IS DE ZORG ONHOUDBAAR? OF DEZE POLITIEK?

i 4 december 2017 door

In 2030 zullen er 4 miljoen 65-plussers zijn, waarvan 1 miljoen kwetsbare ouderen. Dat zijn ouderen met problemen op medisch, sociaal en mentaal gebied. Dat waren er nog nooit zoveel. Door massaal ouder te worden zijn er nu veel ziektes en gebreken waar de bevolking voorheen niet eens aan toe kwam. De toename van dementie is daar een voorbeeld van. Door het succes van de geneeskunde leven mensen vele jaren met chronische ziekten waaraan men vroeger na een kort ziekbed overleed. Bovendien eten mensen beter, zijn hoger opgeleid, hebben betere huisvesting en zijn de werkomstandigheden niet meer zo ongezond. Dit alles heeft er toe geleid dat de gemiddelde leeftijd drastisch is gestegen. Tegelijk is het aantal jaren dat we leven met gebreken ook omhoog gegaan. Daar staat tegenover dat de informele zorgcapaciteit, het totaal aan zorg dat binnen familie of gemeenschapsverband wordt verleend, onder druk staat. De tijd dat dochters of schoondochters als vanzelfsprekend voor hun ouders of schoonouders zorgden, ligt achter ons. Vrouwen zijn de arbeidsmarkt opgegaan, waarbij het helaas niet zo is dat hun traditionele zorgvolume door mannen in gelijke mate is overgenomen. Bovendien is er sprake van migratie binnen de landsgrenzen: volwassen kinderen wonen veel minder vaak dicht bij hun ouders in de buurt. Dit alles vraagt om een politiek antwoord.

Het is niet verwonderlijk dat betaalde zorg, waarop meer en meer een beroep wordt gedaan, sinds een halve eeuw een grote vlucht heeft genomen. Daar zit dan wel een knelpunt omdat de vraag naar zorg het aanbod steeds lijkt te overstijgen. Velen ervaren deze betaalde zorg bovendien als te karig en in onvoldoende mate beschikbaar. Al met al durf ik de stelling aan dat de onbezorgde oude dag van Drees in grote delen van de samenleving veranderd is in iets waar men zich zorgen over maakt. Het succes van een langer leven heeft zijn schaduwkant. Ouderen stellen zich de vraag: wie zorgt er nog voor mij als ik het echt nodig heb? En volwassen kinderen vragen zich af: hoe moet dat met vader of moeder als hun gezondheid minder wordt?

Het grote aantal kwetsbare ouderen is een nieuw fenomeen dat vragen oproept die tot nu toe niet van een sluitend antwoord zijn voorzien. Deze kwestie verklaren als het gevolg van bezuinigingen miskent de onderliggende structurele oorzaken. Het budget voor ouderenzorg is de laatste jaren gestaag omhoog gegaan. Deze stijging zal de komende jaren doorgaan, er wordt ‘slechts’ bezuinigd op de te voorziene meerkosten. De toegenomen zorgvraag en de verminderde zorgcapaciteit zijn beiden het gevolg van dezelfde sociaaleconomische en medische ontwikkelingen in de afgelopen halve eeuw.

Maar er is wel iets anders aan de hand. In dit klimaat van onzekerheid proclameerde het kabinet Rutte 2 in 2012 dat de zorg voor ouderen op termijn onbetaalbaar zou worden en dat daarmee het voorzieningenniveau onhoudbaar zou zijn. Namens het kabinet was staatssecretaris van Rijn (PvdA) de vertolker van dit geluid. In het begin van zijn regeerperiode werd het breed uitmeten van de financiële onhoudbaarheid door hem in een context geplaatst: het kan toch niet zo zijn dat solidariteit enkel en alleen bestaat uit het betalen van premies en belastingen om vervolgens alle hulp en zorg uit te besteden aan de overheid. In de troonrede van 2013 werd het begrip participatiesamenleving geïntroduceerd: als iedereen een extra handje uitsteekt, zelf verantwoordelijkheid neemt en zich minder passief op de overheid verlaat, is er zicht op een oplossing van het probleem.

Echter de bredere visie verbleekte al snel: naast de financiële doemscenario’s, eisten bestuurlijke kwesties (decentralisatie) en uitvoeringsproblemen (PGB) alle aandacht op. De regeringsfracties lieten dit gebeuren, de oppositie verloor zich in details. Zo liet de politiek al snel de grote, morele vragen onbespreekbaar. Wat is een goed leven voor kwetsbare ouderen? Wie zorgt daarvoor? Mensen zelf, familie, gemeenschappen, de markt, de overheid? Welke betekenis hebben ouderen in onze samenleving?

Bas Heijne schrijft in zijn boek de Staat van Nederland: de kern van het debat gaat over gemeenschap, samenhang. Hij verwijst naar het debat over de problemen die te maken hebben met migratie en globalisering. Hierbij is sprake van onzekerheid en verwarring over de verbinding die we al dan niet hebben met nieuwkomers. Maar het zijn dezelfde soort grote vragen die gesteld kunnen worden als het gaat om de positie en betekenis van kwetsbare ouderen. Nieuwkomers en ouderen, twee grote kwesties met dezelfde centrale vraag: wat hebben we met elkaar te maken, wat zijn we elkaar verschuldigd?

De opkomst van het populisme vanaf 2000 liet zien dat de bestuurlijke wereld er niet in slaagde om tijdig de grote vragen die achter de onrust en het ongenoegen over de snelle immigratie verscholen lagen bespreekbaar te maken. Nu miste het kabinet Rutte 2 opnieuw het vermogen om de morele vragen over de zorg voor ouderen voldoende te adresseren. In een wereld waarin onzekerheid over de vraag hoe een goed leven voor kwetsbare ouderen te realiseren onvermijdelijk is geworden, was de conclusie dat de zorg die we hebben op termijn onbetaalbaar is olie op het vuur. Vooral omdat op deze manier de gedachte dat de samenleving en politiek hierin keuzes kunnen maken op voorhand van tafel geveegd werd. In plaats van de vraag te stellen: wat willen we betalen in het licht van de waarde die we aan een goed leven voor ouderen toekennen, kwam Van Rijn met de in marmer gebeitelde zekerheid dat het onbetaalbaar zou worden. There is no alternative! Gewoon een probleem oplossen waarbij alle aandacht van bewindsman en kamer gericht was op de details van de uitvoering. Een breder verhaal waarbinnen afwegingen en keuzes gemaakt kunnen worden verdween achter de horizon.

Heijne citeert Huizinga, ‘in het getal bezwijkt het verhaal’. Dat is wat er met de ouderzorg gebeurde. Terwijl in tijden van onzekerheid en verwarring er juist behoefte is aan verhalen waarin de grote vragen worden verwoord en waarin de antwoorden daarop al tastend en zoekend worden gezocht. Ontbreekt zo’n verhaal en blijft alleen de de taal van kordate, politieke probleemoplossers over, die mensen geen keuze geeft en geen houvast biedt, dan wordt aan populisten alle kans geboden.

Het dossier ouderenzorg laat zien wat de gevolgen zijn van de versmalling van het politiek debat tot het benoemen van praktische problemen en het managen van de oplossing daarvan. Tjeenk Willink, voormalig vice-voorzitter van de Raad van State, oefende vanaf 2005 in verschillende bijdragen kritiek uit op deze stijl van politiek bedrijven. Hij zegt dat er een kortsluiting is tussen de bestuurlijke praktijk en de ervaringen van burgers in het dagelijks leven. Uitvoerders in de publieke sector, de onderwijzer, de agent en de verpleegkundige, zijn uit de beleidswereld verdwenen: bij beleidsvorming zijn ze amper nog betrokken en ook bij de evaluatie van de effecten van ingezet beleid worden hun ervaringen en inzichten niet meegewogen. Er is, volgens Tjeenk Willink, een tussenlaag ontstaan tussen de politiek verantwoordelijken en de professional op de werkvloer. ‘Deze tussenlaag bestaat uit ambtenaren en deskundigen, rekenmeesters en onderzoekers, communicatiedeskundigen en toezichthouders, (commerciële) adviseurs en procesmanagers. Het is een tussenlaag geworden van gelijk denken, gelijk spreken en gelijk doen. Zij is vanuit “de overheid” doorgedrongen in beroepsorganisaties en grote uitvoeringsinstanties, in zelfstandige bestuursorganen en private instellingen.’

De inhoudelijke kennis en kundigheid op de departementen is de laatste decennia teruggelopen. Tjeenk Willink voert dit terug op de ondoordachte wijze waarop de waardevolle elementen van de overheidsorganisatie (betrouwbaarheid, zorgvuldigheid, inhoudelijke competentie) zijn ingeruild voor een bedrijfsmatig-bureaucratische logica, waarbij de overheid vooral kleiner moest worden en meer bedrijfsmatig zou moeten functioneren. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een veel grotere regel- en controledichtheid en is de samenhang tussen dagelijkse uitvoering en Haags beleid verstoord. Wat daarbij ook niet helpt is het gegeven dat politieke partijen de verbroken verbinding tussen uitvoering en beleid niet hebben kunnen compenseren. Politieke partijen lijken meer en meer een biotoop van politieke en bestuurlijke professionals te zijn geworden en zijn daarmee zelf onderdeel geworden van de door Tjeenk Willink benoemde tussenlaag.

Hoe dan ook: zonder verhaal, dat dagelijkse werkelijkheid en zorgen verbindt met een perspectief voor de toekomst, is de politiek vleugellam. Als dan bovendien beleidsmaatregelen onvoldoende aan de praktijk van de uitvoering worden getoetst is daarmee het fatale recept wel geschreven. De geloofwaardigheid van de overheid en het bestaansrecht van politieke partijen zijn met steeds meer scepsis omgeven. De overmatige aandacht voor bestuurlijke techniek, het missen van een antenne voor de dagelijkse zorgen van mensen en het onvermogen om de grote , morele vragen van deze tijd te stellen en van een antwoord te voorzien: het zijn ernstige tekortkomingen bij alle partijen die in wisselende samenstelling ons land regeerden .

Tot nu toe heeft de PvdA zich nog niet aan deze tekortkomingen kunnen ontworstelen. En juist de PvdA is misschien hierdoor nog meer in het ongerede geraakt dan andere partijen. Voorheen was zij geworteld in dat deel van de bevolking dat het minst draagkrachtig is. Zij was ook sterk verbonden met werkers in de publieke sector, waardoor beleid in samenhang met de uitvoering kon worden ontwikkeld. De eerste groep, waaronder de minder draagkrachtige ouderen en hun kinderen, maakt zich begrijpelijk grote zorgen over haar toekomst, de tweede groep ervaart dagelijks de mismatch tussen beleid en praktijk. Voor beide groepen doet politiek er echt toe, meer nog dan voor de zelfredzame achterban van andere partijen die minder belang hecht aan publieke voorzieningen. Het lijkt erop dat bij de laatste verkiezingen deze groepen “ hun” PvdA, die hun dagelijkse ervaring niet meer lijkt te herkennen en verwoorden, teleurgesteld verlaten hebben.

De overwegingen van Heijne en Tjeenk Willink lezend valt in ieder geval goed te begrijpen hoe het zover heeft kunnen komen. Ook wordt dan duidelijk dat de PvdA zichzelf opnieuw zal moeten uitvinden, dat de partij er met het vervangen van een dienstdoend partijleider niet is. Ik zou willen aanbevelen om de heren Heijne en Tjeenk Willink, die het probleem zo treffend hebben geschetst, te vragen om hierbij behulpzaam te zijn.

Vertrouwen in Europa

i 6 november 2017 door

De kritiek op ‘Europa’ is al jaren stevig. Tegelijkertijd kunnen we onmogelijk zonder. De grote vraagstukken van onze tijd – migratie, veiligheid, klimaatverandering – zijn eenvoudigweg niet op te lossen als klein land alleen. Maar hoeveel hebben wij als burgers eigenlijk te zeggen over de in Europees verband gekozen oplossingen? Hebben we voldoende vertrouwen in het Europese project? Over die vragen en meer ging de afsluitende conferentie in de serie Democratisch Nederland? waarin we spraken over de stand van onze democratie op nationaal, lokaal én Europees niveau.

Door Maarten van den Bos

Europa heeft wisselende pers. Voorstanders presenteren het Europese project als onontkoombaar. Alleen gezamenlijk kunnen de grote problemen van deze tijd opgelost worden. Tegenstanders stellen vast dat internationale samenwerking natuurlijk nodig is, maar dat het Europese project onafwendbaar op weg lijkt naar een federale, Europese staat waar niemand op zit te wachten. Vandaar dat burgers, wanneer dat hen gevraagd wordt, op de rem trappen. In het referendum over de Europese Grondwet in 2005 en recentelijk nog bij het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne stemde een forse meerderheid van de Nederlanders die de moeite nam te gaan stemmen tegen. Wie de debatten rond die referenda analyseert ziet een groep felle tegenstanders en een groep even felle voorstanders die met telkens terugkerende argumenten elkaar bestrijden, over de hoofden van een brede middengroep heen. Die middengroep is geen verklaard voor- of tegenstander van Europese samenwerking, maar is wel op zoek naar een overtuigend verhaal waarom die eigenlijk nodig is. Naar dat verhaal moeten we op zoek.

Dit althans was – in grove penceelstreken – de overtuiging van de eerste sprekers van de avond. Historicus Robin de Bruin stelde zichzelf de vraag waarom veel mensen bij aanvang van het Europese project in de jaren na de Tweede Wereldoorlog daar eigenlijk zo enthousiast over waren. Zijn conclusie, die hij trok na jaren van onderzoek dat in 2014 uitmondde in zijn proefschrift getiteld Elastisch Europa, is dat de ‘Europese euforie’ in de Nederlandse politiek van de jaren vijftig en zestig gebaseerd was op het projecteren van eigen idealen op het Europese project. Europa, zo zegt De Bruin de vermaarde columnist J.L. Heldring na, was een heel elastisch concept. Er kon van alles onder begrepen en dus ook van alles op geprojecteerd worden. De discussie ging niet over meer of minder Europa, maar over wat Europa precies moest en mocht betekenen. Verschillende politici hadden hun eigen ideologisch verhaal over Europa. De eigen achterban kon zich daarmee identificeren. Ondertussen was het Europese project gericht op kleine stapjes en het voortdurend zoeken naar overeenstemming. Dat zoeken was niet altijd even doorzichtig, en dat was een kracht. Zo immers kon iedereen zijn eigen verhaal blijven vertellen over de uitkomsten van het proces.

Vandaag de dag echter is die kracht, volgens De Bruin, verworden tot een zwakte. Door het moeizame Europese besluitvormingsproces is niet helder waar in de Europese politiek eigenlijk de macht gelokaliseerd is en wie die macht namens ons kan controleren. Wie de baas is in Europa weet eigenlijk niemand. Publicist en denker René Cuperus sloot zich daar in zijn bijdrage bij aan. Vanuit democratisch perspectief is Europa een problematisch project. Daar komt bij dat Europa ook niet sociaal genoeg is, het gaat te veel om markt en munt. De vraag in hoeverre mensen eigenlijk baat hebben van Europa, in hoeverre Europa hen meer bestaanszekerheid geeft in een wereld die steeds ingewikkelder en dynamischer lijkt te worden, wordt niet beantwoord. Mede daarom heeft de traditionele achterban van veel sociaaldemocratische partijen, waaronder de PvdA, het ook moeilijk met Europa.

Hoewel Cuperus aangaf met blijdschap te signaleren dat de nationaal-populistische dreiging die afgelopen jaar boven Europa hing sterk is afgenomen met de verkiezingsoverwinningen van Macron en Merkel, is er blijvend reden voor zorg. Het herwonnen zelfvertrouwen zou immers gemakkelijk kunnen omslaan in overmoed. Dat bijvoorbeeld in het zojuist gesloten regeerakkoord te lezen viel dat Nederland onlosmakelijk verbonden is met Europa wil niet zeggen dat er geen kritiek nodig is en blijft. ‘Niet omdat ik nationalist ben, maar omdat ik sociaaldemocraat ben’, voegt Cuperus daaraan toe. De sociaaldemocratie is er onvoldoende in geslaagd haar traditionele achterban mee te krijgen in het Europese ideaal terwijl Europese discussies te vaak vervallen in ondoorzichtige technocratie. Door nu een radicale positie in te nemen, minder macht voor de lidstaten en verdere eenwording, neem je een razend gevaarlijke positie in. Dat is voer voor een nieuw, noch radicaler populisme. Europa is niet centralisatie en concentratie van macht in Brussel, maar samenwerking, uitwisseling en diversiteit.

In een beknopte reactie op de beide inleiders namen Christie Miedema en Paul Tang vervolgens beiden stelling. Oost-Europa-deskundige Miedema wees op de fragiliteit van de democratie in landen als Polen en Hongarije. Dat is een probleem, zeker wanneer ‘Europa’ vervolgens gaat uitleggen wat het betekent om een goed Europeaan te zijn, welke waarden daarbij horen. Voor veel mensen in Oost-Europa is de Europese identiteit vooral een gedeelde geloofsbasis geworteld in het christendom en gaat het dan niet zozeer om waarden als democratie, vrijheid en mensenrechten. Het is verstandig ook dat verhaal serieus te nemen en een gelijkwaardig gesprek te voeren over dat wat Europa kan, wil en moet zijn. Alleen op die manier is te voorkomen dat er een tegenstelling ontstaat binnen Europa die steeds moeilijker te overbruggen zal zijn. Dat is ook in ons belang, want als een gedeeld verhaal over wat Europa is ontbreekt, gaat Europa steeds meer de rol van ‘de ander’ vervullen.

In zijn reactie ging Paul Tang, delegatieleider voor de PvdA in het Europees parlement, vervolgens in op de vraag wat mensen eigenlijk van Europa verwachten. De steun voor ‘Europa’ is hoog, stelde Tang, alleen de unie doet niet de juiste dingen. Dan gaat het volgens Tang om het ontwikkelen van een gemeenschappelijk buitenlands beleid, een gemeenschappelijk defensiebeleid, een economisch beleid dat zorg voor stabiliteit en bestaanszekerheid en aandacht voor klimaat en migratie. Op die punten weet de unie echter geen stappen te zetten. Daarover zou het politieke debat moeten gaan: wat voor Europa willen we eigenlijk.

In zijn conclusie was Tang helder: zeggen dat het overdragen van meer macht aan Europa niet nodig is, is volksverlakkerij. Maar dan is het wel belangrijk Europa politieker te maken, meer discussie op gang te brengen over wat we van Europa verwachten en waartoe de Europese samenwerking eigenlijk op aarde is. In zijn analyse wees Cuperus daarbij op het probleem waar Nederlandse internationale politiek altijd mee te kampen heeft, namelijk dat we een heel klein land zijn met een in essentie bescheiden soortelijk gewicht in de internationale politiek. Dit ‘kleine landen syndroom’ maakt het moeilijk: overdragen van macht is lastig wanneer je het gevoel hebt daarmee ook de controle kwijt te raken en speelbal te worden van grote landen. Dat geeft mensen niet het vertrouwen dat nodig is.

Daar komt nog bij dat met het onder druk staan van het vertrouwen in de lokale en nationale politiek het ingewikkeld is van burgers te vragen wel vertrouwen uit te spreken in politiek leiders om in internationaal verband tot overeenstemming te komen over de richting die de Europese samenwerking zou moeten gaan. Eigenlijk alle sprekers wezen erop dat de problematische positie van de Europese politiek niet op zichzelf staat. Wanneer mensen onzeker zijn over de toekomst en moeite hebben te geloven dat politici in staat zijn iets van die onzekerheden weg te nemen, is het helemaal ingewikkeld diezelfde politici te vertrouwen wanneer zij in de soms ondoorzichtige en complexe Europese politiek onze belangen moeten behartigen. De meest interessante conclusie van de avond was wellicht daarom ook dat een herstel van vertrouwen in de lokale en nationale politiek misschien wel vooraf gaat aan een mogelijk herstel van vertrouwen in de internationale, de Europese politiek.

Daarmee leverde de avond – net als de overige bijeenkomsten in de serie overigens – geen pasklare oplossingen op, maar wel een opdracht. Herstel van vertrouwen is nodig op alle niveaus. In Europa valt of staat dat met het opnieuw politiek maken van Europa. Want de grote middengroep is alleen te overtuigen van de noodzaak van volgende stappen richting meer Europese samenwerking wanneer duidelijk is waar men precies voor kiest en waarom eigenlijk. Hernieuwd vertrouwen in de Europese politiek valt of staat daarmee met nationale en misschien zelfs lokale politici die in staat en bereid zijn een ideologisch gemotiveerd verhaal te vertellen over hoe zij de toekomst van Europa zien.

 

Over vernieuwing van lokale democratie.

i 6 november 2017 door

Tijdens de Banning Conferentie over Democratie dichtbij – op 7 juni in de Rode Hoed – spraken Bert Blase, burgemeester van Heerhugowaard en voorman van vernieuwingsbeweging Code Oranje, en Maarten van den Bos, ambtelijk secretaris van de Banning Vereniging, over de toekomst van de lokale democratie. In de volgende artikelen werken zij hun gedachten nader uit.

Lerend op weg naar meer samenlevingsmacht!

In veel Nederlandse gemeenten worden pogingen gedaan om de maatschappelijke en politieke democratie bij elkaar te brengen. Denk aan voorbeelden als de wijkcoöperatie in Groningen, de burgerbegroting in Breda, de samenlevingsagenda in Alblasserdam, de burgerjury in Rotterdam en de dubbele verkiezingen in Heerhugowaard. Allemaal verschillend in hun aanpak, maar met als overeenkomst dat ‘de samenleving’ en ‘de burger’ een grotere rol wordt toegekend ten opzichte van de representatieve democratie.

Door Bert Blase

In mijn ogen gaat het hier om een onontkoombare beweging die door ons land waart. Of eigenlijk: nog veel breder is dan alleen ons land. Door diverse ontwikkelingen, zoals toegenomen scholing, individualisering (mondigheid), sociale wetgeving (bijvoorbeeld de WMO) en natuurlijk de digitale revolutie, zijn de panelen tussen bestuur, politiek en samenleving, zeker in de Westerse wereld, aan het schuiven. Er komt meer nadruk op en behoefte aan samenlevingsmacht en burgerzeggenschap. De lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers in ons land merken dit en proberen op deze ontwikkelingen in te spelen. De bovengenoemde voorbeelden getuigen daarvan – en in de opmaat naar de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 zullen deze in aantal en omvang nog flink toenemen.

Deze fundamentele beweging heeft allerlei – even fundamentele – gevolgen. Ieder publiek instituut heeft ermee te maken, de instituties van de vertegenwoordigende democratie en van de politieke partijen voorop. Openheid, communicatie, experiment, variatie, eigenaarschap en co-productie zijn kernbegrippen in die beweging – en dus ook in het herijken van de rol van de democratische organen (Gemeenteraden, Provinciale Staten en parlement), van de politieke partijen, van de politieke bestuurders en -vertegenwoordigers én van de inwoners zelf. Want het één heeft onherroepelijk effect op het ander.

We zien dat het lokaal bestuur stevig in beweging is. Er is bijna geen gemeente waar dit gesprek niet gevoerd wordt en waar dit niet tot acties leidt. Ook in provincieland zien we dit terug, denk aan het Twentement of de Friese dorpentop. Alleen op nationaal (en Europees) niveau blijft het (te) stil, met de traditioneel gesloten kabinetsformatie als actueel voorbeeld. Juist vanwege de zichtbaarheid van het nationale niveau werkt dit dubbel averechts. De getoonde geslotenheid geeft voeding aan wantrouwen en onvrede, in plaats dat de nationale politiek ruimte schept in de zoektocht naar beter bestuur.

Wat zijn – in mijn ogen – nu kansrijke wegen, om in te spelen op deze ontwikkelingen? Ik zie de volgende: Maak ruim baan voor de experimenten en uitwerkingen in het lokaal en provinciaal bestuur. (1) Start zichtbare ‘nieuwe democratische vormen’ op landelijk en Europees niveau. (2) Vorm de politieke partijen om, zodat zij zich beter verhouden tot deze nieuwe werkelijkheid. (3) Leer openlijk en gezamenlijk van de opgedane en aankomende ervaringen met deze nieuwe democratische vormen. (4)

1) De minister van Binnenlandse Zaken heeft in een brief aan de Tweede Kamer (naar aanleiding van een motie op dit punt) inzicht gegeven in ‘vergaande’ ideeën van gemeenten en hoe die zich verhouden tot de wet. Het goede nieuws is dat de huidige wet reeds ruimte biedt aan veel van de huidige experimenten – en dat waar nodig die ruimte ook wettelijk zou kunnen worden geboden. Het is aan gemeenten om zich bij het ministerie te melden als zij die extra ruimte nodig hebben. Ondertussen bereiden tientallen gemeenten en initiatieven vanuit de samenleving zich voor op nieuwe vormen in de aanloop naar de komende verkiezingen en de fase erna.

2) Dit punt blijft achter. De formatieperiode heeft kansen te over geboden om dit te doorbreken. Helaas heeft het aan de durf daartoe ontbroken. Gelukkig zullen deze kansen zich blijven voordoen. Denk aan de staatscommissie voor het parlementair stelsel die is ingesteld, de fragmentatie in de politiek die tot nieuwe werkwijzen uitdaagt, de hoeveelheden adviezen die zich opstapelen en de noodzaak tot coproductie met mede-overheden, maatschappelijke partners en inwoners om de actuele vraagstukken verder te helpen. Maar – oproep aan de collega’s in de landelijke politiek: laat deze kansen niet voorbijgaan.

3) Vooral de ‘traditionele’ politieke partijen zijn nog teveel georganiseerd rond de vertrouwde ordening van de macht. Partijen zien zichzelf nog te veel als intermediair tussen de kiezer en de (overheids-)macht. Terwijl de digitale werkelijkheid, maar ook de manier waarop mensen zich tegenwoordig organiseren, om heel andere arrangementen vraagt. Meer thema- en actiegericht, minder vanuit het onderscheid tussen wel- en niet-leden, flexibeler georganiseerd, meer oog voor ‘makelaarschap’, minder hiërarchisch en met meer variatie. Mijn advies: rap omvormen dus! Want doe je dit niet, dan word je links en rechts ingehaald door andere vormen.

4) Natuurlijk brengen de experimenten met de nieuwe democratie vragen met zich mee. Hoe zorg je dat iedereen betrokken of vertegenwoordigd is? Hoe zorg je dat de verschillende belangen zijn gewaarborgd? Hoe zorg je dat een eenzijdige groep niet de overhand krijgt? Hoe zorg je voor continuïteit? Hoe leren we het beste van de vele experimenten die momenteel lopen? Kunnen we al die variatie wel aan? Allemaal vragen die we niet uit de weg moeten gaan en waarvoor niet altijd een blauwdruk-antwoord beschikbaar is.

Kortom: een lerende houding helpt. Kenniscentra als de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het ministerie van Binnenlandse Zaken, de Raad voor het Openbaar Bestuur, maar ook opleidingsinstituten en initiatieven vanuit de samenleving kunnen daarbij van dienst zijn. En natuurlijk: het hoeft niet allemaal ineens. Maar laten we er in ieder geval voor zorgen dat de beweging zichtbaar is. Al lerend op weg naar meer samenlevingsmacht!

***

De burger als Sjibbolet

In discussies over de Nederlandse politiek, zeker die op lokaal niveau, lijkt de oplossing voor tal van problemen te worden gevonden in het overdragen van meer macht en verantwoordelijkheid aan de burger. Wie dat precies is, waarom hij of zij dingen beter kan dan politiek of overheid en welke problemen hiermee precies worden opgelost, blijft vervolgens echter vaag. De vraag of lokale overheden en politiek hiermee hun eigen positie niet al te zeer ondergraven en of actief burgerschap eigenlijk kan zonder een zelfbewuste (lokale) overheid en een krachtige politiek komt überhaupt niet aan de orde. Hoog tijd voor een tegengeluid.

Door Maarten van den Bos

Nadat de Gileadieten in Bijbelboek Rechters de oversteekplaatsen van de Jordaan bezetten, vroegen zij eenieder die de rivier overstak het woord ‘sjibbolet’ uit te spreken. Wie dat niet op correcte wijze kon was geen lid van de eigen gemeenschap en werd gedood. Sindsdien is een sjibbolet een soort wachtwoord, een code die bij correcte toepassing toont dat iemand onderdeel is van de eigen groep. Het begrip burger lijkt in de moderne Nederlandse politiek verworden tot sjibbolet. Correct gebruik scheidt de bokken van de schapen. Vooruitstrevende vernieuwers van politiek en bestuur spreken over meer macht voor de burger, minder politiek en een ander bestuur. Zij die liefst alles bij het oude laten weten zich geen raad met het begrip, gebruiken het in de ogen van de eerste groep verkeerd. Hun uitspraak is niet juist. Gelukkig is de daaropvolgende dood slechts figuurlijk, ze worden buiten de discussie geplaatst.

Bert Blase, burgemeester en voorman van Code Oranje, spreekt het sjibbolet in zijn artikel uiteraard correct uit. Er wordt gepleit voor concrete veranderingen in het lokaal bestuur enerzijds en een open oog van de nationale politiek voor democratische vernieuwing anderzijds. Alleen wordt ook in zijn bijdrage de noodzaak hiertoe betrekkelijk achteloos vastgesteld. De moderne samenleving lijkt als vanzelfsprekend te vragen om nieuwe politiek en een ander bestuur. Of liever nog, om minder politiek, zodat burgers zelf het besturen opnieuw ter hand kunnen nemen. De experimenten die Blase voorstelt hebben immers tot doel de samenleving en de burger een grotere rol toe te kennen ten opzichte van de representatieve democratie. Dit wordt vervolgens voorgesteld als een onontkoombare beweging, weg van de politiek, op naar samenlevingsmacht en burgerkracht.

Nu valt voor de ideeën die Blase oppert wel wat te zeggen, maar de analyse die veel van de vernieuwers van de democratie naar voren brengen is niet zelden wat dunnetjes. Wie ontwikkelingen wil verklaren uit ‘de tijdgeest’ is blind voor het gegeven dat mensen in elke periode van de geschiedenis de neiging hebben hun eigen tijd te definiëren als ‘overgangstijd’. In elk decennium zijn wel stemmen hoorbaar die spreken van een onontkoombare omwenteling. Dat historici vervolgens een en andermaal uitleggen dat de verhouding tussen continuïteit en discontinuïteit vele malen ingewikkelder is, dat ontwikkelingen zelden een helder te markeren begin- en eindpunt kennen en dat in veel als nieuw of vernieuwend gepresenteerde ideeën vaak oude vormen en gedachten schuil gaan, is vervolgens aan dovemansoren gericht. Een beroep op ‘de tijdgeest’, zeker wanneer die ingekleurd wordt met containerbegrippen als individualisering en modernisering, overtuigt niet.

Nu is het Nederland van nu onmiskenbaar een ander land dan het Nederland van vijftig jaar geleden. Bestuur en politiek moeten zich aan die nieuwe werkelijkheid aanpassen, net zoals de samenleving zich zal moeten verhouden tot nieuwe vormen van politiek en bestuur. In wisselwerking. Precies dat inzicht ontbreekt in het debat over nieuwe vormen van democratie, representatie, actief burgerschap en bestuur. In het moderne debat over burgerschap – zo heeft Menno Hurenkamp in zijn recente proefschrift laten zien – is de gedachte dat burgers meer ruimte krijgen voor actieve maatschappelijke participatie als de overheid en de politiek zich terughoudender opstellen dominant geworden. Die gedachte is echter niet gebaseerd op empirie, zelfs niet op een doorwrochte analyse van de verhouding tussen overheid en inwoner, maar op wensdenken. Het is een oude ideologie in nieuwe jas.

Dit wensdenken is diep doorgedrongen in het debat over burgerschap, bestuur en politiek in Nederland. Zeker op lokaal niveau. Een voorbeeld uit de dagelijkse politieke praktijk in mijn eigen gemeente kan dat verhelderen. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning vraagt van gemeenten beleid te schrijven over mantelzorg. De gemeente Lingewaard – waar ik namens de PvdA in de gemeenteraad mag zitten – zelf was van mening dat in een moeite door ook voor vrijwilligers en ouderen een eigen beleidsplan geschreven kon worden. Deze drie plannen konden dan mooi in ‘co-creatie’ worden opgesteld. Wat daarmee bedoeld werd, bleef vaag. Niemand leek een idee te hebben wat nu precies de bedoeling was. Duidelijk was echter wel dat noch ‘de politiek’ noch ‘de gemeente’ zich er al te veel mee moest gaan zitten bemoeien. Het woord was aan de inwoner, daarna zagen we wel verder.

Nu is niets voor een maatschappelijke beweging zo funest als lieden die de klok van die beweging wel hebben horen luiden maar vervolgens het vermogen missen ook de klepel te vinden. Het doet de vragen en inzichten zoals Code Oranje die met enige urgentie naar voren brengt bovendien geen recht door deze gelijk te stellen aan de onbeholpenheid van een enkele lokale bestuurder. Echter, enige rekenschap van de gevolgen van het aanzwengelen van een debat zou wel wenselijk zijn. Als immers voor waar wordt aangenomen dat politiek en overheid zo ongeveer nergens meer voor deugen, is die aanname ook waar in zijn consequenties. De wrange vruchten daarvan worden in tal van gemeenten momenteel geplukt. Daar staan beleidsdocumenten en actieplannen bol van ronkende retoriek over de veranderende samenleving en een overheid en politiek die zich daar maar naar te voegen hebben, zonder dat iemand de vraag stelt wat hier nu eigenlijk concreet aan de hand is en in hoeverre we met het genoegzaam vaststellen van deze documenten ook maar een millimeter opgeschoten zijn.

De schaduwzijden van dit alles worden ondertussen steeds zichtbaarder. Lokale politici, die op basis van een bij verkiezingen verworven mandaat moeten proberen het algemeen belang te bewaken, komen in toenemende mate onder druk te staan omdat veel mensen het beter luisteren naar inwoners vertalen naar één op één doorvoeren wat mensen willen. De burger weet het immers beter. De lokale overheid bekwaamt zich ondertussen in het op haar handen zitten, waardoor mensen met acute hulpvragen in de knel komen en conflicten soms onnodig uit de hand lopen. Bovendien krijgen actieve inwoners met een goed netwerk en enige bedrevenheid in bestuurlijke interactie van alles voor elkaar, terwijl mensen die deze eigenschappen missen het nakijken hebben. Of het algemeen belang zodoende gewaarborgd blijft is hoogst onzeker.

Het is mijn stellige overtuiging dat we met elkaar moeten nadenken over de toekomstige verhouding tussen burger, politiek en bestuur. Of, om het toe te spitsen op het lokale niveau, tussen inwoner, Raad en gemeente. Dat nadenken is gebaat bij een zoekend en tastend proberen te vinden van optimale verhoudingen en in die zin juich ik de experimenten die Blase en anderen voorstaan wel toe. Daarbij mogen burgerschap, bestuur en politiek echter niet zomaar worden voorgesteld als communicerende vaten. Minder politiek en minder overheid leidt niet noodzakelijkerwijs tot meer ruimte voor actief burgerschap. Sterker nog, wellicht hebben actieve burgers wel juist een zelfbewuster politiek en actiever overheid nodig.

Er is een ongelijk speelveld ontstaan tussen voor- en tegenstander van bestuurlijke vernieuwing. Voorstanders beroepen zich op de tijdgeest, verandering is noodzakelijk. Wie dat niet snapt, loopt achter. In een dergelijk debat wordt het stellen van kritische vragen niet zelden gelijkgesteld aan een weinig open houding ten opzichte van de zo nodige vernieuwing. Kritische geesten kennen simpelweg de correcte uitspraak van het begrip burger niet, zogezegd.

Het is de hoogste tijd eens stevig te vloeken in de kerken van de verschillende verkondigers van het evangelie van de burgerkracht. Want wat nodig is, is een diepgravende analyse van de verhouding tussen overheid en inwoner, de toekomst van politiek en bestuur en de invulling van actief burgerschap. Wanneer daarbij op voorhand wordt uitgegaan van de vooronderstelling dat politiek en bestuur maar eens een tijdje op de strafbank moeten plaatsnemen, komen we echt geen meter verder.

Existentiële vraag, pragmatisch antwoord? Verslag bijeenkomst vrijwillig levenseinde.

i 6 november 2017 door

Onlangs organiseerde het Netwerk PvdA en Levensovertuiging een avond over het voltooid leven. Onder de noemer voltooid leven – een onvoltooid debat? ging een dertigtal aanwezigen na inleidingen van Agnes Wolbert en Dirk Achterbergh in gesprek met elkaar over het thema. Voornaamste conclusie van het gesprek was dat – mede door het initiatief van D66 te komen tot een wet naast en in aanvulling op de bestaande euthanasiewetgeving – de discussie zich momenteel dreigt te versmallen tot het zoeken naar praktische oplossingen voor de doodswens van mensen. Dat is onwenselijk. Een verslag.

Door Chantal Robbe en Maarten van den Bos

De aanwezigen verzamelden zich op de avond van dinsdag 12 september in de Raadszaal van het Utrechtse Stadhuis om te praten over een thema dat de afgelopen jaren nadrukkelijk in de belangstelling staat: het levenseinde. Spreker Agnes Wolbert – langjarig Tweede Kamerlid voor de PvdA en nu directeur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde – herkende dat ook uit haar beroepspraktijk. Toen zij als Kamerlid bijeenkomsten organiseerde over het thema en nu zij als directeur van de NVVE regiobijeenkomsten bezoekt, telkens is de belangstelling overweldigend. ‘Er wordt een generatie ouder die heel bewust bezig is met het eigen levenseinde, met het sterven. Dat op zichzelf is al een belangrijk gegeven’, aldus Wolbert. Achterbergh sloot zich bij die conclusie aan. Er is een reële doodswens bij een groep mensen, daar moeten we als samenleving over nadenken.

In zijn bijdrage ging Dirk Achterbergh in op het begrip autonomie. Dat wordt niet zelden uitgelegd als volledige zelfbeschikking; een mens is autonoom als hij alles voor zichzelf kan uitmaken. Alleen, zo werkt de wereld niet. Autonoom zijn mensen immers altijd alleen in relatie tot anderen. Het is daarmee een relationeel begrip, zeker als mensen hun doodswens ook bij de samenleving neerleggen. Zij geven aan geholpen te willen worden met sterven, dat maakt het levenseinde tot een politiek en maatschappelijk vraagstuk. Dat vraagstuk is bovendien uiterst complex omdat de ouderenzorg momenteel niet op orde is. Niet als gevolg van bezuinigingen of beleid, maar door diepgravende demografische en medische transformaties. Mensen, zo betoogt Achterbergh ook elders in dit nummer, worden door een combinatie van factoren veel ouder. Dat ouder worden gaat gepaard met zorgen, zorgen over gezondheid en maatschappelijke positie, eenzaamheid en aftakeling. In die context is het niet gemakkelijk te praten over levensbeëindiging alleen omdat mensen hun leven voltooid achten. Als de oude dag immers omgeven is door zorgen kan het levenseinde soms te snel in beeld komen als mogelijke oplossing.

Toch vindt Achterbergh dat ook deze discussie gevoerd moet worden en dan bij voorkeur in de context van de huidige wetgeving. Er zou een debat op gang gebracht moeten worden in hoeverre mensen met een doodswens die niet direct veroorzaakt wordt door ziekte toch geholpen kunnen worden binnen de kaders van de huidige wet. Een discussie, aldus Achterbergh, waarvoor ook artsen zich wat nadrukkelijker open zouden moeten stellen.

In haar bijdrage komt Wolbert hierop terug. De wet, stelt zij, toetst de rechtmatigheid van een levensbeëindiging aan twee criteria: lijden moet uitzichtloos en ondragelijk zijn. Het eerste is een medisch vraagstuk, is iemand zo ziek dat hij nooit meer beter wordt. Of lijden ondragelijk is, is echter veel meer een persoonlijke vraag. Wat voor de een ondragelijk is, is dat voor de ander niet. Juist omdat in de huidige wetgeving een dergelijke persoonlijke afweging nu al een rol speelt, zou binnen de context van de huidige wet bekeken kunnen worden hoe mensen die het leven voltooid achten hulp kunnen zoeken. Dat debat zou gevoerd moeten worden.

Het zou wellicht kunnen voorkomen dat de discussie nog verder gepolariseerd raakt dan deze nu al is. Waar in Nederland betrekkelijk lang met grote zorgvuldigheid over levensbeëindiging gedebatteerd werd, valt Wolbert de laatste tijd steeds vaker op hoe stevig het debat geworden is. Voor- en tegenstanders van bijvoorbeeld een nieuwe wet die het beëindigen van een voltooid geacht leven mogelijk maakt, reageren heftig op elkaar. Voor de NVVE is dat soms een probleem, je wordt al snel in een bepaalde hoek gepositioneerd. ‘Terwijl ons voornaamste uitgangspunt, dat niemand die wil sterven alleen gelaten mag worden, toch eigenlijk eenieder zou moeten aanspreken’, meent Wolbert.

Bovendien dreigt de discussie over het levenseinde te veel een gesprek te worden onder hoger opgeleide, welvarende, autochtone Nederlanders. Daarin schuilt het gevaar dat voor sommigen een goede stervensbegeleiding toegankelijker is dan voor anderen. Mensen die wellicht wat moeilijker hun wensen onder woorden kunnen brengen hebben dan een achterstand, terwijl dit toch een vraagstuk is waarover iedereen het gesprek moet kunnen aangaan, ook als dat niet direct gaat in de termen of op de manier die we als maatschappelijk geaccepteerd beschouwen. Er mag geen kloof ontstaan tussen mensen met toegang tot hulp en mensen zonder die toegang.

In het gesprek achteraf viel vervolgens op dat het al snel ging over praktische vragen. Is een nieuwe wet wel nodig en hoe zou de samenleving met de doodswens van mensen kunnen en moeten omgaan. Erik Jurgens, die eerder een beschouwing schreef over dit vraagstuk in Socialisme en Democratie herhaalde de daarin gedane oproep om het gesprek verder te voeren op basis van een concrete wettekst. Dan kon vanzelf verder doorgedacht worden over morele en juridische haken en ogen die daaraan kleefden. Maar, riposteerde Frits Hendriks daarop, gaat het hier niet om zodanig existentiële vragen dat we juist voordat we praten over praktische oplossingen het eerst moeten hebben over de ethiek van dit alles?

Tot een daadwerkelijke conclusie kwam het vervolgens niet. Wat het gesprek echter wel duidelijk maakte, is dat een verder doordenken van begrippen als autonomie, afhankelijkheid, zelfbeschikking en waardig ouder worden hoognodig is. Daarbij is het wenselijk het debat van haar stekeligheid te ontdoen en toegankelijk te houden voor iedereen. En ondertussen moet er blijvende aandacht uitgaan naar mensen die – op welke grond dan ook – wensen te sterven. Want als alle aanwezigen een uitgangspunt met elkaar leken te delen was het wel dat niemand daarbij alleen mag komen te staan.

Eerste Banning Lezing door Lodewijk Asscher

i 6 november 2017 door

Op woensdag 21 februari 2018 zal Lodewijk Asscher de eerste Banning Lezing uitspreken in de Rode Hoed, Amsterdam. De Banning Lezing is een initiatief van de Banning Vereniging bedoeld om de discussie over waarden, levensovertuiging en sociaaldemocratie een nadere impuls te geven. De lezing wordt om het jaar uitgesproken na de uitreiking van de welbekende Banning Prijs. Daarmee is een nieuwe traditie geboren.

Het programma is 21 februari als volgt. De avond begint om 19.15u (inloop 19.00) met een kort debat tussen de vier genomineerden voor de Banning Prijs 2018. Hieraan aansluitend zal juryvoorzitter Jet Bussemaker de winnaar van de Banning Prijs 2018 bekend maken. Na de prijsuitreiking is er kort de tijd voor felicitaties, waarna Lodewijk Asscher om 20.30 zijn lezing zal uitspreken.

21 februari is de geboortedag van Willem Banning (1888-1971). Banning was als ‘rode dominee’ een van de grondleggers van het religieus geïnspireerde socialisme in Nederland en mede-oprichter van de Partij van de Arbeid in 1946. Als haar belangrijkste ideoloog gedurende de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw drukte Banning zijn stempel op de beginselprogramma’s van 1947 en 1959. Vanaf 1939 was hij lange tijd redacteur van Socialisme en Democratie, het blad van het wetenschappelijk bureau van de partij.

Banning bepleitte een niet-materialistisch, humanistisch, vrijzinnig en democratisch socialisme dat een sterke nadruk legt op de cultuur en op bindende normen zoals rechtvaardigheid, gemeenschap, verantwoordelijkheid en solidariteit. Individu en gemeenschap waren voor Banning onverbrekelijk met elkaar verbonden. Het ‘personalisme’ of personalistisch socialisme dat hij in navolging van Franse sociaal-christelijke denkers omarmde, stond voor de vrije ontplooiing van individuen in solidaire gemeenschappen. Dit personalisme stond volgens Banning haaks op het economisch liberalisme en ‘anarchistische’ individualisme. In ons eigen tijdperk zijn Bannings morele appel, zijn nadruk op cultuur en zijn oproep tot gemeenschapszin meer dan ooit relevant.

Wilt u de prijsuitreiking en de lezing op 21 februari bijwonen? Meldt u dan nu aan via deze link. Meer informatie? Mail naar info@banningvereniging.nl.