Column: Vereniging voor progressieve politiek

i 3 april 2017 door

Hoe dramatisch is het verlies van de PvdA bij de jongste verkiezingen? Tamelijk rampzalig voor de Kamerleden die niet herkozen zijn en voor de medewerkers van de partij en aanverwante instellingen die een andere baan moeten zien te vinden. Hun vertrek is ook een verlies voor de politieke besluitvorming. Want hoezeer die ook baat heeft bij nieuwe mensen die nieuwe ideeën inbrengen, die ideeën moeten wel uitgewerkt worden tot uitvoerbare maatregelen. En dat is zelden eenvoudig. Elke maatregel heeft onbedoelde bijeffecten die slechts met ervaring en taai politiek handwerk tot aanvaardbare proporties kunnen worden teruggebracht. Met de vertrekkende politici en medewerkers vertrekt veel ervaring en vermogen tot politiek handwerk.

Maarten de Groot

Maar het verlies van de PvdA is geen ramp voor de democratie in ons land. Andere partijen nemen nu even het stokje over en de PvdA is sterk genoeg om over enige jaren weer op te veren. De omvang van de Kamerfracties fluctueert tegenwoordig veel sterker dan vroeger. We moeten daarmee leren leven. Hoe kunnen politieke partijen dat het beste doen?

De sterke fluctuatie van de personele bezetting maakt politieke partijen beslist niet sterker. Dat terwijl de politieke partijen toch al sterk onder druk staan, zoals Sarah de Lange constateerde tijdens de eerste Banning Conferentie van dit jaar. Steeds minder mensen hebben vertrouwen in de politieke partijen, terwijl velen toch een redelijk groot vertrouwen hebben in het politieke systeem als geheel. De ledentallen van partijen nemen af en het wordt steeds lastiger om mensen te vinden die binnen en buiten partijen functies willen vervullen.

Dit staat in schril contrast tot de grote belangstelling die velen hebben voor de publieke zaak of op zijn minst voor één of meer aspecten daarvan. Hoe kunnen politieke partijen die mensen betrekken bij hun taak? In de bundel Politiek partijen: overbodig of nodig? van de Raad voor het Openbaar Bestuur (april 2014) treft men veel waardevolle suggesties aan, zoals het deelnemen aan bestaande digitale netwerken, het faciliteren van discussies over bepaalde thema’s, scenario-workshops, serious gaming, het organiseren van een forum voor overlegdemocratie zoals de G1000 in België, waar duizenden burgers werden betrokken bij het selecteren van een aantal belangrijke onderwerpen, debatten over die onderwerpen en het schrijven van voorstellen door een burgerpanel, waarna eventueel een stemronde over die voorstellen gehouden kon worden.

Zoiets organiseren is echter lastig voor individuele politieke partijen. Immers, hun belangrijkste vertegenwoordigers kunnen zelden vrijuit spreken, gebonden als ze zijn aan coalities en aan terughoudendheid vanwege lopende onderhandelingen. Aan de andere kant tonen veel burgers die de partij ergens bij willen betrekken, aarzeling of zelfs wantrouwen omdat ze zich juist niet aan die ene partij willen binden.

Wellicht kan een variant op de veel besproken, maar zelden succesvol gerealiseerde, progressieve samenwerking hier een uitweg bieden. Daarbij gaat het niet om zoiets als het opstellen van een gemeenschappelijk verkiezingsprogramma, het kiezen van een gemeenschappelijke leider of het laten samengaan van de Tweede Kamerfracties zoals Plasterk heeft voorgesteld. De partijen houden hun eigen identiteit door alleen de eigen leden te betrekken bij het opstellen van verkiezingsprogramma’s en het vaststellen van de kandidatenlijsten.

De variant bestaat uit de oprichting van een Vereniging voor progressieve politiek door PvdA, Groen Links, SP, Partij voor de Dieren, en misschien ook D66 en ChristenUnie. In die vereniging bundelen de partijen hun activiteiten gericht op debat, vorming van nieuwe ideeën en onderzoek. Zo kunnen er gemeenschappelijke landelijke netwerken ontstaan voor specifieke onderwerpen als zorg, onderwijs, duurzaamheid en immigratie. Ook een fusie van de wetenschappelijke bureaus ligt voor de hand. Verder zou deze vereniging veel succesvoller kunnen experimenteren met de suggesties uit bovengenoemd rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur. Al die activiteiten zijn niet alleen voor de leden van de aangesloten partijen, maar ook voor al diegenen die zich juist (nog) niet aan een partij willen binden.

Bij de jongste verkiezingen hebben meer kiezers dan in het verleden gekozen voor een rechtse partij. “Links” moet opnieuw proberen burgers aan zich te binden, onder meer door geïnteresseerde burgers een platform te bieden voor debat over de koers van links. Dat kan met een Vereniging voor progressieve politiek.

Maarten de Groot is bestuurslid van de Banning Vereniging. Hij schreef deze column naar aanleiding van de eerste Banning Conferentie van 2017. Een verslag van die bijeenkomst is hier te vinden.

Geloven in democratie

i 3 april 2017 door

Het leek er de afgelopen jaren op alsof Nederland te kampen heeft met een diepgaande democratische crisis. Commentatoren buitelen over elkaar heen om vast te stellen dat er een schier onoverbrugbare kloof gaapt tussen burger en politiek, dat democratische instituties worden uitgehold, dat er geen echt vertrouwen meer is in vertegenwoordiging, in een politiek die ons allemaal een stem geeft. Hoogste tijd voor een inventarisatie: geloven we nog in democratie? Dat was de kernvraag tijdens de eerste Banning Conferentie van 2017.

Door Maarten van den Bos

De avond werd geopend door gespreksleidster Tanja Jadnanansing, die direct verwees naar het prikkelende boekje dat politicoloog Tom van der Meer onlangs publiceerde. Onder de titel De kiezer is niet gek probeert Van der Meer uit te leggen dat er in Nederland helemaal geen verwoestende democratische crisis woedt. De democratie, zo is zijn oordeel, functioneert juist uitstekend. Kiezers doen wat ze moeten doen: kiezen. Dit maakt de politiek echter niet zonder meer eenvoudiger, al was het maar omdat de uitslagen bij verkiezingen veel sterker schommelen dan we tot voor kort gewend waren. Er is dan ook niet zozeer een crisis van de democratie, maar een van de politieke partijen. Die moeten op zoek naar een nieuwe vorm en functie, aldus Van der Meer.

De eerste spreker van de avond haakte direct bij dit betoog aan. Politicologe Sarah de Lange begon haar bijdrage met de constatering dat ze het met haar collega – met wie ze toevalligerwijs al jarenlang een werkkamer deelt – zeer eens is. Niet het systeem van stemmen en kiezen is ziek, de actoren die daarbinnen moeten functioneren hebben kwaaltjes. Er is onder burgers ruim voldoende vertrouwen in democratische instituties, de rechterlijke macht en de democratie als zodanig. Veel minder vertrouwen is er in politieke partijen en journalisten. De belangstelling voor politiek neemt toe, maar het oordeel wordt er zeker niet milder op, aldus De Lange.

Dat oordeel is overigens niet altijd terecht. Het bestuur in Nederland functioneert, zo stellen zowel Van der Meer als De Lange vast, naar behoren. Er is weinig corruptie en de bereidheid verantwoording af te leggen enerzijds en inwoners bij besluiten te betrekken anderzijds is in Nederland naar internationale vergelijking hoog. Toch zijn er wel problemen. De Lange noemt er in haar bijdrage twee. In de eerste plaats lijkt de politiek steeds minder politiek te worden. Politieke partijen zijn meer verlengstukken van het bestuur dan dat ze daadwerkelijk de strijd aangaan over ideeën en waarden. Tegelijkertijd dreigen politieke partijen, maar ook allerlei vormen van burgerparticipatie, meer en meer een speeltje van bepaalde groepen te worden. Er ontstaat, in de woorden van sociologe Evelien Tonkens, een participatie-elite die weet hoe in de ‘montessori-democratie’ de weg naar de macht loopt. Veel mensen kennen die wegen echter niet en doen daarom ook steeds minder mee. Het gevaar is reëel dat juist deze mensen zich niet langer vertegenwoordigd voelen. Met name politieke partijen zouden zich dat moeten aantrekken, zij moeten mensen de mogelijkheden geven ook echt mee te doen.

Juist over de vraag wat er gebeurt op het moment dat grote groepen mensen zich niet langer herkennen in de politiek ging de bijdrage van de jonge denkers Bart Verheijen en Pol van de Wiel. Zij gaven afgelopen jaar een bundel essays uit van de Franse filosoof Claude Lefort. De kern van zijn denken is dat de democratie altijd onbepaald, incompleet en onaf is. Probleem wanneer mensen zich niet langer herkennen in de politiek, is dat zij zich terugtrekken in eigen kring. Politici die zich nadrukkelijk uitspreken als voormannen van het onverdeelde volk, de uniforme gemeenschap, spelen daarop ook in. Hier lokaliseren Verheijen en Van de Wiel het moderne populisme. Dat is niet zozeer een politieke stijl of ideologie, maar een maatschappelijk fenomeen waarin een afkeer van verscheidenheid verbonden wordt aan een gevoel dat het echte volk door de elite niet langer gehoord wordt.

Na een mooie column uitgesproken door bestuurslid Saami Akrouh ging de zaal in gesprek met de sprekers en met elkaar. In vier hoeken werd doorgepraat over het geloof in de democratie, over vertrouwen en vertegenwoordiging, over de politieke partij en over populisme en rechtsstaat. Grote thema’s, waarop ook minister Ronald Plasterk in zijn slotbeschouwing terug kwam. Thema’s ook die het komend jaar steeds weer opnieuw aan de orde gesteld worden. Op woensdag 7 juni, als we het in de tweede conferentie van dit jaar hebben over de lokale democratie met onder anderen Jacques Wallage en Hans Spekman. En op 16 oktober, als het gaat over Europa. Maar ook tussendoor, want het denken staat niet stil. Zo schreef bestuurslid Maarten de Groot een reflectie naar aanleiding van de avond. Ook meedenken? Schrijf uw gedachten gerust op, wij zijn benieuwd naar uw ideeën. Want als een ding op 27 februari duidelijk geworden is, dan is het dat een democratie begint met het gesprek.

Column: Democratie

i 10 maart 2017 door

 

Vandaag staan wij in een gebouw waarin historische gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Wij staan in een gebouw waar gisteren zelfs een lijsttrekkersdebat heeft plaatsgevonden. Het is daarom voor mij een eer om hier mijn column voor te dragen.

Een column over een belangrijk onderwerp, namelijk de democratie. Wat is dat? Democratie. Geloven mensen nog in de democratie? Hoe gaan wij nu, en in de toekomst met elkaar om?

Mijn vader
Om antwoord te geven op die vragen begin ik met een persoonlijk verhaal, een verhaal over mijn vader. Mijn vader, geboren in Marokko, is dat land in 1984 ontvlucht nadat hij met zijn studentenbond aan de wieg van de massale studentenprotesten in dat jaar stond. Het gebruik maken van essentiële democratische grondrechten, zoals het recht om te demonstreren, werd letterlijk enSaami Akrouh figuurlijk met de dood bedreigd. Het was voor hem de reden hierheen te vluchten en hier een toekomst op te bouwen. Zijn toekomst, waar ik in 1991 een onderdeel van ben geworden.

Het was toen, en nu, dat vele mensen in onze wijken en buurten zich niet gehoord of vertegenwoordigd voelden. Het was mijn vader die dat probeerde te veranderen door het welzijnswerk daar eigenhandig op te bouwen. Bruggen slaan, noemde hij dat altijd.

Vandaag de dag is mijn vader cynisch geworden over de politiek. Ook hij is onderdeel geworden van die cynische massa. Ook hij smacht naar een politiek die oplossingen biedt voor zijn problemen. Na meer dan 20 jaar bij het Centraal Orgaan Asielzoekers te hebben gewerkt, mag hij nu als vijftigplusser aansluiten bij het UWV. Werkeloos, met een gekrenkt gevoel van eigenwaarde. En hij is niet de enige.

Dat gevoel, van eigenwaarde, van trots, zijn velen in Nederland kwijt. Het is dat gevoel waar de politiek gehoor aan moet geven. Het is dat gevoel dat onze democratie onder druk doet staan. Een oplossing daarvoor heb ik ook niet. Het enige wat ik u kan vertellen is dat ik u begrijp. Dat ik niet alleen met u meeleef, meevoel, maar vooral meedenk. Help mij en de politiek daarbij. Dan kunnen we samen de strijd aan tegen onrechtvaardigheid, tegen egoïsme en tegen het recht van de sterksten.

Prachtig land
Want laten we eerlijk zijn. Ons land is prachtig. Het biedt kansen voor iedereen. Het is het land waar u, zonder opgepakt te worden, alles mag zeggen, schrijven, denken en organiseren. Het is ons land waar de rest van de wereld vol bewondering naar ons kijkt.

Ja, de democratie staat onder druk. Niet alleen in Nederland, maar over de gehele wereld. In Syrië staat bijna geen huis meer overeind, omdat mensen vechten voor de democratie. In Libië heerst nu chaos en onvrede, omdat mensen vochten voor de democratie. De Arabische lente is omgeslagen in een Arabische herfst. En dat allemaal omdat mensen smachten naar democratie.

Tegelijkertijd is het niet alleen ellende in het Oosten, maar is het eveneens een drama in het Westen. In de Verenigde Staten heerst chaos en onvrede, omdat de meerderheid van de Amerikanen hadden gestemd op Clinton maar nu zitten met president Trump. Minderheden worden bedreigd en voelen zich niet gehoord. Het geeft maar eens weer dat geen enkel democratisch systeem perfect is.

Kijkend naar ons eigen land staan wij voor enorme problemen. We sluiten elkaar steeds meer uit, vertrouwen elkaar niet en beperken ons blikveld tot aan de voordeur van onze eigen woning. Groepen leven steeds meer langs elkaar heen. Toch zoeken mensen naar positiviteit en samenwerking, maar dat is niet een twee drie geregeld. In Nederland verwachten mensen steeds sneller resultaten, antwoorden en inspraak. De politiek kan die snelle verwachtingen in de praktijk vaak nauwelijks bijbenen.

Wat is democratie?
Dat brengt mij weer terug naar de vraag die ik aan het begin van mijn column stelde. Wat is democratie? Het antwoordt is simpel: wij zijn de democratie. Wij geven invulling aan de democratie; wij leven in een democratie; wij ademen democratie. De democratie is niet statisch, maar altijd in ontwikkeling. Wij dragen met zijn allen de verantwoordelijkheid om daar invulling aan te geven. Dat betekent dat wij met verkiezingen richting blijven geven aan de invulling van onze toekomst. Dat wij invulling blijven geven aan wat wij verwachten van de politiek en van volksvertegenwoordigers. Dat wij teleurstelling en cynisme omzetten in hoop en optimisme. Dat wij afrekenen met volksvertegenwoordigers die niet presteren in plaats van elkaar af te rekenen voor de fouten van een ander.

I have a dream
De afgelopen tijd denk ik vaak aan de ‘I have a dream’ speech van Martin Luther King. De speech stamt uit 1963, maar is anno 2017 actueler dan ooit. In deze speech ligt namelijk de oplossing van onze problemen verborgen. Wie goed naar deze speech luistert beseft dat de hoop naar verandering bij onszelf ligt. Wij geven invulling aan onze democratie. Wij maken onze democratie zo sterk of zwak als wij zelf willen. Martin Luther King bewijst ons dat dromen werkelijkheid kunnen worden, mits verandering van onszelf komt. En weet u wat mijn droom is? Dat mijn vader niet meer cynisch in het leven staat.

Ik dank u wel.

Saami Akrouh is bestuurslid van de Banning Vereniging, lid van de Gemeenteraad van Hilversum en kandidaat-Tweede Kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Hij sprak deze column uit bij de Banning Conferentie geloven in democratie op 27 februari.

Leergang op locatie: Omgaan met verschil in Nederland.

i 23 februari 2017 door

Elk jaar organiseert de Banning Vereniging de Banningleergang, een serie van vier bijeenkomsten rond een thema. In 2016 was het thema ‘Over de kloof’. De leergang ging over verschil en verbinding. Over de ‘kloven’ die we in onze samenleving waarnemen – verschillen naar achtergrond en opleiding – en mogelijke oplossingen. De leergang vond plaat in Utrecht.

Op 8 april organiseren we, samen met de afdelingen Leeuwarden, Groningen, Assen en het Netwerk PvdA en Levensovertuiging een leergang op locatie. Een dag waarop we onder leiding van Janny Vlietstra in gesprek gaan over de diepte van het maatschappelijk verschil en de mogelijkheden dat te overbruggen. Samen met Wim de Jong (Radboud Universiteit Nijmegen), Bram Eidhof (Instituut voor Publieke Waarden) en Marinka Mulder (docent maatschappijleer en politica) praten we over onderwijs en burgerschap. Herman Noordegraaf (Protestantse Theologische Universiteit) en Maarten van den Bos (Banning Vereniging) praten ons bij over de geschiedenis én actualiteit van de omgang binnen en buiten de PvdA met religieus verschil in Nederland. De afsluiting is in handen van Erik Borgman, theoloog en hoogleraar in Tilburg.

U kunt zich opgeven via onderstaand formulier. Voor vragen kunt u contact opnemen met Janneke Orth (info@bureauwerkelijk.nl/ 06-38020801 of Maarten van den Bos (mvandenbos@banningvereniging.nl/06-24204751). Voor deelname dag vragen wij een bescheiden bijdrage van 15 euro voor de lunch. Een uitgebreid programma met een korte introductie per spreker wordt u een week voorafgaand aan de bijeenkomst per e-mail toegestuurd. In dat bericht zullen wij ook aangeven hoe de bijdrage voor de lunch betaald kan worden.

Waarom geven we de leerlingen de schuld? Interview met Inge de Wolf

i 17 februari 2017 door

In Nederland gingen we er vanuit dat bij selectieprocessen in het onderwijs iemands capaciteiten bepalend zijn en niet diens afkomst, huidskleur of geslacht. Maar bereiken de slimste kinderen nog steeds het hoogste opleidingsniveau? Wordt het onderwijs een steeds belangrijker scheidslijn in de samenleving? Daarover interviewen we Inge de Wolf. Zij is coördinerend inspecteur bij de Inspectie van het Onderwijs en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht. Ze is verantwoordelijk voor de Staat van het Onderwijs, het jaarlijkse verslag van de onderwijsinspectie over de stand van zaken in het Nederlandse onderwijs.

Inge de Wolf (foto: David Jagersma)

Stel je hebt twee even intelligente jongeren: een dochter van een specialist in een ziekenhuis en een dochter van een ziekenverzorgende. Wie maakt de meeste kans om medisch specialist te worden?
Al heel vroeg in de schoolloopbaan begint de ongelijkheid in kansen. De ene dochter zal naar een kinderdagverblijf gaan waar allerlei activiteiten worden aangeboden. Bij de ander zal in de privésfeer gezocht worden naar opvang. Bij een gelijke Citoscore na de basisschool zal de één een havo- vwo advies krijgen en de ander een vmbo-t advies. De dochter van de medisch specialist gaat in vakanties naar New York en Rome en krijgt indien nodig bijles, de dochter van de verzorgende vindt een bijbaantje als oppas. Na het voortgezet onderwijs gaan deze meisjes beroepsopleidingen volgen die waarschijnlijk lijken op de beroepen van hun moeders terwijl zij aan het einde van de basisschool een gelijke intelligentie hadden. Ik maak me echt zorgen over het achteruitgaan van die gelijke kansen sinds 2010. We zien dat het bij de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs echt mis gaat. Ouders die een universitaire opleiding hebben springen in de statistieken overal bovenuit. Van hun kinderen wordt het schooladvies voor het voortgezet onderwijs na de basisschool vaker naar boven bijgesteld, zij doen vervolgens een strategische schoolkeuze. Hun kinderen gaan naar categorale gymnasia, vwo’s, havo’s. Deze ouders kunnen het wellicht niet verkroppen als hun kind lager is opgeleid dan zijzelf.

Is de kansenongelijkheid toegenomen?
“Vanaf 2010 zien we dat de kansenongelijkheid sterk is toegenomen. Sinds die tijd krijgen steeds meer leerlingen met een havo score op de Citotoets een vmbo advies als ze laag opgeleide ouders hebben. Ik was laatst op een basisschool in Amsterdam Zuidoost en een leerkracht uit groep acht vertelde me dat zij haar leerlingen bewust een lager advies voor het voortgezet onderwijs geeft om hen een succeservaring in het voortgezet onderwijs te geven. Het lijkt aardig maar ze stelt de verwachtingen van deze kinderen naar beneden bij en ze ontneemt hen daardoor kansen. Uit onderzoek blijkt dat wanneer kinderen een hoger advies krijgen, ze dat vaak ook waarmaken. “

“Afkomst speelt een veel grotere rol dan we denken.” Is het toeval dat de onderwijsinspectie nu tot deze conclusie komt?
In de onderwijssociologie werd altijd beweerd dat het onderwijs een emancipatiemachine was. Veel wetenschappelijke collega’s zeiden dat het geen zin had om trends te onderzoeken, want sinds 1900 nam, naar hun overtuiging, de ongelijkheid af. Niemand had daardoor meer naar de recente trends gekeken. Voorheen beschikten we ook niet over goede gegevens over achtergronden van leerlingen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek had die gegevens wel. Vorig jaar mochten we voor het eerst op hun computers rekenen. Leerlingen die wij volgen koppelden we aan het opleidingsniveau van hun ouders. Toen we naar de resultaten keken waren we zeer verrast.

Mensen geloven dat ze hun lot zelf in de hand hebben. Hoe kijk jij daar tegen aan?
Ik vind het in het Nederlandse onderwijs bizar dat, als een leerling een niveau niet haalt, hij of zij daar zelf de schuld van krijgt. Ik heb meegedaan aan het onderzoek naar het Nederlands onderwijsstelsel door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Daaraan deed ook een oud-onderwijsminister van Polen mee en hij bleef maar vragen: ‘Inge, Why do they blame the students?’ Volgens hem geven ze in geen enkel ander land de leerlingen de schuld van hun afstroom. Het falen is in Nederland een probleem voor de laag presterende jongere en zijn ouders, niet voor de school. Slagen is een persoonlijke competentie van de geslaagde, rijke, gezonde leerling en de maatschappelijke en economische achtergronden verdwijnen naar de achtergrond en worden gebagatelliseerd.

In het verkiezingsprogramma van de PvdA zie je een aantal onderwerpen terug die in de Staat van het Onderwijs aangekaart werden. Van welke verwacht je het meest?
Met de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs moet iets gedaan worden. Dat is een belangrijk sleutelmoment. Je moet je afvragen waarom leerlingen op hun twaalfde in zes niveaus ingedeeld worden. Als een twaalfjarige eenmaal in z’n stroom zit, is het heel moeilijk om nog over te stappen. Afzakken kan wel, opstromen is veel moeilijker. Een brede brugklas in de eerste en tweede leerjaar van het voortgezet onderwijs kan de ongelijkheid misschien minder maken, maar dan moeten de leerlingen daar wel onderwijs op een hoog niveau aangeboden krijgen.

In de media wordt regelmatig melding gemaakt van segregatie en spanningen in het onderwijs. De minister ziet een belangrijke taak voor burgerschaps- en culturele vorming maar er is geen wettelijk kader voor het vak. Deze vorming wordt geheel aan de scholen overgelaten. Hoe kijk je daar tegen aan?
Het belang dat gehecht wordt aan burgerschap drukt de wetgever uit door wel of geen verplicht kader te stellen. Door het ontbreken van een dergelijk kader voor burgerschap worden scholen opgezadeld met veel ruimte. Ik vraag me af of dat in het belang is van de leerling.

De belangenverenigingen van de verschillende onderwijssectoren zoals de PO-, VO- en MBO Raad hebben niet als hoofdbelang ongelijkheid terug te dringen. Zij willen het liefst de ‘beste’ leerlingen binnenhalen om zo hun diplomarendement veilig te stellen. Zou de macht in het onderwijs niet meer bij de minister moeten liggen? Het Ministerie van Onderwijs legt verantwoording af aan de politiek, dat doen die Raden niet.
Vanuit mijn inspectie positie laat ik vooral zien wat er gaande is, namelijk een toename van ongelijkheid van kansen door opleidingsverschil tussen ouders; het beleid om dit te veranderen moet van de minister en de politiek komen.

Evelien Polter, met medewerking van Joke van der Neut.