezien als doen waar jezelf zin in hebt. Vrijheid is vooral: je niet met mij bemoeien. Geleide vrijheid betekent dat je kinderen wel laat maar toch contact houdt, dat een kind vrijheid ervaart maar dat je als opvoeder toch in de buurt bent. We zijn heel erg gewend om kinderen medeverantwoordelijk voor iets te maken. Voor het zelf doen slagen van hun pianolessen, voor naar welke middelbare school ze willen, voor gezond eten. Je legt als opvoeder de consequenties van hun keuze bij hen, terwijl ze deze lang niet altijd kunnen overzien. Een extreem voorbeeld daarvan is de zaak waar een jongen van twaalf kon beslissen of hij wel of geen chemokuur kreeg toegediend. Ik begreep die vader die daar een rechtszaak over begon.

Voor de PvdA is één van de belangrijke waarden Verheffing. Is dat hetzelfde als wat jij onder Bildung verstaat?
Verheffing kun je heel goed vertalen naar het filosofische begrip Bildung. Het gaat daarbij om je plaatsbepaling in de wereld, om je morele ontwikkeling. Oordeelsvorming hoort daarbij, kritisch denken en wereldoriëntatie, dat is waar dit ideaal om draait. Van oudsher was dit weggelegd voor de elite. Het werkvolk werkte aan de lopende band. Bildung wordt tegenwoordig gezien als iets wat iedereen moet ontwikkelen. Er is geen klasse meer waar het voldoende voor is om alleen maar bouten en schroeven aan te draaien en de andere klasse die al nadenkend over de hei kan wandelen. We zijn allemaal arbeider en beschouwer geworden en daar moet het onderwijs bij aansluiten. Om de wereld te bezien moet je die wereld wel kennen. Niet alleen de nieuwsitems van het (Jeugd)journaal, maar ook de traditie, cultuur en gemeenschap waar je deel van uitmaakt. Je hebt kennis nodig over de wereld waarin je leeft om je een duidelijke positie toe te eigenen en er een weg in te vinden. De filosoof Von Humboldt zei dat het bij Bildung niet ging om van de kinderen van schoenlappers schoenlappers te maken, maar om van kinderen mensen te maken. En met mensen bedoelde hij burgers.

We zagen bij binnenkomst je naambordje, waarop je je beroep vermeldt: Publieksfilosoof. Wat is dat een publieksfilosoof?
Het is filosofie toepasselijk maken voor mensen die geen filosofie hebben gestudeerd. Ik probeer de geschiedenis van de Wijsbegeerte effectief te maken, vruchtbaar te maken voor een grotere groep mensen. Er is behoefte aan bezinning, zingeving en inspiratie. Vragen over de samenhang van je werk, je persoonlijk leven en de politiek. Het zijn eigenlijk allemaal integriteitsvragen. Iedereen moet voor zichzelf oplossen hoe hij/zij daarmee omgaat. Iedereen zit opgezadeld met zijn eigen levensvragen na het wegvallen van religie en door de ontzuiling. De PvdA heeft minder zeggingskracht gekregen en biedt daardoor minder houvast voor oordeelsvorming. Voor het oplossen van levensvraagstukken is de filosofie één van de vele inspiratiebronnen. Filosofie biedt grotere verhalen en contexten waar iedereen zijn voordeel mee kan doen. We staan op de schouders van reuzen om de wereld iets beter te begrijpen.

In je boek noem je een paar keer het Jeugdjournaal. Hoe kijk je hier tegen aan?
Ik vind het Jeugdjournaal een goed programma, maar het effect van het Jeugdjournaal is dat kinderen zoveel van de wereld zien en weten dat van Rousseau’s idee, de kindertijd een beetje onbekommerd te laten, niet veel meer over is. Het nieuws op het Jeugdjournaal is niet milder dan het nieuws dat volwassenen te zien krijgen. Het nieuws blijft hetzelfde, er zijn evenveel doden. Mijn kinderen van 7 en 9 jaar weten al heel veel over IS, over aanslagen. Wanneer kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan valt de gemeenschappelijke nieuwsbron, die het Jeugdjournaal voor veel kinderen is, weg. Van de jongeren tussen 13 en 18 jaar volgt niemand het nieuws via de publieke omroep. Van die groep gelooft 40% het nieuws niet. Dat is een groot probleem, want dan kun je ze wel willen vertellen hoe de wereld in elkaar zit maar deze jongeren vertrouwen de leraar in de klas niet. Eén van mijn grote ambities voor de komende jaren is hoe je om kan gaan met het wantrouwen van jongeren ten opzichte van het nieuws en de gevestigde media. Wat mij betreft komt er een Jeugdjournaal voor jongeren van het voortgezet onderwijs, zodat er tenminste een gedeeld referentiekader ontstaat. Ik werk regelmatig voor de publieke omroep en ga het daar aan de orde stellen.

In je boek gebruik je de metafoor van de tafel. Wil je daar meer over vertellen?
Bij Hannah Arendt is het dé metafoor voor de publieke ruimte, de ruimte waar vreemden met elkaar kunnen omgaan. De tafel is een plek waar zaken ter sprake komen en verbanden worden gelegd. Daarmee komt de wereld tot stand. Niet alleen die van volwassenen, ook die van kinderen. Daar is een tafel heel nuttig bij, waar je niet bij elkaar op schoot zit, elkaar aankijkt, waar je dingen op tafel kunt leggen. Daar wordt met elkaar gesproken. Het is de verantwoordelijkheid van ouders om kinderen de mogelijkheid te geven zich op de wereld te oriënteren. Voor opvoeding is daarom niet alleen liefde voor je kinderen nodig maar ook een keukentafel.

Daan Roovers (1970) is filosoof en doceert publieksfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt als programmamaker voor omroep Human en als debatvoorzitter in de Rode Hoed. Eerder was ze hoofdredacteur bij Filosofie Magazine. Roovers studeerde geneeskunde en filosofie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Ze spreekt en schrijft over filosofie, politiek, media, opvoeding, onderwijs en feminisme en werkt aan een onderzoek over de ontwikkeling van de publieke opinie. Samen met René Gude schreef ze Kleine geschiedenis van de filosofie (2010). Onlangs verscheen haar essay Mensen maken. Nieuw licht op opvoeding (uitgeverij Ambo 2017).

Vier essays genomineerd voor Banning Prijs 2018

i 31 januari 2018 door

Afgelopen week heeft de jury onder voorzitterschap van Jet Bussemaker vier essays genomineerd voor de Banning Prijs 2018. Thema van dit jaar was ‘De waarde(n) van links’. De vier genomineerden zijn:

  • Teun Dominicus met Ga je mee verdwalen? De naald wijst de weg.
  • Twan van Lieshout met Weg van het redelijke midden.
  • Yourik Malet met Sociaaldemocratie als bindingsmiddel.
  • Naomi Woltring met Sluitstuk van linkse waarden.

De winnaar van de Banning Prijs 2018 wordt bekend gemaakt voorafgaand aan de eerste Banning Lezing, die op 21 februari aanstaande in de Rode Hoed wordt uitgesproken door Lodewijk Asscher.

Wil je bij de uitreiking en de lezing aanwezig zijn? Kijk hier voor het programma of meldt je via deze link direct aan.

De conservatieve cultuur van het onderwijs. Interview met Sofyan Mbarki

i 9 januari 2018 door

Op een mooie zomerse dag op het terras van een café in Amsterdam Nieuw-West waarschuwt Sofyan Mbaki tegen de conservatieve cultuur in het onderwijs. Zijn vrouw is die dag met hun twee jonge kinderen naar Sprookjeswonderland in Enkhuizen. Vanwege het zomerreces heeft hij alle tijd. Regelmatig begroet hij voorbijgangers en vraagt hoe het met hen gaat. Duimen worden bij wijze van groet opgestoken. Mbarki is lid van de Amsterdamse gemeenteraadsfractie van de PvdA. Hij was docent en teamleider op het Calvijn College, een vmbo-school. Sofyan is woordvoerder Jeugd, Veiligheid, Burgerschap en Diversiteit en is lid van de Raad van Advies van de Politieacademie en lid van de Onderwijsraad.

Wat is voor jou het belangrijkste als PvdA politicus?
Den Uyl had het over gelijke verdeling van kennis, macht en inkomen. Wat betreft hun inkomen zijn veel Amsterdammers erop vooruit gegaan, maar op het terrein van kennis en macht valt nog veel te winnen. Zeker in wijken als Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Leerlingen op vmbo- en mbo-scholen krijgen niet altijd de mogelijkheid om zich te ontwikkelen. De kwaliteit van de leraren hangt in die scholen vaak samen met de populatie van de leerlingen. Ik heb op scholen gewerkt waarvan ik dacht: ‘Wat gebeurt hier?’ De lesroosters klopten niet omdat docenten ontbraken en docenten die Nederlands gaven, hadden geen flauw idee waar zij moesten beginnen omdat er niet was nagedacht over een lesplan. In het mbo zijn jongerenwerkers, met zelf een mbo-diploma, in dienst gekomen om met moeilijke jongeren in school te werken. Vervolgens wordt van deze jongerenwerkers ook verwacht dat ze rekenles geven. Dat gaat echt niet altijd goed. Op deze manier krijgen de leerlingen geen eerlijke kans. Ook de Onderwijsinspectie heeft dat geconstateerd met hun jaarlijkse rapport over de Staat van het Onderwijs.

Wat kan de gemeentepolitiek daaraan doen?
We zijn in Amsterdam onder leiding van Asscher intensief bezig geweest met de kwaliteitsaanpak van het onderwijs. Van de 44 zwakke basisscholen zijn er nog maar een paar zwak. Iedereen had in die tijd een mening over die aanpak, maar we kunnen niet allemaal als de vakbond van de docenten optreden. We moeten ook opkomen voor de leerlingen. In het voortgezet onderwijs waren we net begonnen met de kwaliteitsaanpak toen er een nieuw College kwam. Dat nieuwe College koos een andere werkwijze en heeft lerarenbeurzen en dergelijke beschikbaar gesteld. Dat docenten van de gymnasia gebruiken maken van die beurs vind ik prachtig, maar wat doen we als politiek met docenten waarvan de kwaliteit te wensen overlaat en die zich niet willen bijscholen maar wel dagelijks met onze leerlingen in het onderwijs werken?

Je bent lid van de Onderwijsraad. Wat is jullie advies naar aanleiding van het rapport van de Onderwijsinspectie?
We vinden dat we over de interne cultuur van het onderwijs moeten spreken. Als docent kun je twintig jaar op een school werken waar je zwakkere collega’s op vergaderingen steeds het laatste woord hebben. Goede docenten ervaren dat als een last. Ik ken docenten die zich openlijk afvragen of ze willen werken met collega’s die hun vak uithollen. Ik hoor van hen dat zij het onderwijs beleven als conservatief, kwalitatief beneden peil en met een cultuur die niet uitdagend is. We moeten ervoor zorgen dat (beginnende) goede docenten hun bijdrage aan het onderwijs willen blijven geven.

Hoe kijk je aan tegen het verplichte burgerschapsonderwijs?
Met burgerschap in het onderwijs kunnen we pas aan de slag als we het waarden- en normenpatroon van leerkrachten op orde hebben. In docentenkamers wordt onderling niet veel gepraat over thema’s als homoseksualiteit of het dragen van een hoofddoek, er heerst een common sense over hoe je moet denken. Een afwijkende mening wordt niet altijd op prijs gesteld. Er zijn leraren die er zelf opvattingen op na houden die niet stroken met de burgerschapsdoelen die ze moeten onderwijzen. Zij gaan in de pauze bij elkaar zitten, terwijl ze in hun lessen samenwerking verwachten tussen verschillende groepen leerlingen.

Hoe kijk je aan tegen het dragen van een hoofddoek door politieagenten?
Bij de discussie over de hoofddoek gaat het niet over de scheiding tussen kerk en staat maar het gaat erom of we vrouwen met een hoofddoek erbij vinden horen. De scheiding tussen kerk en staat is geborgd in wetten. Ook een politieagente met hoofddoek mag alleen maar boetes uitdelen op basis van het wetboek van strafrecht. Zij dient zich te houden aan dezelfde wetten en richtlijnen. Het is tijd voor een debat over wat neutraliteit betekent in een stad als Amsterdam met 180 nationaliteiten. Stellen we neutraliteit in handelen of neutraliteit in uitingen centraal?

Je hebt meegewerkt aan het rapport over preventie van extremisme en de impact van polarisatie in opdracht van minister Bussemaker en staatssecretaris van Rijn. Wat viel je op?
Dat professionals vaak niet weten hoe ze moeten omgaan met jongeren die zeggen: ‘Ik ben moslim en dat is belangrijk voor mijn identiteit’. Ik zag veel handelingsverlegenheid bij professionals doordat radicalisering ook iets te maken heeft met religie. Wat me ook opviel was een gebrek aan samenwerking. Verschillende instanties weten niet goed wat ze van elkaar kunnen verwachten als het om de aanpak van deze groep gaat.

Waarom is het in Nederland minder problematisch dan in Brussel?
Ik denk dat onze sociale infrastructuur in de wijken helpt. Jongerenwerkers en wijkagenten spelen een potje voetbal met de bewoners en weten daardoor wie wie is. Er zijn netwerkoverleggen tussen de jongerenwerkers en de politie. De overheid is aanwezig in deze wijken en gaat het gesprek aan. Dat is in België volgens mij toch anders geregeld.

Hoe zie je je eigen toekomst en die van de PvdA?
Ik wil nog een periode door in de gemeentepolitiek. Ik vind dat we op een andere manier naar de stad moeten kijken. Nieuw-West, Noord en Zuidoost worden continu buiten de stad geplaatst. Een tijdje geleden was er zelfs een reclameposter om Amsterdam te promoten waarin Nieuw-West was weggelaten. Als we debatteren over drukte in de stad gaat het alleen over het centrum. Er wordt wél gesproken over hoe Zaandam betrokken kan worden bij de spreiding van toeristen, maar aan wijken buiten de ring wordt niet gedacht. Waarom organiseren we niet meer kunst en cultuur in deze delen van de stad? Kreuzberg in Berlijn is een mooi voorbeeld van een succesvolle arbeiderswijk die ook voor toeristen belangrijk is. Wanneer ik opnieuw wordt gekozen wil ik eraan bijdragen dat de PvdA weer een beweging wordt die alle Amsterdammers weet aan te spreken met onderwerpen die belangrijk zijn in het dagelijks leven.

IS DE ZORG ONHOUDBAAR? OF DEZE POLITIEK?

i 4 december 2017 door

In 2030 zullen er 4 miljoen 65-plussers zijn, waarvan 1 miljoen kwetsbare ouderen. Dat zijn ouderen met problemen op medisch, sociaal en mentaal gebied. Dat waren er nog nooit zoveel. Door massaal ouder te worden zijn er nu veel ziektes en gebreken waar de bevolking voorheen niet eens aan toe kwam. De toename van dementie is daar een voorbeeld van. Door het succes van de geneeskunde leven mensen vele jaren met chronische ziekten waaraan men vroeger na een kort ziekbed overleed. Bovendien eten mensen beter, zijn hoger opgeleid, hebben betere huisvesting en zijn de werkomstandigheden niet meer zo ongezond. Dit alles heeft er toe geleid dat de gemiddelde leeftijd drastisch is gestegen. Tegelijk is het aantal jaren dat we leven met gebreken ook omhoog gegaan. Daar staat tegenover dat de informele zorgcapaciteit, het totaal aan zorg dat binnen familie of gemeenschapsverband wordt verleend, onder druk staat. De tijd dat dochters of schoondochters als vanzelfsprekend voor hun ouders of schoonouders zorgden, ligt achter ons. Vrouwen zijn de arbeidsmarkt opgegaan, waarbij het helaas niet zo is dat hun traditionele zorgvolume door mannen in gelijke mate is overgenomen. Bovendien is er sprake van migratie binnen de landsgrenzen: volwassen kinderen wonen veel minder vaak dicht bij hun ouders in de buurt. Dit alles vraagt om een politiek antwoord.

Het is niet verwonderlijk dat betaalde zorg, waarop meer en meer een beroep wordt gedaan, sinds een halve eeuw een grote vlucht heeft genomen. Daar zit dan wel een knelpunt omdat de vraag naar zorg het aanbod steeds lijkt te overstijgen. Velen ervaren deze betaalde zorg bovendien als te karig en in onvoldoende mate beschikbaar. Al met al durf ik de stelling aan dat de onbezorgde oude dag van Drees in grote delen van de samenleving veranderd is in iets waar men zich zorgen over maakt. Het succes van een langer leven heeft zijn schaduwkant. Ouderen stellen zich de vraag: wie zorgt er nog voor mij als ik het echt nodig heb? En volwassen kinderen vragen zich af: hoe moet dat met vader of moeder als hun gezondheid minder wordt?

Het grote aantal kwetsbare ouderen is een nieuw fenomeen dat vragen oproept die tot nu toe niet van een sluitend antwoord zijn voorzien. Deze kwestie verklaren als het gevolg van bezuinigingen miskent de onderliggende structurele oorzaken. Het budget voor ouderenzorg is de laatste jaren gestaag omhoog gegaan. Deze stijging zal de komende jaren doorgaan, er wordt ‘slechts’ bezuinigd op de te voorziene meerkosten. De toegenomen zorgvraag en de verminderde zorgcapaciteit zijn beiden het gevolg van dezelfde sociaaleconomische en medische ontwikkelingen in de afgelopen halve eeuw.

Maar er is wel iets anders aan de hand. In dit klimaat van onzekerheid proclameerde het kabinet Rutte 2 in 2012 dat de zorg voor ouderen op termijn onbetaalbaar zou worden en dat daarmee het voorzieningenniveau onhoudbaar zou zijn. Namens het kabinet was staatssecretaris van Rijn (PvdA) de vertolker van dit geluid. In het begin van zijn regeerperiode werd het breed uitmeten van de financiële onhoudbaarheid door hem in een context geplaatst: het kan toch niet zo zijn dat solidariteit enkel en alleen bestaat uit het betalen van premies en belastingen om vervolgens alle hulp en zorg uit te besteden aan de overheid. In de troonrede van 2013 werd het begrip participatiesamenleving geïntroduceerd: als iedereen een extra handje uitsteekt, zelf verantwoordelijkheid neemt en zich minder passief op de overheid verlaat, is er zicht op een oplossing van het probleem.

Echter de bredere visie verbleekte al snel: naast de financiële doemscenario’s, eisten bestuurlijke kwesties (decentralisatie) en uitvoeringsproblemen (PGB) alle aandacht op. De regeringsfracties lieten dit gebeuren, de oppositie verloor zich in details. Zo liet de politiek al snel de grote, morele vragen onbespreekbaar. Wat is een goed leven voor kwetsbare ouderen? Wie zorgt daarvoor? Mensen zelf, familie, gemeenschappen, de markt, de overheid? Welke betekenis hebben ouderen in onze samenleving?

Bas Heijne schrijft in zijn boek de Staat van Nederland: de kern van het debat gaat over gemeenschap, samenhang. Hij verwijst naar het debat over de problemen die te maken hebben met migratie en globalisering. Hierbij is sprake van onzekerheid en verwarring over de verbinding die we al dan niet hebben met nieuwkomers. Maar het zijn dezelfde soort grote vragen die gesteld kunnen worden als het gaat om de positie en betekenis van kwetsbare ouderen. Nieuwkomers en ouderen, twee grote kwesties met dezelfde centrale vraag: wat hebben we met elkaar te maken, wat zijn we elkaar verschuldigd?

De opkomst van het populisme vanaf 2000 liet zien dat de bestuurlijke wereld er niet in slaagde om tijdig de grote vragen die achter de onrust en het ongenoegen over de snelle immigratie verscholen lagen bespreekbaar te maken. Nu miste het kabinet Rutte 2 opnieuw het vermogen om de morele vragen over de zorg voor ouderen voldoende te adresseren. In een wereld waarin onzekerheid over de vraag hoe een goed leven voor kwetsbare ouderen te realiseren onvermijdelijk is geworden, was de conclusie dat de zorg die we hebben op termijn onbetaalbaar is olie op het vuur. Vooral omdat op deze manier de gedachte dat de samenleving en politiek hierin keuzes kunnen maken op voorhand van tafel geveegd werd. In plaats van de vraag te stellen: wat willen we betalen in het licht van de waarde die we aan een goed leven voor ouderen toekennen, kwam Van Rijn met de in marmer gebeitelde zekerheid dat het onbetaalbaar zou worden. There is no alternative! Gewoon een probleem oplossen waarbij alle aandacht van bewindsman en kamer gericht was op de details van de uitvoering. Een breder verhaal waarbinnen afwegingen en keuzes gemaakt kunnen worden verdween achter de horizon.

Heijne citeert Huizinga, ‘in het getal bezwijkt het verhaal’. Dat is wat er met de ouderzorg gebeurde. Terwijl in tijden van onzekerheid en verwarring er juist behoefte is aan verhalen waarin de grote vragen worden verwoord en waarin de antwoorden daarop al tastend en zoekend worden gezocht. Ontbreekt zo’n verhaal en blijft alleen de de taal van kordate, politieke probleemoplossers over, die mensen geen keuze geeft en geen houvast biedt, dan wordt aan populisten alle kans geboden.

Het dossier ouderenzorg laat zien wat de gevolgen zijn van de versmalling van het politiek debat tot het benoemen van praktische problemen en het managen van de oplossing daarvan. Tjeenk Willink, voormalig vice-voorzitter van de Raad van State, oefende vanaf 2005 in verschillende bijdragen kritiek uit op deze stijl van politiek bedrijven. Hij zegt dat er een kortsluiting is tussen de bestuurlijke praktijk en de ervaringen van burgers in het dagelijks leven. Uitvoerders in de publieke sector, de onderwijzer, de agent en de verpleegkundige, zijn uit de beleidswereld verdwenen: bij beleidsvorming zijn ze amper nog betrokken en ook bij de evaluatie van de effecten van ingezet beleid worden hun ervaringen en inzichten niet meegewogen. Er is, volgens Tjeenk Willink, een tussenlaag ontstaan tussen de politiek verantwoordelijken en de professional op de werkvloer. ‘Deze tussenlaag bestaat uit ambtenaren en deskundigen, rekenmeesters en onderzoekers, communicatiedeskundigen en toezichthouders, (commerciële) adviseurs en procesmanagers. Het is een tussenlaag geworden van gelijk denken, gelijk spreken en gelijk doen. Zij is vanuit “de overheid” doorgedrongen in beroepsorganisaties en grote uitvoeringsinstanties, in zelfstandige bestuursorganen en private instellingen.’

De inhoudelijke kennis en kundigheid op de departementen is de laatste decennia teruggelopen. Tjeenk Willink voert dit terug op de ondoordachte wijze waarop de waardevolle elementen van de overheidsorganisatie (betrouwbaarheid, zorgvuldigheid, inhoudelijke competentie) zijn ingeruild voor een bedrijfsmatig-bureaucratische logica, waarbij de overheid vooral kleiner moest worden en meer bedrijfsmatig zou moeten functioneren. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een veel grotere regel- en controledichtheid en is de samenhang tussen dagelijkse uitvoering en Haags beleid verstoord. Wat daarbij ook niet helpt is het gegeven dat politieke partijen de verbroken verbinding tussen uitvoering en beleid niet hebben kunnen compenseren. Politieke partijen lijken meer en meer een biotoop van politieke en bestuurlijke professionals te zijn geworden en zijn daarmee zelf onderdeel geworden van de door Tjeenk Willink benoemde tussenlaag.

Hoe dan ook: zonder verhaal, dat dagelijkse werkelijkheid en zorgen verbindt met een perspectief voor de toekomst, is de politiek vleugellam. Als dan bovendien beleidsmaatregelen onvoldoende aan de praktijk van de uitvoering worden getoetst is daarmee het fatale recept wel geschreven. De geloofwaardigheid van de overheid en het bestaansrecht van politieke partijen zijn met steeds meer scepsis omgeven. De overmatige aandacht voor bestuurlijke techniek, het missen van een antenne voor de dagelijkse zorgen van mensen en het onvermogen om de grote , morele vragen van deze tijd te stellen en van een antwoord te voorzien: het zijn ernstige tekortkomingen bij alle partijen die in wisselende samenstelling ons land regeerden .

Tot nu toe heeft de PvdA zich nog niet aan deze tekortkomingen kunnen ontworstelen. En juist de PvdA is misschien hierdoor nog meer in het ongerede geraakt dan andere partijen. Voorheen was zij geworteld in dat deel van de bevolking dat het minst draagkrachtig is. Zij was ook sterk verbonden met werkers in de publieke sector, waardoor beleid in samenhang met de uitvoering kon worden ontwikkeld. De eerste groep, waaronder de minder draagkrachtige ouderen en hun kinderen, maakt zich begrijpelijk grote zorgen over haar toekomst, de tweede groep ervaart dagelijks de mismatch tussen beleid en praktijk. Voor beide groepen doet politiek er echt toe, meer nog dan voor de zelfredzame achterban van andere partijen die minder belang hecht aan publieke voorzieningen. Het lijkt erop dat bij de laatste verkiezingen deze groepen “ hun” PvdA, die hun dagelijkse ervaring niet meer lijkt te herkennen en verwoorden, teleurgesteld verlaten hebben.

De overwegingen van Heijne en Tjeenk Willink lezend valt in ieder geval goed te begrijpen hoe het zover heeft kunnen komen. Ook wordt dan duidelijk dat de PvdA zichzelf opnieuw zal moeten uitvinden, dat de partij er met het vervangen van een dienstdoend partijleider niet is. Ik zou willen aanbevelen om de heren Heijne en Tjeenk Willink, die het probleem zo treffend hebben geschetst, te vragen om hierbij behulpzaam te zijn.

Vertrouwen in Europa

i 6 november 2017 door

De kritiek op ‘Europa’ is al jaren stevig. Tegelijkertijd kunnen we onmogelijk zonder. De grote vraagstukken van onze tijd – migratie, veiligheid, klimaatverandering – zijn eenvoudigweg niet op te lossen als klein land alleen. Maar hoeveel hebben wij als burgers eigenlijk te zeggen over de in Europees verband gekozen oplossingen? Hebben we voldoende vertrouwen in het Europese project? Over die vragen en meer ging de afsluitende conferentie in de serie Democratisch Nederland? waarin we spraken over de stand van onze democratie op nationaal, lokaal én Europees niveau.

Door Maarten van den Bos

Europa heeft wisselende pers. Voorstanders presenteren het Europese project als onontkoombaar. Alleen gezamenlijk kunnen de grote problemen van deze tijd opgelost worden. Tegenstanders stellen vast dat internationale samenwerking natuurlijk nodig is, maar dat het Europese project onafwendbaar op weg lijkt naar een federale, Europese staat waar niemand op zit te wachten. Vandaar dat burgers, wanneer dat hen gevraagd wordt, op de rem trappen. In het referendum over de Europese Grondwet in 2005 en recentelijk nog bij het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne stemde een forse meerderheid van de Nederlanders die de moeite nam te gaan stemmen tegen. Wie de debatten rond die referenda analyseert ziet een groep felle tegenstanders en een groep even felle voorstanders die met telkens terugkerende argumenten elkaar bestrijden, over de hoofden van een brede middengroep heen. Die middengroep is geen verklaard voor- of tegenstander van Europese samenwerking, maar is wel op zoek naar een overtuigend verhaal waarom die eigenlijk nodig is. Naar dat verhaal moeten we op zoek.

Dit althans was – in grove penceelstreken – de overtuiging van de eerste sprekers van de avond. Historicus Robin de Bruin stelde zichzelf de vraag waarom veel mensen bij aanvang van het Europese project in de jaren na de Tweede Wereldoorlog daar eigenlijk zo enthousiast over waren. Zijn conclusie, die hij trok na jaren van onderzoek dat in 2014 uitmondde in zijn proefschrift getiteld Elastisch Europa, is dat de ‘Europese euforie’ in de Nederlandse politiek van de jaren vijftig en zestig gebaseerd was op het projecteren van eigen idealen op het Europese project. Europa, zo zegt De Bruin de vermaarde columnist J.L. Heldring na, was een heel elastisch concept. Er kon van alles onder begrepen en dus ook van alles op geprojecteerd worden. De discussie ging niet over meer of minder Europa, maar over wat Europa precies moest en mocht betekenen. Verschillende politici hadden hun eigen ideologisch verhaal over Europa. De eigen achterban kon zich daarmee identificeren. Ondertussen was het Europese project gericht op kleine stapjes en het voortdurend zoeken naar overeenstemming. Dat zoeken was niet altijd even doorzichtig, en dat was een kracht. Zo immers kon iedereen zijn eigen verhaal blijven vertellen over de uitkomsten van het proces.

Vandaag de dag echter is die kracht, volgens De Bruin, verworden tot een zwakte. Door het moeizame Europese besluitvormingsproces is niet helder waar in de Europese politiek eigenlijk de macht gelokaliseerd is en wie die macht namens ons kan controleren. Wie de baas is in Europa weet eigenlijk niemand. Publicist en denker René Cuperus sloot zich daar in zijn bijdrage bij aan. Vanuit democratisch perspectief is Europa een problematisch project. Daar komt bij dat Europa ook niet sociaal genoeg is, het gaat te veel om markt en munt. De vraag in hoeverre mensen eigenlijk baat hebben van Europa, in hoeverre Europa hen meer bestaanszekerheid geeft in een wereld die steeds ingewikkelder en dynamischer lijkt te worden, wordt niet beantwoord. Mede daarom heeft de traditionele achterban van veel sociaaldemocratische partijen, waaronder de PvdA, het ook moeilijk met Europa.

Hoewel Cuperus aangaf met blijdschap te signaleren dat de nationaal-populistische dreiging die afgelopen jaar boven Europa hing sterk is afgenomen met de verkiezingsoverwinningen van Macron en Merkel, is er blijvend reden voor zorg. Het herwonnen zelfvertrouwen zou immers gemakkelijk kunnen omslaan in overmoed. Dat bijvoorbeeld in het zojuist gesloten regeerakkoord te lezen viel dat Nederland onlosmakelijk verbonden is met Europa wil niet zeggen dat er geen kritiek nodig is en blijft. ‘Niet omdat ik nationalist ben, maar omdat ik sociaaldemocraat ben’, voegt Cuperus daaraan toe. De sociaaldemocratie is er onvoldoende in geslaagd haar traditionele achterban mee te krijgen in het Europese ideaal terwijl Europese discussies te vaak vervallen in ondoorzichtige technocratie. Door nu een radicale positie in te nemen, minder macht voor de lidstaten en verdere eenwording, neem je een razend gevaarlijke positie in. Dat is voer voor een nieuw, noch radicaler populisme. Europa is niet centralisatie en concentratie van macht in Brussel, maar samenwerking, uitwisseling en diversiteit.

In een beknopte reactie op de beide inleiders namen Christie Miedema en Paul Tang vervolgens beiden stelling. Oost-Europa-deskundige Miedema wees op de fragiliteit van de democratie in landen als Polen en Hongarije. Dat is een probleem, zeker wanneer ‘Europa’ vervolgens gaat uitleggen wat het betekent om een goed Europeaan te zijn, welke waarden daarbij horen. Voor veel mensen in Oost-Europa is de Europese identiteit vooral een gedeelde geloofsbasis geworteld in het christendom en gaat het dan niet zozeer om waarden als democratie, vrijheid en mensenrechten. Het is verstandig ook dat verhaal serieus te nemen en een gelijkwaardig gesprek te voeren over dat wat Europa kan, wil en moet zijn. Alleen op die manier is te voorkomen dat er een tegenstelling ontstaat binnen Europa die steeds moeilijker te overbruggen zal zijn. Dat is ook in ons belang, want als een gedeeld verhaal over wat Europa is ontbreekt, gaat Europa steeds meer de rol van ‘de ander’ vervullen.

In zijn reactie ging Paul Tang, delegatieleider voor de PvdA in het Europees parlement, vervolgens in op de vraag wat mensen eigenlijk van Europa verwachten. De steun voor ‘Europa’ is hoog, stelde Tang, alleen de unie doet niet de juiste dingen. Dan gaat het volgens Tang om het ontwikkelen van een gemeenschappelijk buitenlands beleid, een gemeenschappelijk defensiebeleid, een economisch beleid dat zorg voor stabiliteit en bestaanszekerheid en aandacht voor klimaat en migratie. Op die punten weet de unie echter geen stappen te zetten. Daarover zou het politieke debat moeten gaan: wat voor Europa willen we eigenlijk.

In zijn conclusie was Tang helder: zeggen dat het overdragen van meer macht aan Europa niet nodig is, is volksverlakkerij. Maar dan is het wel belangrijk Europa politieker te maken, meer discussie op gang te brengen over wat we van Europa verwachten en waartoe de Europese samenwerking eigenlijk op aarde is. In zijn analyse wees Cuperus daarbij op het probleem waar Nederlandse internationale politiek altijd mee te kampen heeft, namelijk dat we een heel klein land zijn met een in essentie bescheiden soortelijk gewicht in de internationale politiek. Dit ‘kleine landen syndroom’ maakt het moeilijk: overdragen van macht is lastig wanneer je het gevoel hebt daarmee ook de controle kwijt te raken en speelbal te worden van grote landen. Dat geeft mensen niet het vertrouwen dat nodig is.

Daar komt nog bij dat met het onder druk staan van het vertrouwen in de lokale en nationale politiek het ingewikkeld is van burgers te vragen wel vertrouwen uit te spreken in politiek leiders om in internationaal verband tot overeenstemming te komen over de richting die de Europese samenwerking zou moeten gaan. Eigenlijk alle sprekers wezen erop dat de problematische positie van de Europese politiek niet op zichzelf staat. Wanneer mensen onzeker zijn over de toekomst en moeite hebben te geloven dat politici in staat zijn iets van die onzekerheden weg te nemen, is het helemaal ingewikkeld diezelfde politici te vertrouwen wanneer zij in de soms ondoorzichtige en complexe Europese politiek onze belangen moeten behartigen. De meest interessante conclusie van de avond was wellicht daarom ook dat een herstel van vertrouwen in de lokale en nationale politiek misschien wel vooraf gaat aan een mogelijk herstel van vertrouwen in de internationale, de Europese politiek.

Daarmee leverde de avond – net als de overige bijeenkomsten in de serie overigens – geen pasklare oplossingen op, maar wel een opdracht. Herstel van vertrouwen is nodig op alle niveaus. In Europa valt of staat dat met het opnieuw politiek maken van Europa. Want de grote middengroep is alleen te overtuigen van de noodzaak van volgende stappen richting meer Europese samenwerking wanneer duidelijk is waar men precies voor kiest en waarom eigenlijk. Hernieuwd vertrouwen in de Europese politiek valt of staat daarmee met nationale en misschien zelfs lokale politici die in staat en bereid zijn een ideologisch gemotiveerd verhaal te vertellen over hoe zij de toekomst van Europa zien.