Van wie is de school?

i 6 februari 2019 door

Afgelopen jaar hield historicus Wim de Jong bij een bijeenkomst van het Netwerk PvdA en Levensovertuiging een inleiding over de vrijheid van onderwijs. Daarbij stelde hij de vraag wie zich in Nederland eigenlijk eigenaar mag noemen van het onderwijs. Van wie is de school? In dit artikel geeft hij antwoord.

‘School, dat is toch de plek waar je erachter komt dat je ouders gek zijn?’ aldus Arjen Lubach in een item waarin hij de vrijheid van onderwijs onder de loep neemt. Hij vindt het maar raar dat op bijzondere scholen allerlei zaken mogen worden verkondigd die volgens hem pertinente onzin zijn en gelooft dat school kinderen juist moet emanciperen uit het milieu waarin ze opgroeien. In die discussies gaat het vaak over religie. Er wordt veel gedebatteerd over de vraag of islamitisch onderwijs nu een bijdrage aan de sociale cohesie levert of juist niet. Sommige tegenstanders van artikel 23 menen dat we er beter aan zouden doen om de gelijkstelling af te schaffen, zeker voor scholen die ze als fundamentalistisch zien. Mensen als Lubach gaan zelfs zover de hele vrijheid van onderwijs af te willen schaffen, zich daarbij waarschijnlijk niet realiserend dat dit een in de VN Mensenrechtenverklaring opgenomen grondrecht is.

Uit deze en andere media-uitingen blijkt dat artikel 23 van de grondwet, dat sinds 1917 de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs regelt, nog steeds het voorwerp is van strijd. In feite gaat die strijd over het eigenaarschap van de school. Dit eigenaarschap, bijvoorbeeld van leraren en ouders, staat momenteel weer in de belangstelling. Van wie is die school, van de ouders of van de gemeenschap? Tegenstanders van de vrijheid van onderwijs zien de school als een verlengstuk van de nationale gemeenschap, voorstanders zien haar juist als een verlengstuk van de ouders.

Een ingenieus compromis

Met artikel 23 hebben we een systeem opgetuigd, waarin overheidssturing en vrijheid voor (bijzondere) scholen ingenieus vervlochten zijn. De 60% van onze scholen die bijzonder zijn, houden zich aan een hele set regels, waardoor ze slechts op een paar punten echt anders zijn dan openbare. In dat licht is het niet vreemd dat het met het afschaffen van artikel 23 eigenlijk nooit verder komt dan de opiniepagina’s of een incidentele motie op een partijcongres. Op een symposium in januari 2017 waren verschillende oud-ministers van onderwijs aanwezig van verschillend politiek pluimage: van PvdA-coryfee Jos van Kemenade tot Loek Hermans (VVD) en Wim Deetman (CDA). Over één ding waren ze het roerend eens: wat je ook aan het onderwijs moest veranderen, artikel 23 functioneerde prima.

In een tijd waarin participatie van burgers veel aandacht krijgt, zou het vreemd zijn om de balans tussen staat en samenleving weer volledig te laten doorslaan in één richting, die van de staat. De tendens is juist de andere kant op: de overheid wil bijvoorbeeld bij de oprichting van nieuwe openbare scholen ouders steeds meer betrekken en legt ook het beheer meer en meer bij hen. Bij het vlot trekken van vernieuwing kan bijzonder onderwijs, of het nu een levensbeschouwelijke of didactische grondslag heeft, een rol spelen. Nieuwe scholen houden het onderwijsveld levendig en bieden ruimte voor nieuwe onderwijskundige ideeën vanuit de samenleving, die zich zo betrokken weet bij het onderwijs.

Ook bij de herbezinning op wat de school als gemeenschap nu eigenlijk bindt, kan uit die grondslag worden geput. Dat is hoognodig in een tijd waarin de verzakelijking op veel scholen ver heeft doorgezet en managementlogica allesbeheersend dreigt te worden. Het grote probleem met het eigenaarschap – het feit dat schoolbesturen zijn veranderd in koninkrijkjes die alles zelf kunnen regelen, van gebouwen tot salarissen – wordt niet veroorzaakt door de vrijheid van onderwijs, maar door het beleid van deregulering dat in de jaren negentig is ingezet door de politiek.

De Pacificatie van 1917, uitgewerkt in de lager onderwijswet van 1920, was het resultaat van een lange strijd. Al was die ten principale al gestreden in 1889, toen staatsfinanciering voor bijzondere scholen al gedeeltelijk werd doorgevoerd, pas tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ten slotte een groot akkoord bereikt. De in 2017 herdachte financiële gelijkstelling was een overwinning voor de confessionelen. Zij had evenwel ook de trekken van een compromis: in ruil voor volledige financiële dekking moest het bijzonder onderwijs veel meer staatsinvloed aanvaarden dan daarvoor. De overheid ziet sindsdien toe op de kwaliteit van het onderwijs in ruil voor subsidie en erkenning van de opleiding; haar invloed zou in de eeuw daarna steeds meer toenemen. ‘Aan den staatsruif zullen wij den dood eten’, luidde daarom een in het interbellum veel gehoorde kreet in protestants-christelijke kring.

In die honderd jaar was er wel steeds gebakkelei als het staatsingrijpen weer verder toenam en werd veel geklaagd over het ministerie. Iconisch was wat dat betreft de Mammoetwet, waarmee minister Cals in de jaren zestig het middelbaar onderwijs grondig reorganiseerde. Het verzet vanuit het bijzonder onderwijs was fel, maar het bleef bij verbaal wapengekletter. Grosso modo is altijd aanvaard dat op de onderwijsinhoud en de eindtermen voor veel vakken door overheidsinstanties invloed werd uitgeoefend. Hierdoor groeide er iets dat we in feite bijzonder staatsonderwijs kunnen noemen: qua leerplan lijken openbaar, katholiek en protestants onderwijs erg op elkaar.

Het bijzonder onderwijs is nooit exclusief op zichzelf gericht geweest, maar wilde door recht te doen aan de achtergrond van kinderen hen mede helpen bij te dragen aan de nationale gemeenschap, juist vanuit een stevige identiteit. Op die manier zouden ze als een ‘zoutend zout’ kunnen werken. Het was de confessionelen er vooral om begonnen godsdienstles te mogen geven, en om een christelijke sfeer in de klas; het bijzonder onderwijs is niet ontstaan vanwege een specifieke didactische visie. Het is dus van begin af aan een systeem geweest van gedeeld eigenaarschap. In juridische zin zijn de scholen eigendom van het particuliere ‘bevoegd gezag’, maar in praktische en inhoudelijke zin zijn ze ook van de nationale gemeenschap. Deze constructie heeft de groei van een grote particuliere sector van onderwijs in Nederland tegengegaan. De overgrote meerderheid van de bijzondere scholen heeft zulke lage toelatingseisen dat ze segregatie niet in de hand werken. Het is een constructie die ook breder in de ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat heeft gewerkt, zoals in de gezondheidszorg, waardoor zowel recht werd gedaan aan levensbeschouwelijke identiteit als aan toegankelijkheid.

Professionalisering en lumpsum

Met de uitspraak over de perfide invloed van de staat doelden confessionelen ook op een ander effect van de gelijkstelling: voor het in stand houden van de bijzondere school was niet langer de financiële steun van de achterban noodzakelijk. Dat gold lange tijd nog wel voor het secundair en tertiair onderwijs, dat nog niet onmiddellijk ook op gelijke voet werd gesubsidieerd. In gereformeerde kring prijkte in menig huishouden nog lang het collectebusje voor de Vrije Universiteit. De angst was dat de betrokkenheid van ouders zou gaan afnemen, doordat niet langer hun eigen geld in de school zat.

De strijdkreet van de schoolbeweging van Kuyper was geweest ‘de school aan de ouders’. Ouders speelden een dragende rol, bijvoorbeeld in de schoolvereniging, en leverden ook vaak bestuursleden voor de dorpsschool. Liberale tegenstanders meenden dat het eerder kerkscholen waren, maar feit is dat de bijzondere school steunde op een brede gemeenschap van betrokkenen: ouders, onderwijzers, dominee of pastoor. De angst dat staatsfinanciering dit weefsel zou gaan ondergraven, was niet onterecht. In de honderd jaar na 1920 zette zich een professionalisering in, waarbij ouders steeds meer naar de achtergrond verdwenen.

In de jaren tachtig kwam dit proces in een stroomversnelling. De scholen sloten zich aaneen tot steeds grotere conglomeraten. Deze schaalvergroting werd door de overheid aangemoedigd, onder het devies dat grotere school(besturen) meer ruimte boden voor professionalisering. Het leidde wel tot een verzakelijking van de sfeer op scholen. Begin jaren negentig werd dit proces nog versneld door de invoering van lumpsumfinanciering. Scholen mochten zelf op basis van een algemeen toegewezen budget hun personeelsbeleid voeren, en kregen hierdoor meer ruimte voor maatwerk. Sindsdien is niet langer de hoeveelheid docenten die een school in dienst heeft leidend, maar de hoeveelheid leerlingen.

De vrijheid van onderwijs is zo in feite enorm uitgebreid, doordat schoolbesturen tot op grote hoogte zelf mogen beslissen hoe ze met hun middelen omgaan. De schaalvergroting heeft inmiddels een punt bereikt waarin de sectieraden zoals de PO-raad worden bevolkt door vaak eenkoppige megabesturen. Die besturen zijn het object van veel kritiek. Ze zouden vooral hun eigen gevestigde belangen verdedigen. Geld dat voor leraren is bestemd zou aan management en dure nieuwbouw worden besteed. In het beleid dat ze voeren, is de afstand tot de werkvloer vaak erg groot geworden. De belevingswereld van schooldirectie en leraren staat ver af van het managementdenken op een hoofdkantoor verderop. Hierdoor komt het eigenaarschap van de andere betrokkenen in gevaar.

De overheid heeft dit tot nu toe redelijk laten begaan. Er vindt nauwelijks controle plaats op schoolbesturen, deze zijn geen verantwoording schuldig. De inspectie neemt ook een afwachtende houding aan, terwijl in een gedereguleerd toezichthoudersmodel haar rol cruciaal is. De gegroeide situatie is niettemin niet veroorzaakt door de vrijheid van onderwijs en artikel 23. Zoals we zagen heeft de staat in de jaren negentig haar sturende rol uit handen gegeven, en zij kan die invloed gewoon weer terugeisen: als zij ontevreden is over hoe het onderwijsveld omgaat met de beloning van leraren, kan zij schoolbesturen dwingen geld te oormerken voor salarissen. Zij zou juist meer handelen in de geest van artikel 23 wanneer zij haar rol op het gebied van het inzetten van de middelen, en de inspraak van ouders en leraren, onder andere in de medezeggenschap, nog meer zou versterken. De overheid zou haar eigen taak als bewaker van deugdelijkheid meer waarnemen, en bovendien het bijzonder onderwijs dwingen meer te handelen naar de geest waaruit het is ontstaan: vanuit een gemeenschap, een sociale beweging van betrokken ouders, onderwijzers, kerken en bestuurders. De gevestigde koepels moeten hier meer bij worden bepaald, om hun legitimiteit in stand te kunnen houden. Anderzijds bemoeit de overheid zich wel erg veel met de onderwijsinhoud. Hier kan de balans ook weer meer worden opgezocht.

Verruiming van de vrijheid van onderwijs?

Een veelgehoorde kritiek op het huidige systeem is dat het muurvast zit, omdat veel plekken voor scholen vergeven zijn en het daardoor niet eenvoudig is een nieuwe school op te richten. De krimp in het leerlingental leidt met name buiten de randstad inmiddels tot steeds meer samenwerkingsscholen. Vooral in groeigebieden zoals Amsterdam speelt daarentegen juist het oprichten van nieuwe scholen. Daarom heeft Sander Dekker nog als staatssecretaris van Onderwijs een voorstel ingediend om de onderwijsvrijheid verder te verruimen, en het beginsel van richting op te geven. Dat moet het eenvoudiger maken om met een vernieuwend didactisch concept, zoals de Ipad-school, een nieuwe school op te richten.

Het aantrekkelijke van deze voorgestelde verruiming van de onderwijsvrijheid is dat nieuwe scholen steunen op het enthousiasme van ouders die ervoor intekenen en van de grond af een nieuwe start kunnen maken. Toch zijn er ook hier wel wat zaken tegenin te brengen. Dekker, per slot van rekening een VVD-er, ziet een marktmodel in het onderwijs als aantrekkelijk. Maar het is juist die vermarkting die tot de huidige problemen heeft geleid, tot scholen die met elkaar concurreren met dure gebouwen en bestuurders die zichzelf als maatschappelijk ondernemers zijn gaan zien. Bovendien treft deze nieuwe scholen een verwijt dat bijzondere scholen altijd al gemaakt wordt, namelijk dat ze segregatie in de hand werken. Het protestants en katholiek onderwijs brachten en brengen evenwel bevolkingsgroepen bij elkaar door alle sociale lagen heen. De nieuwe vernieuwingsscholen daarentegen dreigen bunkers van de elite te worden, vol witte krullenkopjes. Meer eigenaarschap van ouders betekent hier vooral uitsluiting voor anderen.

Eigenaarschap terug claimen voor overheid én samenleving

Artikel 23 moet dus niet worden ingezet voor een neoliberale agenda, noch voor de vergroting van segregatie. Binnen de grote gevestigde bijzonder onderwijssector is echter wel levensgroot de kwestie van het eigenaarschap aanwezig. PO in Actie is niet uit de lucht komen vallen. Schoolbesturen moeten zich herbezinnen op het vormgeven van legitimiteit in eigen kring, onder leraren en ouders. Bestuursleden moeten weer meer binding krijgen met de werkvloer, en zich er niet op laten voorstaan om het even welke ‘uitdaging’ aan te willen gaan, los van inhoudelijke binding met de sector.

Intussen mag de overheid zich assertiever opstellen tegenover het onderwijsveld. De gevestigde belangen in het bijzonder onderwijs brengen dan al gauw artikel 23 in stelling. Vrijheid van onderwijs mag echter niet worden verward met de vrijheid om een mistige situatie in een half gedereguleerd onderwijsveld te laten bestaan. De vrijheid van onderwijs wordt daardoor niet bedreigd, maar heeft juist baat bij een overheid die haar rol actiever oppakt, in de vorm van inspectie en normering van bijvoorbeeld salarissen.

Artikel 23 staat voor de verwevenheid van overheid en samenleving. Bijzonder onderwijs wordt vormgegeven door zowel de nationale als de particuliere gemeenschap. Op die beide pilaren moet het blijven steunen, anders is het straks van niemand meer.

VERANTWOORDELIJKHEIDSVAKANTIE

i 4 februari 2019 door

In 2019 verkent de Banning Vereniging het begrip verantwoordelijkheid. Dat heeft zich de afgelopen jaren in het hart van het denken over politiek en samenleving genesteld. Politici hebben het bij voortduring over ‘verantwoordelijkheid nemen’ en ook burgers zijn voor steeds meer zelf verantwoordelijk. Maar wat bedoelen we eigenlijk met dit begrip. Politiek filosoof Yascha Mounk schreef er een interessant boek over, The Age of Responsability. Twan van Lieshout, winnaar van de Banning Prijs 2018, besprak het afgelopen jaar voor Tijd en Taak.

Behoort u eigenlijk wel tot de groep van mensen die rechtmatig een appèl mag doen op een uitkering? In mei van dit jaar lanceerde Klaas Dijkhoff een nieuw plan, of een proefballon zo u wilt. De bijstand zou verlaagd moeten worden. Hij ging er tijdens zijn speech op het VVD-verkiezingscongres gedetailleerd op in. Alleen mensen die bij het ‘goede volk’ horen die zouden er nog iets bij mogen krijgen. ‘Dat is wél de bijstandsmoeder die netjes de kinderen opvoedt, solliciteert en omkijkt naar de buurman, maar níet de zwartwerkende uitkeringstrekker.’ Dijkhoff zoomde hierbij in op de sociale zekerheid: ‘je krijgt geld van anderen op je rekening. Je claimt rechten, waarvoor je niets hoeft te doen. Wij van de VVD vinden dat als je niet solliciteert, geen opleiding volgt, dat je gekort moet worden.’ Maar omdat op deze harde aanpak kritiek is, stelde hij voor om het systeem om te keren. Een verlaagde uitkering. Je hoefde wat Dijkhoff betreft niet te creperen, maar dat was het dan ook wel. Als je je goed gedraagt, zoals door te solliciteren, krijg je er vervolgens ‘een stapje bij’. De VVD bepaalt wel wat goed gedrag is.

De kritiek was niet van de lucht. ‘Een volgevreten machtspartij’, volgens PvdA-leider Lodewijk Asscher. ‘Een werkloze vijftigplusser wil weer aan de slag. Zijn kwaliteiten inzetten voor de samenleving. En niet vernederd worden door Klaas Dijkhoff, die zegt dat je wel met wat minder toekan dan het bestaansminimum.’ Lilian Marijnissen hekelde dat ‘mensen die helemaal niet kunnen werken en afhankelijk zijn van de bijstand, voor straf nog meer moeten worden gekort.’

Het is met name deze laatste reactie waar het volgens politiek filosoof Yascha Mounk misgaat. In zijn indrukwekkende boek The Age of Responsibility. Luck, Choice and the Welfare State stelt hij dat er de laatste jaren een grote nadruk is komen te liggen op schuld en persoonlijke verantwoordelijkheid bij een beroep op maatschappelijke solidariteit. Zijn mensen zelf verantwoordelijk voor de penibele situatie waarin ze verkeren? En zo ja, waarom zou het gedeelte van de bevolking dat haar zaakjes wel op orde heeft (‘het goede volk’) daarvoor op moeten draaien? The Age of Responsibility is een boek dat al je ideeën over wie wel en niet recht hebben op een uitkering ter discussie stelt. Mounk bouwt daarvoor een interessant maar soms ook redelijk zwaar betoog op, waar we ons door een flinke maar goede bloemlezing van de politieke filosofie van de laatste vijftig jaar moeten worstelen. Niettemin is het een leesbaar boek, het is uitstekend gestructureerd en bouwt het ene argument op het andere, waardoor de centrale lijn steeds goed te volgen blijft.

Mounk start door te stellen dat we leven in een ‘eeuw van verantwoordelijkheid’. Steeds vaker wordt benadrukt dat burgers hun persoonlijke verantwoordelijkheid dienen te nemen. En waar vroeger met deze verantwoordelijkheid bedoeld werd dat je naar anderen omkijkt en hun als goed burger of uit naastenliefde helpt als ze in de problemen komen, staat de huidige verantwoordelijkheid voor een individuele verantwoordelijkheid. Je moet jezelf redden. Zelf moet je je best doen en zo niet, dan is er ook geen mededogen of hulp van de maatschappij. Alleen zij die zich verantwoordelijk gedragen, of in de woorden van Dijkhoff tot het ‘goede volk’ behoren, worden nog geholpen. Mounk toont hierbij aan dat deze transformatie zich zowel in de politieke filosofie en de sociologie als in de politiek heeft voltrokken.

In de politieke filosofie werd in de vorige eeuw het utilitarisme, waar anderen elkaar moesten helpen als dat tot een groter geluk leidde, vervangen door het contractualisme van John Rawls en het geluk-egalitarisme van Ronald Dworkin. Dit contractualisme gunt de minst bedeelden in een fictieve onderhandeling een maximale uitkomst, maar verwacht wel dat burgers meedoen aan de samenleving en zich aan het contract houden. In het geluksegalitarisme worden de echte pechvogels gecompenseerd door de maatschappij, maar mogen diegenen die een afgewogen goede of slechte keuze maken wel beter of slechter af zijn. Het zette de deur open, aldus Mounk, naar nieuwe politieke keuzes die in de moderne meritocratie burgers zelf verantwoordelijk maken voor de keuzes die ze maken. Als deze tot slechte uitkomsten leiden, zijn deze burgers zelf verantwoordelijk en hoeven ze niet bij de staat aan te kloppen. Tenzij ze kunnen aantonen dat ze niet persoonlijk verantwoordelijk zijn voor hun leed.

Vanaf de jaren tachtig leidde dit via Reagan en Thatcher, tot en met sociaal democraten van de derde weg als Blair en Schröder tot een politiek van zelfredzaamheid. Zelf je broek ophouden. Als je onverhoopt toch een beroep op de staat moet doen, dan dien je je vervolgens als een goed burger te gedragen. Bewijs van sollicitaties, bewijs dat je niet ongeoorloofd samenwoont. In de Volkskrant van 16 juni 2018 stond waartoe dat kan leiden: een controleapparaat van de overheid, dat burgers in hun intiemste privé-situaties bespioneert, op zoek naar bewijzen van onverantwoordelijk gedrag. Waarna de overheid kan gaan korten op deze gecriminaliseerde bijstandsgerechtigden. Buren die elkaar aangeven. Het is een systeem gebaseerd op wantrouwen, dat steeds ongemakkelijker aanvoelt. Terwijl tegelijkertijd nieuwe proefballonnetjes worden opgelaten, ten behoeve van een samenleving die de schuldvraag steeds centraler stelt.

De traditionele reactie van links, aldus Mounk, is dat het enerzijds meegaat in dit discours van rechts en accepteert dat inderdaad persoonlijke verantwoordelijkheid en schuld bepalend is voor het recht hebben op steun van de samenleving. Als je je misdraagt of nalatig hebt gehandeld, dan krijg je niets. Anderzijds probeert links te ontkennen dat diegenen die in een penibele situatie van werkloosheid of armoede verkeren daar zelf verantwoordelijk voor zijn. Deze mensen ‘kunnen helemaal niet werken’, in de woorden van Marijnissen. Mounk betoogt dat dit slecht aansluit bij onze intuïtie: het zou betekenen dat een deel van de bevolking feitelijk geen regie heeft over het eigen leven. Immers, hun uitgangssituatie (de genen, de jeugd, de opvoeding) en de samenleving (onderwijs, in welke wijk je woont) heeft hen zo benadeeld, dat ze niet verantwoordelijk zijn voor het feit dat ze een beroep doen op anderen. Als deze anderen hun hulpvraag vervolgens ondersteunen, dan zijn er twee ongelijke klassen gecreëerd in de samenleving: zij die bekwaam en onbekwaam zijn in het voeren van een eigen regie. Dit is niet wat we willen, noch de ontvangers, noch de verstrekkers. We willen allemaal dat we een zekere mate van persoonlijke regie hebben over ons eigen leven, en daarvoor als volwaardige burgers ook verantwoordelijk kunnen worden gehouden.

Hoe dan wel te reageren? Mounks oplossing is dat we voortaan wel accepteren dat mensen verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het feit dat hun onheil is overkomen waarvoor ze steun behoeven van anderen, zoals bijvoorbeeld werkeloosheid. De vraag hierbij is wel of Mounk collectieve (economische) problemen niet te makkelijk onder het tapijt schuift. Mounks stelt dat we vervolgens een tweede stap achterwege laten: we accepteren dat burgers weliswaar wel verantwoordelijk kunnen zijn, maar dat we ze daarom nog niet per se verantwoordelijk hoeven houden voor hun ongelukkige situatie. Hier zijn veel goede redenen voor.

Ten eerste is het controlesysteem hopeloos inefficiënt. Een overheid kan nauwelijks voor alle burgers die zich tot haar wenden voor een uitkering gaan kijken in hoeverre ze zich onverantwoordelijk hebben gedragen. Hebben ze voldoende en met overtuiging gesolliciteerd, in hun jeugd een opleiding verkwanseld, een pakje sigaretten per dag gerookt? Ten tweede maakt zo’n overheid ongetwijfeld fouten. Bijvoorbeeld door te stellen dat een vrouw stiekem samenwoont en zo de bijstand oplicht, terwijl ze eigenlijk wat vaker over de vloer kwam bij de bovenbuurman omdat hij verzorging nodig had. Het is onrechtvaardig dat deze mensen gestraft worden. Bovendien wakkert het hele systeem angst aan, ook onder het ‘goede volk’ van Dijkhoff, dat ook niet kan weten of ze ooit een beroep op de collectieve solidariteit moet doen. Er ontstaat een stigma op het aanvragen van het een uitkering. Als laatste blijken straffen ook een slecht middel om mensen weer op het goede pad te krijgen. Boetes en kortingen leiden tot systematische schulden. Het afpakken van een uitkering leidt tot het verkopen van de auto die nodig is om bij het volgende sollicitatiegesprek te komen. De persoonlijke verantwoordelijkheidsdoctrine en de bijbehorende strenge straffen leiden zodoende tot een samenleving waarin problemen eerder groter worden dan kleiner, waar ook de samenleving als geheel niet mee gediend is. Beter dus om deze, ook al is het wellicht contra-intuïtief, te vervangen door een voldoende genereuze ondersteuning, waardoor behoeftigen opnieuw regie over hun leven kunnen voeren, en zich kunnen herpakken. Zo wordt deze groep niet structureel tot tweederangsburger gedegradeerd.

Maar waarom zouden we dit moeten doen? Volgens Mounk omdat er waarden zijn die we belangrijker vinden dan louter straf en verantwoordelijkheid. Hij wil deze niet zelf invullen, maar hier de samenleving zelf over na laten denken. Het maakt het boek ietwat onaf en sterker in de kritiek op de straf en de persoonlijke verantwoordelijkheid dan in de oplossingen en nieuwe waarden voor een genereuzere samenleving. Want mogelijke waarden liggen voor de hand. Zoals bijvoorbeeld naastenliefde, of gelijkwaardigheid, waardoor mensen niet geparkeerd worden als zielige tweederangsburger. Of het verantwoordelijk kunnen zijn voor anderen, of dit nu familie, vrienden of onbekenden zijn. Het kunnen zorgen voor anderen geeft immers velen zin.

Zodoende kwam de reactie op Dijkhoffs plan van ChristenUnie-leider Gert-Jan Seegers misschien nog wel het dichtst in de buurt van de oplossing van Mounk: hij stelde dat de overheid er moet zijn voor iedereen, ongeacht schuld, omdat het kloven verkleint en vertrouwen herstelt. Het is een begin van een betere benadering: minder gericht op straf en schuld, meer op kansen, hoop en het terechte vertrouwen dat het grootste gedeelte van de bevolking zich wel degelijk verantwoordelijk wil gedragen.

Wie verdient het Nederlander te zijn?

i 4 december 2018 door en

Tamar de Waal (1988) is politiek filosoof en jurist. Ze werkt als universitair docent rechtsfilosofie aan de Erasmus Law School, waar ze onderzoek doet naar de relatie tussen rechtsstaat en inburgering, integratie en democratisch burgerschap. In 2017 promoveerde ze op het proefschrift Conditional Belonging. We spraken Tamar over de effectiviteit van het inburgeringsbeleid, de spanning die dat beleid oproept rond de democratische rechtstaat, het politieke klimaat en mogelijkheden tot beïnvloeding. Het interview vond plaats vlak na Prinsjesdag.

Je gaf je proefschrift de titel ‘Conditional belonging’. Hoe vertaal je dat in het Nederlands en wil je iets vertellen over de inhoud?
De titel vertaal ik in het Nederlands met ‘voorwaardelijke acceptatie’, of misschien ‘voorwaardelijk erbij horen’. Mijn proefschrift omschrijft de wijzigingen in het inburgeringsbeleid sinds 1998. Die wijzigingen hebben verband met de manier waarop Nederland, samen met verschillende andere West-Europese landen, aankijkt tegen nieuwkomers en burgers met een niet-Europese, niet-westerse migratieachtergrond.

Het inburgeringsbeleid is in de afgelopen twintig jaar meer dan twintig keer gewijzigd. De vraag van de beleidsmakers was steevast: wat is de mate van individuele integratie die wij van nieuwkomers moeten verwachten voordat ze in Nederland mogen blijven? Beleidsbeslissingen worden niet genomen op grond van wetenschappelijk onderzoek naar welke methode het beste inburgering ondersteund. Het is daardoor feitenvrij beleid. In mijn proefschrift stel ik dat dit perspectief op integratie ook het inburgeringsbeleid is gaan bepalen, met averechtse effecten.

We bekijken mensen met een migratieachtergrond met het perspectief dat ze persoonlijk geïntegreerd kunnen zijn of niet. Als ze dat niet zijn, dan is het hen niet gelukt om bij Nederland te horen. Wanneer zo iemand een vlekje heeft, bijvoorbeeld als vroegtijdig schoolverlater of een crimineel, staat zijn of haar Nederlanderschap meteen ter discussie. Dit laatste speelt nooit bij personen zonder migratieachtergrond: natuurlijk kunnen zij hevig bekritiseerd worden, maar er wordt nooit over gediscussieerd of ze hier wel thuishoren. Bijna alle politieke partijen hangen deze manier van denken aan.

Hoe verklaar je dit?
Er zijn meerdere redenen. Nederlandse politici moeten werken met het Europese systeem waar familiemigranten en vluchtelingen recht hebben om te blijven, het is een recht en niet een gunst. Dat klinkt politiek niet heel goed, dus wat doen ze? Ze grijpen het instrument van inburgering aan. De inburgeringseisen stapelen zich op omdat dat het enige beleidsterrein is waar politici steeds voorstellen kunnen doen om te laten zien hoe zij met migranten omgaan. Het inburgeringsbeleid wordt aangegrepen om het debat over migratie vorm te geven. Daardoor zie je een systeem dat niet tot de beste resultaten leidt maar toch wordt ingevoerd. Jarenlang hebben we inburgeraars te veel aan hun lot overgelaten, omdat zij de volledige verantwoordelijkheid hebben voor hun inburgering en het halen van alle inburgeringsexamens. Bovendien bleek al snel dat inburgeraars helemaal niet teruggestuurd kunnen worden, omdat het vooral familiemigranten en vluchtelingen betreft. We gaven dus steeds minder ondersteuning aan groepen nieuwkomers in de samenleving die toch blijven.

Is er een oplossing?
We moeten meer voor gelijkwaardig burgerschap gaan staan. De oplossing die ik voorstel is dat je het inburgeringsbeleid moet loskoppelen van wetgeving die bepaalt wie verblijfsrechten of burgerschap krijgt. Het huidige inburgeringsbeleid werkt remmend. We laten alle inburgeraars urenlang in klassen zitten, omdat ze allemaal aan dezelfde taaleis moeten voldoen. Als ze vervolgens het examen niet halen krijgen ze hoge boetes, daardoor ontstaat veel stress. Ongeveer vijftig procent van de inburgeraars die via familiehereniging hier komt, haalt het examen. Bij vluchtelingen is dat ongeveer dertig procent.

Als je inburgering loskoppelt van verblijf en burgerschap kun je veel beter onderwijs en ondersteuning op maat aanbieden. Niet iedereen hoeft dan aan dezelfde eisen te voldoen, waardoor bijvoorbeeld sommige nieuwkomers zo gauw mogelijk kunnen doorstromen naar het hoger onderwijs en anderen basaal Nederlands leren begrijpen.

Vind je iets terug van je ideeën in de nieuwe plannen en de troonrede van dit kabinet?
In de troonrede werd wel iets gezegd over dat mensen zo snel mogelijk moeten gaan werken en de taal leren en dat het inburgeringsbeleid anders gaat worden. Dat zegt niet zoveel, maar er is dus wel aandacht. En er komt inderdaad een persoonlijk inburgeringsplan waarvoor de verantwoordelijkheid bij de gemeente komt te liggen. De huidige Minister voor Integratie, Wouter Koolmees, erkent dat het systeem niet werkt. Hij heeft duidelijk gezegd dat mensen te veel aan hun lot zijn overgelaten. Dat zegt de PvdA nu ook. De nieuwe plannen worden in 2020 ingevoerd. Dat is positief. Maar al die examens en boetes blijven, er komt een persoonlijk inburgeringsplan bij en alle vier de taalexamens gaan één niveau omhoog. Dit terwijl grote groepen al veel moeite hebben met het huidige vereiste taalniveau.
Voor de averechtse praktische gevolgen van het inburgeringsbeleid is dus wel aandacht, maar men is politiek bang om te breken met het idee dat mensen hun burgerschap moeten verdienen. Zo luidde de eerste zin van de paragraaf van het regeerakkoord over inburgering: ‘Nederlanderschap moet verdiend worden’.

Wat wel beter gaat is het verzamelen van feiten over inburgering. Over het verhogen van de taaleis is door docenten, ambtenaren en wetenschappers gezegd dat het beter zou zijn om dat niet te doen. Maar het stond in het regeerakkoord en daardoor was het on-onderhandelbaar. Er komt wel meer begeleiding, tegen minder kosten voor de inburgeraar. Het wordt praktisch gratis, als ik het goed begrijp.

Je bent actief met je stichting Civic. Wil je daar iets over vertellen?
Ik heb Stichting Civic opgericht als wetenschappelijke denktank om uit te zoeken welk beleid voor nieuwkomers nu ‘werkt’. We verzamelen wetenschappelijke studies, doen onderzoek en proberen dit inzichtelijk te maken voor een breder publiek. Dit doen we vanuit een Inburgeringslab aan de Vrije Universiteit, bij hoogleraar Halleh Gorashi.

Daarnaast onderzoeken we mogelijkheden tot strategisch procederen. Zo is het opvallend dat nieuwkomers die hun examens niet halen, hun antwoorden niet kunnen inzien om te zien wat ze goed en fout hadden. Verder onderzoeken we of er sprake is van discriminatie bij het inburgeringsexamen buitenland. In het algemeen hopen we een informatiepunt te worden, bijvoorbeeld voor gemeenten en advocaten, waar ze informatie kunnen vinden over de maatschappelijke en juridische kanten van de huidige inburgering en mogelijke, betere alternatieven.

De fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer pleitte tijdens het debat over de Miljoenennota voor het dubbel straffen van mensen in wijken met veel criminaliteit en waar meer dan 50% niet-westerse migranten wonen. Hoe beoordeel jij deze uitspraak?
De fractievoorzitter van de VVD, Klaas Dijkhoff verdedigde zijn beleid van dubbele straffen in bepaalde postcodegebieden met de verklaring dat in die wijken een integratieprobleem is. Dit bleek tijdens de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer na een vraag van Marijnissen of in witte wijken met hoge criminaliteit deze maatregel dan ook niet zou helpen. Toen antwoordde hij: ‘Ja, maar daar is geen integratieprobleem’. De combinatie van criminaliteit én een vermeend integratieprobleem legitimeert andere maatregelen voor deze wijken. Dat is volstrekt niet rechtsstatelijk, discriminerend en ook praktisch niet te verdedigen.

Klaas Dijkhoff heeft de afgelopen tijd ook andere problematische proefballonnetjes opgelaten, die juridisch onhoudbaar zijn. Hij stelde bijvoorbeeld voor om vluchtelingen op te vangen, hen vijf jaar te laten blijven en dan terug te sturen of in een kamp op te vangen als ze niet bevallen. Wie wel past mag blijven. Juridisch is dat volstrekt onmogelijk. Ik vind dat heel opvallend, want hij is gepromoveerd jurist en weet, vermoed ik toch, heel goed dat dit allemaal niet kan.

Banning Leergang 2018: Is dit de politiek die we werkelijk willen?

i 4 december 2018 door

Is dit de politiek die we werkelijk willen? Om die vraag draaide dit jaar de Banning Leergang 2018. Twee deelnemers, Arie Huisman en Frits Hendriks, voelden zich door die vraag voldoende uitgedaagd om er een reflectie over te schrijven. Hieronder hun beschouwingen.

Is dit de politiek die we werkelijk willen?

Met deze vraag ben ik aan de Banningleergang 2018 begonnen en heb ik antwoord gekregen? Om te beginnen kan ik natuurlijk alleen maar voor mijzelf antwoord geven op deze vraag en zou ik willen vermijden te suggereren voor alle deelnemers aan de leergang, laat staan voor alle Nederlanders te spreken. ‘Er wordt nooit naar ons geluisterd’ en ‘het Nederlandse volk wil’ hoor ik wat mij betreft veel te vaak. ‘We doen het voor onze kinderen’ in de zwartepieten discussie, onze eigen mening wordt wat mij betreft te vaak verward met wat kinderen/mensen nu echt vinden als we het ze vragen na het goed te overdenken.

Ik denk dat de zwartepietendiscussie ook direct blootlegt waar, voor mij, het werkelijke probleem zit. De argumenten worden op luide toon uitgewisseld zonder echt naar elkaar te luisteren en zonder enig respect voor de mening of het geloof van de ander. Deze, in mijn ogen, gewelddadige omgangsvorm zie je eigenlijk overal, zowel in het maatschappelijke als bestuurlijke debat. Voor sommigen lijkt het een spel maar voor anderen is het bloedserieus. Is dit de samenleving waarin ik mij prettig voel? Nee!!! Is dit de samenleving die ik wil? Nee!!! Is dit antwoord op de vraag of dit de politiek is die ik werkelijk wil? Nee!!!

Volgens de Wikipedia is politiek:‘de wijze waarop in een samenleving de belangentegenstellingen van groepen en individuen tot hun recht komen – meestal op basis van onderhandelingen – op de verschillende bestuurlijke en maatschappelijke niveaus. Waar de scheidslijn loopt tussen het politieke en het ethische en sociale is een vraag waar veel verschil van mening over bestaat. De meeste wetenschappers erkennen dat er sprake moet zijn van enig potentieel tot het gebruik van macht of geweld om een vraagstuk als politiek te bestempelen — bij het beslissen van een politiek conflict is meestal sprake van een verplaatsing van macht van de ene groep of persoon naar een andere groep of persoon.’

Het gaat dus om het overbruggen van tegenstelling tussen groepen en individuen, waarbij het begin van de oplossing meestal het gesprek is (onderhandelingen). Met ethische en sociale kaders als grenzen, zonder dat duidelijk is waar deze precies lopen. Uitmondend in een nieuw evenwicht in machtsverhoudingen. In de kern is politiek dus het onderhandelen op basis van argumenten, waarbij bepaalde grenzen in acht worden genomen, om te komen tot een nieuw evenwicht in onderlinge verhoudingen.

De onderhandelingen beginnen veelal als maatschappelijk dispuut en moeten uiteindelijk op een bestuurlijk niveau beslecht worden. Of dat bestuurlijke niveau nu democratisch of dictatoriaal is, is niet echt relevant voor het bereiken voor de nieuwe machtsverhoudingen, wel relevant is de hoeveelheid geweld waartoe men bereid is om de nieuwe verhoudingen af te dwingen. En het monopolie daarvoor hoort toe aan het bestuurlijke niveau, elke andere vorm moet worden verworpen en worden bestreden.

Natuurlijk is het lastig de juiste keuzen te maken, soms strijden rechten van mensen en financieel-economische belangen om voorrang. Soms zijn aan economische belangen ook mensenrechten verbonden zoals bijvoorbeeld het recht op zinvolle arbeid. Daar is dus de ‘vrijheid’ van de een tegelijkertijd de ‘onvrijheid’ van de ander, wat weegt het zwaarste. Hier moet de politiek een gefundeerde keuze maken en tegelijkertijd de benadeelde compenseren voor de inbreuk op zijn of haar rechten. Mensenrechten mogen echter nooit ondergeschikt zijn aan zuiver financiële belangen.

Verder is het lastig los te komen van denken in ‘eigen schuld dikke bult’. ‘Waarom zou ik je helpen je hebt het aan jezelf te danken!’ En hoever ga je daarmee, laat je een zwemmer die bewust grote risico’s heeft genomen maar verdrinken, of red je hem van de verdrinkingsdood? Help je de toekomstige generatie Grieken of vind je dat ze zeg twee generaties moeten boeten voor het wangedrag van politici gekozen door hun ouders en grootouders. Geen cent voor de Grieken hoor je dan. Gold dat ook toen duidelijk werd dat onze voorouders te zuinig waren geweest en nalieten de dijken rondom Zeeland en de delen van Zuid-Holland tijdig te verhogen? En waarom hielpen de Amerikanen ons na WOII met het Marshall-Plan? Daar zat ook eigenbelang achter zou je kunnen zeggen, je kan ook zeggen ‘wie goed doet, goed ontmoet’, dat klinkt voor mij al een stuk positiever. Het resultaat is hetzelfde, iedereen tevreden met het resultaat.

De politiek zoals ik die zou willen:

  • Ik kies voor een politiek bestuurlijk niveau dat democratisch tot stand komt. Zonder iemand uit te
  • Ik kies voor een politiek die haar handelen toetst aan onze grondwet en universele mensen- en
  • Ik kies voor een representatieve democratie, waarbij politieke partijen en politici duidelijk zijn over hun motieven en over de ethische en sociale grenzen die zij wensen te
    hanteren, de ideologie die zij aanhangen.
  • Ik kies voor een politiek die vindt dat democratie meer is als de dictatuur van de helft plus één.
  • Ik kies voor een politiek die balans zoekt en mensen die benadeeld worden op een rechtvaardige manier compenseert, zelfs over landsgrenzen
  • Ik kies voor politici die niet wegduiken als bestuurlijk handelen vereist
  • Ik kies voor politici die hun eigen keuzen maken en zich niet primair laten leiden door wat andere politici, ook in andere landen
  • Ik kies voor politici die een voorbeeld willen zijn voor ons
  • Ik kies voor politici die vergevingsgezind zijn en zich niet laten leiden door haat- en wraakgevoelens, jegens anderen en
  • Ik kies voor politici die bereid zijn ook tot dan toe onbekende oplossingen te verkennen.

Ik realiseer mij dat de politicus die dit alles in zich heeft, lastig te vinden zal zijn. Dus zal ik het moeten doen met politici die dat tenminste proberen en net als ik vinden dat er in dit lijstje eigenschappen staan die niet onderhandelbaar zijn.

Arie J. Huisman

Is dit de politiek die we willen? Reflectie op de Banningleergang 2018

Ja, ik wil! Ik wil de romantische politiek van Diederik Samsom. De schoonheid van het compromis. Het zoeken van gezamenlijke grond. Dat is toch schitterend. Maar hij kwam niet.

Hij kwam niet bij de Banningleergang. Samsom werd bij de minister van Klimaat geroepen en moest de Banningleergang weerstaan, maar Mei Li Vos heeft diezelfde romantische inslag. En zij verving hem als slotspreker, moegestreden leek het wel van een gewonnen campagne.

Hij kwam niet, die romantische politiek, in de Haagse werkelijkheid. In de campagne van 2012 kwam het ideaal van het eerlijke verhaal nog tot leven, maar daarna werd Samsom’s politiek een schrikbewind. Als in een communistische heilstaat, leek het wel, werd de fractie tot de juiste gedachten gekneed. Al nuanceerde Mei Li Vos dit beeld. Zij had zelf deel uitgemaakt van die beruchte fractie en herkende weliswaar dat despotische bewind in de eerste maanden, maar zag daarna beterschap. Samsom had geleerd van zijn fouten. Of dat een roze bril van Vos was of daadwerkelijk het romantische ideaal dat we met z’n allen organisch kunnen groeien, zal de historicus op een later ogenblik wel analyseren. Wij moeten door met de hedendaagse politiek.

En daar ging Mei Li Vos, ondanks haar ideaal, meteen in de fout. Zij noemde de kameraden van de Socialistische Partij roeptoeters. Dat markeerde niet per se het begin van een eerlijk gesprek. En ze roemde George Monbiot. Hij is een moderne linkse denker. Maar in zijn boek Na de puinhopen geeft hij vooral een echo van Pim Fortuyn’s De puinhopen van acht jaar Paars ten beste. Het is allemaal niks, maar gelukkig heeft hij de oplossing. En Monbiot’s oplossing is er daadwerkelijk een waarvoor Fortuyn zich niet geschaamd zou hebben: verbroedering, weer een samenleving worden. Is dat de politiek die we willen? Nee, dank u.

Ik hoorde zelf in de politiek eerst het appel van de christen-democratie, alvorens Wouter Bos mij riep met zijn Dit land kan zoveel beter. Ik schaam me er nu een beetje voor dat ik juist door zo’n titel sociaal-democraat ben geworden. Alsof het allemaal fout is in dit land. Alsof het echt allemaal beter moet. Wat Bos precies voorstelde weet ik niet meer. Het boekje heb ik bij een verhuizing afgegeven aan het bestuur van een PvdA-afdeling. Wel weet ik dat hij begon met The road not taken. Een voor mij -toen- nieuw gedicht over de mogelijkheid en de spijt als je niet alle mogelijkheden onderzoekt. Daarna beschreef Bos zijn zoeken naar het begrip solidariteit. Ik neem aan dat hij van daaruit zijn betoog opbouwde: we moeten solidairder zijn, weer een echte samenleving worden. Weer die boodschap waar Fortuyn en Monbiot zich niet voor zouden schamen. Het idee is blijkbaar aansprekend, maar er komt -even blijkbaar- niets van terecht.

Drie jaar geleden heb ik in een essay religie nog bezongen als de visionaire macht die politiek nodig heeft. Hoe verkeerd kun je het hebben? We hebben geen nood aan visioenen. Waarom willen we toch steeds vluchten naar een andere, betere wereld? Waarom kunnen we niet het goede dat er is behouden?

Dat is wat de apostel Paulus zei: Onderzoek alles en behoud het goede. We onderzoeken wel, bij de Banningvereniging zeker, maar dan blijven we vooral hangen bij wat er fout is. Daar leggen we de vinger op en we stellen grote ambities om die fouten als uitdagingen om te zetten in successen. Maar wat gebeurt er met hetgeen wat al goed was? Dat verpietert omdat het geen aandacht krijgt of dat wordt overgroeid door het nieuwe. Op de gang van de leergang hadden we het over zorg, onderwijs, integratie, bijstand, noem maar op. En steeds moesten we tot de conclusie komen dat elke vernieuwing ten koste gaat van wat al goed is. En dat is zonde, want er is zoveel goeds in de wereld en dat willen we toch niet vernietigen? Dat goede moet vooral goed blijven.

Je hoeft volgens mij geen blije professor te zijn om dat te zien. Al is de positieve blik helaas eenzaam in onze samenleving, en al helemaal bij de Banningvereniging. En toch is die blik wáár, hoe romantisch wellicht ook. In zijn nieuwe en tevens laatste boek laat professor Hans Rosling dat weer eens zien. En hij wil ons -samen met zijn dochter en schoonzoon- ons opvoeden om op een andere manier naar de wereld te kijken. Niet met het oog op wat fout is, maar met het oog op wat al goed is. Niet het nog-niet, maar het al-reeds is dan het vizier.

Dat wil niet zeggen dat er niets beter kan, maar we moeten oppassen voor destructieve zingeving. Zo noemt Mohamed Ajouaou de fundamentalistische gedachte die met één maatregel alles wil oplossen. Dat kan een zelfmoordaanslag zijn, maar ook het geloof in privatisering. Zo’n eenzijdig verlangen naar heil loopt altijd fout af, zoals Sander Heijne aantoonde in Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u. Terwijl dat verlangen zo ongelofelijk menselijk is. Remieg Aerts liet zien dat zolang als er democratie is er al aan gesleuteld wordt, om het perfect te krijgen. Dat is nog nooit gelukt, maar de drang zit er en blijft maar komen. En maakt onze democratie overspannen, zoals Gijs van Oenen dat noemt, en juist daardoor kwetsbaar. Is het dan nooit genoeg? Houdt het meer willen dan nooit op?

Laten we dankbaar zijn voor wat er is. Dankbaarheid als politieke attitude; daar wil ik de komende tijd onderzoek naar doen. Het is nodig om een politiek te voeren zonder grootse visioenen, maar met een beperkte horizon van hier en nu. Politiek die niet stoelt op het grote verhaal, maar op wat al in onze samenleving besloten ligt. De contemplatieve omwenteling in de theologie zou ook naar de politiek moeten worden doorgevoerd, wat Erik Borgman al voorstelde in Leven van wat komt. Onze samenleving is al goed. Laten we van daaruit vertrekken.

Is dit de politiek die we willen? Ja, want het ís onze politiek. Daar ben ik dankbaar voor.

Frits Hendriks

 

Exit redelijkheid en spaarzaamheid; terug naar Keynes?

i 5 november 2018 door

Twan van Lieshout won begin dit jaar de Banningprijs 2018 met zijn essay ‘Weg van het redelijke midden’. In deze bijdrage krijgt Twan nog wat nadere argumenten mee: de uitgangspunten van het financieel-economische beleid van de PvdA, inclusief het begrotingsbeleid moeten inderdaad fundamenteel op de schop. Maar niet alleen omdat Van Waarde dat vraagt, maar vooral ook omdat dat economisch heel verstandig is.

In zijn prijswinnende essay ‘Weg van het redelijke midden’ meldt Twan van Lieshout dat het voor het herstel van de positie van de sociaaldemocratie in het algemeen en de PvdA in het bijzonder niet nodig is om nieuwe waarden te ontwikkelen, maar wel om twee bestaande waarden te laten vallen: redelijkheid en spaarzaamheid. Hij verwijst in dat verband ook naar het Van Waarde manifest, waarin onder meer staat dat de PvdA terug moet naar het anticyclische Keynesiaanse begrotingsbeleid. Daarbij hoort volgens Van Lieshout ook een nieuwe agenda van werkelijke herverdeling, echte gelijke kansen, mogelijkheden voor oudere mensen die hun werk zijn kwijtgeraakt en een publieke sector die haar burgers weer dient in plaats van hen te wantrouwen. Maar, zo stelt hij vast, dergelijk anticyclisch beleid is helaas niet goed uitvoerbaar binnen ‘de monetair-economische EU-politiek’.

Dat moet dus anders, maar zulks impliceert volgens Van Lieshout naast een doordachte economische analyse ook de intellectuele moed om die vernieuwde aanpak door te voeren en te verdedigen. Dat doe je enerzijds door afstand te nemen van het neoliberale economische beleid waar de PvdA verantwoordelijkheid voor heeft genomen met haar deelname aan Rutte II, maar anderzijds vooral door de huidige PvdA-visie over het financieel-economisch beleid fundamenteel op de schop te nemen.

Want zelfs in geval dat de crisis nu echt voorbij zou zijn, weten we dat we niet de laatste crisis hebben gehad. Van de ten onrechte lang genegeerde econoom Hyman Minsky leren we immers dat economische crises in kapitalistische economieën niet voortkomen uit oorzaken van buiten, maar juist vanuit het systeem zelf. Een economische theorie en een economische politiek die daar geen rekening mee houdt, wordt volgens journalist en econoom Martin Wolf ‘even relevant als een theorie van het lichaam die de mogelijkheid van een hartaanval uitsluit of een theorie van bruggenbouw die geen rekening houdt met het risico van instorting.’

Een klemmend pact

In de Nederlandse politiek overheerst in brede kring helaas nog steeds het idee dat de belangrijkste oorzaak van de problemen van de Nederlandse economie gedurende de laatste crisis de staatsfinanciën waren, in het bijzonder het financieringskort, de oplopende staatsschuld en de rentelasten. Dus moest de begroting op orde en dat wilde onder meer zeggen dat er substantieel bezuinigd moest worden. De ideologische onderbouwing voor dit beleid was dat de overheid te groot zou zijn, dat de verzorgingsstaat uit de voegen barst en dat er niet meer mocht worden uitgegeven dan dat er binnenkomt. Daarom moest Nederland door de zure appel heen bijten. Deze opvattingen kunnen echter nauwelijks worden onderbouwd met behulp van economische theorie en empirisch onderzoek. Een toenemend aantal economen was (en is) dan ook van oordeel dat Rutte I en Rutte II geen coherente macro-economische politiek hebben gevoerd en dat ze daardoor de crisis eerder hebben verdiept dan opgelost. Zie hiervoor bijvoorbeeld De Kam, Jacobs, Teulings en Hoffman in ons land, alsmede Amerikaanse economen als Krugman, Summers en Stiglitz. Maar ook in neoliberale kringen tamelijk onverdachte clubs als de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) kwamen tot vergelijkbare conclusies .

Groeiperspectieven en daarmee de ontwikkeling van de feitelijke werkgelegenheid werden in de jaren van de crisis immers vooral bepaald door de vraagzijde van zowel de goederen- als de arbeidsmarkt. Dat vergde dus ook eerder vergroting van de (overheids-)bestedingen om zo de zogenoemde output gap (dat is het verschil van wat je in je economie gegeven de beschikbare productiecapaciteit aan goederen en diensten kunt maken en wat je feitelijk maakt) effectief te dichten.

De basis van het Europese (en dus ook het Nederlandse) begrotingsbeleid is echter dat aan de eisen van het zogenaamde Stabiliteits – en Groei Pact moet zijn voldaan. De bruto overheidsschuld moet volgens dat pact beperkt blijven tot maximaal 60% van het bruto binnenlands product. Let wel: bruto- en geen netto-schuld, want de overheid mag geen activa bezitten. De neoliberale ideologie vereist namelijk dat de overheid haar activa zoveel mogelijk verzelfstandigt en privatiseert. Om de geëiste schuldquote te realiseren, mag het financieringssaldo van de overheid voorts maximaal 3% van het bruto binnenlands product bedragen.

Begrotingsbeleid à la PvdA versie 2012

Vóór haar deelname aan het kabinet-Rutte II had de PvdA betrekkelijk weinig boodschap aan dat Stabiliteits – en Groei Pact. De PvdA zag toen meer het grote belang van begrotingsbeleid als onderdeel van een politieke agenda gericht op het oplossen van de financiële crisis. Dit standpunt kwam ook tot uitdrukking in de weigering van de partij om deel te nemen aan het zogenoemde Kunduz-akkoord van april 2012. Het programma van de PvdA voor de verkiezingen van 2012 wees het Stabiliteits – en Groei Pact af en pleitte voor de formulering van een nieuw groeipact in Europees verband, met als doelstellingen het scheppen van werkgelegenheid en als lange-termijndoelstelling begrotingsevenwicht. In het programma voor de Europese verkiezingen van 2015 is overigens juist die werkgelegenheid met nadruk naar voren geschoven.

Het programma gaf aan dat (zoals Van Lieshout terecht opmerkt) zeker ook de overheidsfinanciën op orde moesten worden gebracht en grote besparingen moesten worden gerealiseerd en hervormingen in gang gezet. Dit diende echter wel behoedzaam te gebeuren, omdat de economie immers in een recessie verkeerde en de werkloosheid steeds verder opliep. Dus was goede maatvoering van belang teneinde de economie de gelegenheid te geven te herstellen en vertrouwen te scheppen waaruit nieuwe economische groei kon voortkomen.

Kunduz werd wel getekend door D66 en zelfs door GroenLinks. Zij hadden er toen blijkbaar geen moeite mee om te tekenen voor een omvangrijk bezuinigingspakket, dat uiteindelijk door Rutte II en dus door de VVD en de PvdA is uitgevoerd. Met voor de PvdA en voor haar achterban desastreuze gevolgen. In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II werd namelijk onverkort vastgehouden aan de Europese begrotingsafspraken. Hiermee stemde de PvdA alsnog in met het Kunduz-akkoord. Met daar bovenop nog verdergaande bezuinigingen, die moesten worden betaalt als prijs voor de zo gewenste regeringsdeelname. En dit terwijl op dat moment ook al duidelijk was dat die afspraak om politieke-, maar vooral ook economische redenen zeer onverstandig was.

Erg veel lijkt de PvdA hier echter niet van te hebben geleerd. In het verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 werd, met een verwijzing naar de ’traditie van een verstandig begrotingsbeleid’, gemeld dat de PvdA aan het eind van de kabinetsperiode structureel evenwicht op de begroting wil hebben, zodat we ‘onze kinderen niet opzadelen met de rekening en ouderen ook in een vergrijzende samenleving de zorg kunnen bieden die ze verdienen’. Wel mocht het tekort oplopen bij economische tegenslag of ’bij onvoorziene omstandigheden’. Maar over het klemmende Stabiliteits – en Groei Pact echter geen woord!

Het belang van een activistisch begrotingsbeleid

In de context van de indertijd bestaande macro-economische situatie waren naar mijn oordeel en dat van anderen andere interventies op het terrein van het begrotingsbeleid nodig dan onder Rutte II zijn overeengekomen.

o Argument 1 om het in ieder geval indertijd rustig aan te doen met al die bezuinigingen, was dat Nederland een structureel hoog betalingsbalansoverschot kende en overigens nog steeds kent. Dat duidt op een spaaroverschot en op onderbesteding, welke juist een ruime(re) inzet van begrotingsmiddelen vereist en een ruimere politiek ten opzichte van begrotingstekort en staatsschuld.

o Argument 2 voor een ander beleid was dat bezuinigen helemaal niet zo hoefde van de financiële markten. Beleggers willen namelijk vooral een goed product tegen een zo laag mogelijke prijs. Een goed product is een staatsobligatie van een staat die op de lange termijn aan haar verplichtingen kan voldoen. Door ons overschot op de lopende rekening en ons concurrentievermogen wisten financiële markten zich er in hoge mate van verzekerd dat Nederland zijn schulden kon afbetalen. Uit het feit dat de door de Nederlandse staat te betalen rente steeds relatief laag is gebleven, kan worden afgeleid dat de financiële markten in dit opzicht een stuk minder streng zijn dan Europa. .

o Argument 3 was dat uit talloze onderzoeken was gebleken dat bezuinigingen in exceptionele tijden van (financiële) crisis veel schadelijker zijn dan in normale tijden. Zo ongeveer alle economische actoren gedragen zich dan gerestricteerd, dat wil zeggen, dat ze terughoudend zijn met bijvoorbeeld consumptie, productie en het verstrekken van kredieten. Niet alle actoren kunnen echter tegelijk sparen zonder dat het nationale inkomen daalt. Uitgaven van de één zijn het inkomen van de ander. Door de overheid meer te laten sparen, werd het balansherstel in de private sector gefrustreerd, waardoor de bestedingen extra hard worden geraakt.

o Argument 4 was dat anticyclisch begrotingsbeleid zeker toen gemakkelijker was om uit te voeren omdat het risico dat de overheid stimulerend beleid verkeerd doseert veel kleiner was. De conjunctuur is dan immers beter te bepalen, want de economie verkeerde typisch in een dal waar ze niet zo heel snel uit zou komen.

o Argument 5 was dat uit de beschikbare data bleek dat sprake was van langdurige stagnatie. Die treedt op wanneer in een economie niet genoeg vraag is naar investeringsgoederen om de besparingen te absorberen. Langdurige stagnatie wordt zichtbaar door een lage tot negatieve reële rente, waardoor het bijna onmogelijk is via het monetaire beleid de nominale rentevoet zodanig te laten zakken dat we op een pad naar volledige werkgelegenheid kunnen komen.

Gegeven deze omstandigheden zou het begrotingsbeleid dus de klus moeten klaren om te voorkomen dat tijdelijke vraaguitval zou leiden tot structurele vernietiging van productiecapaciteit op de lange termijn, tot structureel minder investeringen door bedrijven en tot langdurige werkloosheid met als gevolg een structureel verlies van kennis van werknemers. Door als overheid zelf te investeren in bijvoorbeeld fysieke – en kennisinfrastructuur zou je die structurele effecten kunnen tegengaan. Daardoor zou ook de negatieve ontwikkeling van investeringen (waaronder niet in de laatste plaats de overheidsinvesteringen) kunnen worden gekeerd. Dat was en is ook de opvatting van organisaties als OESO, IMF en zelfs onze eigen Nederlandsche Bank.

Het IMF meent zelfs dat Nederland de overheidsbestedingen ook nu (nog) meer moet opvoeren, omdat dat het handelsoverschot zou doen krimpen en de onbalans in de handelsrelatie tussen Zuid- en Noord-Europa zou kunnen verkleinen. Het IMF wil daarbij dat die uitgavenverhogingen vooral neerslaan bij innovatie, onderwijs en onderzoek, vanwege de positieve effecten die die uitgaven hebben op het structurele groeivermogen van de economie. Ook Jacobs meent dat nog steeds, mede door de nog altijd zeer lage rentes hogere overheidsinvesteringen wenselijk zijn, aangezien zulke investe­ringen rendabeler zijn dan ooit. Met 2,6 miljard euro extra per jaar (0,35 procent bbp) werkt Rutte III volgens hem te weinig aan infrastructuur, onderwijs, R&D en ver­duurzaming van de energievoorziening.

Meer sterk door meer sociaal

Als PvdA willen we uiteraard graag een rechtvaardige(r) verdeling van kennis, macht en inkomen. Ook dit streven heeft in de periode Rutte II helaas behoorlijk wat klappen opgelopen, zoals Van Lieshout terecht stelt. De weg uit de crisis heeft onderweg immers nogal wat slachtoffers geëist. Daarbij kan niet echt worden gesproken van een eerlijke en rechtvaardige verdeling van de financiële- en sociale pijn als gevolg van de bezuinigingen. Dat geldt niet alleen de verdeling van inkomen en vermogen, kennis en macht, maar ook voor de toegang tot (goed) werk en maatschappelijke voorzieningen zoals onderwijs, zorg en wonen..

Minstens zo belangrijk voor het beleid gericht op versterking van onze economie is daarnaast echter ook dat een rechtvaardige verdeling van inkomen, vermogen, kennis, macht en die goede toegang tot maatschappelijke voorzieningen, in hoge mate bijdraagt aan duurzame economische groei, vanwege het positieve effect op het vertrouwen dat burgers (kunnen) krijgen, hebben en houden in de instituties van het land en in elkaar. In een studie van het IMF is bijvoorbeeld onderzocht hoe toegenomen ongelijkheid het vertrouwen tussen burgers onderling kan verminderen. Aangetoond is dat in de VS en in Europa vooral de ongelijkheid aan de onderkant van de inkomensverdeling het vertrouwen dat burgers in elkaar en de instituties stellen negatief beïnvloedt. Wanneer veel vertrouwen heerst, kan vrijuit worden gehandeld, onderhandeld en samengewerkt. Een situatie van wantrouwen zorgt echter voor misgelopen mogelijkheden met alle gevolgen voor de groei en draagt bovendien niet bij aan sociale cohesie in de samenleving, die we juist zo hard nodig hebben. Wantrouwen draagt langs die lijn waarschijnlijk ook bij aan de opkomst van populisme, in al haar soorten en maten.

Er zijn in dit opzicht in ons land substantiële bedreigingen aanwezig. De (relatieve) armoede, de vergroting van de inkomensverschillen tussen boven- en onderkant, de werkgelegenheidsontwikkeling bij lager opgeleiden, maar zo onderhand ook bij de middengroepen dragen bepaald niet bij aan het vertrouwen van mensen in de instituties van ons land en in elkaar. De liberalisering van het wonen leidt tot pijnlijke uitsluitingsprocessen, vooral in de steden. Stijgende koop- en huurprijzen drijven de lage- en middeninkomens naar de rand van de stad en daarbuiten. Opeenvolgende rapporten van de Onderwijsinspectie over De Staat van het Onderwijs geven aan dat de onderwijsloopbaan van onze jeugd niet zozeer wordt bepaald door intelligentie en doorzettingsvermogen, maar vooral door het inkomen en de opleiding van de ouders en door de school waar je als leerling zit. Ook signalen rond zorgmijding bij vooral lagere inkomensgroepen indiceren dat het met de toegang tot onze zorg niet echt goed is gesteld.

Een nieuwe start?

De constatering dat de economie er nu beter voor staat dan in 2012 is op zichzelf juist. Maar of dat lag dat aan het beleid waar ook de PvdA verantwoordelijkheid voor heeft genomen is een hele andere vraag. En was dat beleid bovendien fatsoenlijk en rechtvaardig? Als het doel van dat beleid was om ons te conformeren aan de afspraken die we in Europees verband hebben gemaakt in het kader van het Stabiliteits – en Groei Pact, dan hebben we het goed gedaan. Maar we zitten mis als ons doel was ons te houden aan verstandige economische inzichten die na de oorlog voor een ongekende groei zorgden en dat nog steeds kunnen doen.

Uit die inzichten blijkt ook dat het daadwerkelijk gevoerde beleid de economische groei en de werkgelegenheid onvoldoende heeft bevorderd en dat het in termen van de rechtvaardige verdeling van inkomen, arbeid en maatschappelijke voorzieningen niet goed genoeg is gesteld. Dat laatste is ook nadelig voor de economie.

Dat het met de economie nu goed gaat, komt vooral door het herstel van de voor Nederland concurrerende wereldhandel, waar de marktsector actief en met goed resultaat op heeft ingespeeld. Bovendien had het nog veel beter gekund wanneer eerder niet was uitgegaan van het neoliberale uitgangspunt dat het de ondernemers zijn die de banen scheppen – en de overheid dus niet – en dat daarom de beste overheid een kleine overheid is.

Het moet, zeg ik met Van Lieshout, dus inderdaad anders. Ten behoeve van de realisatie van echte bestaanszekerheid, verheffing, goed werk en binding, dat wil zeggen de Waarden van het Van Waarde manifest. Nederland heeft recht op een nieuwe, neo-liberaal-loze Partij van de Arbeid, niet alleen op papier, maar ook in de dagelijkse praktijk.

Alleen even afwachten of het goed komt met die intellectuele moed.

André Stroop is econoom en lid van het Netwerk Economie in de PvdA