Macht en ideeën. Interview met Tinneke Beeckman

i 3 april 2018 door

Op 24 januari jl. organiseerde De Balie in Amsterdam een avond over Ter Braaks essay Het nationaal-socialisme als rancuneleer. Menno ter Braak (1902- 1940) was een van de meest vooraanstaande intellectuelen van zijn tijd. Hij was bestuurslid van de intellectuele groepering die zich, buiten het politieke partijwezen om, rekenschap gaf van en verzet bood aan de extremistische tijdgeest: het zogenoemde Comité van Waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische intellectuelen (1936-1939).

In zijn essay ging Ter Braak in op rancune, wrok en de ressentimentsmens die het meerdere bezit van de ander niet kan verdragen. Ter Braak zag rancune ontstaan door het streven naar economische en sociale gelijkheid. Tinneke Beeckman schreef speciaal voor deze avond een nieuw essay. Naar aanleiding van deze avond en het boek Macht en Onmacht hadden we een gesprek met Tinneke Beeckman in haar woonplaats Antwerpen.

We willen graag weten waarom Ter Braak ons nu nog iets te zeggen heeft. Daarom is onze eerste vraag naar het waarom van een essay over dit onderwerp.
Menno ter Braak staat meer in de aandacht sinds de opkomst van Pim Fortuin, Geert Wilders en Donald Trump. Het is de vraag of hun ideeën overeenkomen met het pure ressentiment dat Ter Braak in zijn werk beschrijft. Ik denk dat er boeiende raakvlakken zijn.

In je essay (elders in dit tijdschrift) beschrijf je ressentiment. Ressentiment is een gevoel van onmacht, wrok en rancune. Leidt ressentiment tot rechtspopulisme?
Ressentiment is niet alleen een gevoel. Waar het om gaat is dat het ressentiment waardebepalend is. De haat is primair, dan volgt de verklaring. De mens kan de haat laten prevaleren boven de rest. De haat kan sterker zijn dan liefde, dan naar verlangen naar verbondenheid. Dat is wat Ter Braak beschrijft. Wie ben je? Degene die haat kiest een groep als tegenstander, die haat gaat degene helemaal bepalen. Vanuit het idee van een samenzwering begin je helemaal dat idee op te bouwen.

Ter Braak heeft het over het recht op gelijkheid. Wat is dat recht op gelijkheid?
Met de Franse revolutie ontstaat het gelijkheidsideaal. De gelijkheidsgedachte is nu meer dan vlak voor de Tweede Wereldoorlog toegespitst op de gelijke rechten. Bijvoorbeeld het hoger onderwijs dat niet meer wordt beschouwd als een privilege maar als een recht. Daarbij wordt alles een kwestie van kwantiteit waardoor de kwaliteit verloren gaat.

Het boek ‘Macht en Onmacht’ opent met het gedicht ‘A Street’ van Leonard Cohen.

It’s going to be September now
For many years to come
Every heart adjusting
To that strict September drum

I see the Ghost of Culture
With numbers on his wrist
Salute some new conclusion
Which all of us have missed

So let’s drink to when it’s over
And let’s drink to when we meet
I’ll be standing on this corner
Where there used to be a street

Wat spreekt je aan in het gedicht van Leonard Cohen?
Het gedicht gaat over 11 september en de impact ervan. Het is bijzonder dat Leonard Cohen zich zo politiek uitsprak, terwijl hij dat bijna niet deed. Een kunstenaar zoals Cohen kan op een andere manier dingen raken dan een filosoof en kan soms meer bereiken met taal. Het gedicht refereert aan de aanslagen van 11 september 2001 in de VS Met de aanslag op het Franse weekblad Charlie Hebdo in januari 2015 beleefde Europa haar 11 september.

Het eerste hoofdstuk start met de moord op de redactie van Charlie Hebdo. Dit satirische tijdschrift schopte tegen elk heilig huisje. De boegbeelden van mei ’68 waren er in vertegenwoordigd. Het bejubelde de vrije zoektocht naar geluk tegen elke groepsdruk in.
De zondag na de aanslag gingen 4 miljoen mensen de straat op. Deze eensgezindheid duurde niet lang, schrijf je. In de debatten erna neemt het slachtofferschap een belangrijke plaats in. Is dit na drie jaar nog steeds hetzelfde?

Er is nu meer kritiek op het slachtofferschap. Mijn boek begint met Charlie Hebdo en hoe erop gereageerd werd, door politici en in de media, met discussie over de vrijheid van meningsuiting en met de grote marsen in de Franse steden. Dit alles riep vragen op. Was de mars daarna een demonstratie van burgerschap, een revival van waarden of was het een ‘spuwen op de godsdienst van zwakkeren’, al jaren door de overheid in de steek gelaten slachtoffers? In de dagen na de aanslagen was er bijvoorbeeld onder jongeren in de banlieues discussie over wie dader en wie slachtoffer is. Slachtofferschap nam een belangrijke plaats in tijdens de publieke debatten. Waren de daders geen slachtoffers van een groter, algemener onrecht? Wie het ergste slachtofferschap kan claimen krijgt het grootste gelijk. Niet wat iemand doet of denkt, maar hoe diep iemand gekwetst is, doet ertoe. Ik vraag me af hoe we dit hedendaagse ressentiment kunnen begrijpen.

Waar kwamen deze twijfels over de mars vandaan?
De zekerheden waar Charlie Hebdo ooit in geloofde zijn mede door de postmoderne denkers vervangen door een algemene vertwijfeling over de waarden en ideeën die de samenleving vorm moeten geven. De postmoderne methode is een analyse op basis van machtsstructuren. Zij verkondigden dat algemene waarden een illusie zijn, een uitdrukking van misplaatst superioriteitsgevoel. Zelfs de wetenschappelijke waarheid is een product van machtsverhoudingen. De dominantie van het postmodernisme als kritische denkstroming loopt ironisch genoeg parallel met de opkomst van economische liberale politiek, die vanaf de jaren ’80 zowel bij linkse als bij rechtse partijen steun vindt. Wie stelt dat waarheid slechts een constructie is, opent de deur voor het neoliberalisme.

Postmoderne denkers als Foucault en Derrida verhinderen emancipatie, het kritisch denken en de onafhankelijkheid van leden uit minderheidsgroepen. Kun je dat verder verklaren?
Wetenschappelijke waarheid, rationalisme, universele idealen zouden het product van machtsverhoudingen zijn. Waarheids- en autoriteitsaanspraak worden hiermee onmogelijk gemaakt, normatieve oordelen afgeschaft. Het is dus de vraag of deze methode helpt om onmacht te doen afnemen en wantoestanden te verbeteren. Het postmodernisme heeft juist gevoelens van onmacht veroorzaakt.

Toneelgroep Amsterdam speelt het stuk The Fountainhead, dat geschreven werd op basis van één van de belangrijkste boeken van de Amerikaanse filosofe Ayn Rand, al vier jaar lang voor uitverkochte zalen. Aanhangers van Forum voor Democratie zeggen te spreken in haar geest. Waarom is zij zo populair?
Rands boodschap past perfect bij de tijdsgeest. Rands onverbloemde heroïsme trekt degenen aan die zich niet herkennen in het pessimistische onmachtige mensbeeld dat de postmoderne filosofie kenmerkt. De held in Rands werk lijkt wel een almachtig mens: rationeel, meester van zijn lot, aan niemand iets verschuldigd, volstrekt autonoom. Ook zonder zelfmedelijden, medelijden of verbittering. Het is de ideale mens voor Rand. Heel wat Europeanen vinden haar romans zeer aantrekkelijk. Terwijl postmoderne denkers als Foucault wantrouwig staan tegenover begrippen als waarheid, rede, identiteit en objectiviteit, voert Rand uitgerekend die begrippen weer in. Ze hangt dus het tegenovergestelde mensbeeld van de postmoderne denkers aan. Tegelijkertijd schetst ze de mens van de toekomst die perfect past bij het economisch liberalisme.

Hoe manifesteert zich dat?
Het neoliberalisme dringt overal in door. Alle ouders willen bijvoorbeeld dat hun zoontje zo goed wordt als voetballer Messi. Dat jongetje moet altijd op het veld staan, hij mag niet worden terecht gewezen, als die vuil speelt mag hij geen kaart krijgen, dat is nu precies het ressentiment waar het over gaat. Er is zo’n gedweep met beroemdheid. De jeugd leeft in een soort spanning, de lol is er op tal van manieren echt wel vanaf. Kinderen staan onder druk om te presteren. Als ouder win je de loterij als jouw kind zo bijzonder kan voetballen, dat komt door de manier waarop geld meespeelt in de sport. Wat heeft dat nog te maken met het plezier van het spel?

De waarden van de sociaaldemocratie waren gelijke verdeling van kennis, macht en inkomen. De sociaaldemocratie lijkt veel mensen niet meer aan te spreken. Hoe kijk je daar tegen aan?
Links heeft geen overtuigend alternatief verhaal voor de vrije markt geboden. Wie wel het verlichtingsverhaal schrijft zoals de redactie van Charlie Hebdo loopt het risico om te worden vermoord. Het doel van dergelijke politieke moorden is om de toekomst van een samenleving te veranderen. Wellicht dat wie ideeën kan verspreiden meer macht heeft dan staatsmannen.

Tinneke Beeckman (1976) studeerde moraalwetenschappen en filosofie en doceerde na haar promotie aan de Vrije Universiteit Brussel. Haar boek Macht en Onmacht: Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting publiceerde ze in 2015. Eerder verscheen Door Spinoza’s lens, een oefening in levensfilosofie (eerste druk 2012), dat werd bekroond met de Liberales-prijs. Beeckman schrijft columns voor De Standaard en NRC Handelsblad. Ze geeft ook lezingen over filosofie voor een breder publiek, waarbij de aandacht voornamelijk uitgaat naar de relatie tussen (democratische) politiek, economie en filosofie.

Brief aan de vereniging: Frits Hendriks

i 6 maart 2018 door

Van mening veranderen tijdens een discussieavond. Hoe vaak gebeurt dat? Mij is het gebeurd op de discussieavond over euthanasie van het Netwerk PvdA en Levensovertuiging, waarvan in de vorige Tijd en Taak verslag werd gedaan. Het was weliswaar geen totale ommekeer, geen 180 graden draai, maar bijstelling van relatief onverschillig tot strijdvaardig.

En dat had alles te maken met hoe de drie hoofdpersonen van dit debat andere meningen tegemoet traden: voormalig huisarts Dirk Achterbergh, voorzitter Agnes Wolbers van de NVVE en gespreksleider Maarten van den Bos.

Dokter Achterbergh was de rustige van het stel. Hij had veel met de huidige wet gewerkt. Hij had er her en der wel wat problemen mee, maar dat was meer technisch dan principieel. Een huisarts voor wie geen klacht vreemd is. Zo’n dokter wens je eigenlijk iedereen toe.

Met Agnes Wolbers lag dat anders. Zij begon als een bekwaam lobbyiste alles wat niet in haar straatje paste weg te werken. Zo moesten we van haar het debat ontdoen van begrippen met een negatieve connotatie. We mochten niet meer spreken van euthanasie plegen, maar van verlenen. Moord versus gunst.

Ook mochten we niet zeggen dat de wet een hellend vlak is. Maar wat is het anders? In Wolbers’ verhaal is er maar één kant waar de bal naartoe kan rollen en dat is richting verruiming van de mogelijkheid tot levensbeëindiging. Dat is heel praktisch, maar ook heel duidelijk. Door gespreksleider Van den Bos werd dit frame overgenomen. Hij bestond het te vragen wie er voor vooruitgang was en wie stappen terug wilde zetten.

Nog nooit heb ik zo de ideeën van mensen met een andere mening horen ridiculiseren. Achterbergh ging daarin op een gegeven moment ook mee. Hij zei dat christelijke partijen niet erkennen dat mensen een doodswens hebben. Toen hij hierop werd bevraagd – een vraag overigens die door gespreksleider Van den Bos tot driemaal toe irrelevant verklaard werd – moest hij toegeven dat dit geen feit was, maar een vermoeden. Toch herhaalde hij het daarna vol bravoure als de nieuwe waarheid. Wolbers zong mee in dit koor.

Ook werd er voetstoots gedebiteerd dat tegenstanders van verruiming een directe link legden tussen slechte zorg en de vraag naar euthanasie. Hoewel Achterbergh over de invoering van de wet in 2001 had gezegd dat het vreemd was dat niet eerst de palliatieve zorg was verbeterd, mocht hier niet ook naar de staat van de zorg gekeken worden. En het verband heb ik nog niemand zo direct horen leggen, behalve Achterbergh en Wolbers.

Dit was geen eerlijke competitie van ideeën. Maar de weigering om de discussie meer te maken dan een uitvoeringskwestie is wel een toppunt van idiotie. Mensen hebben nu eenmaal recht op waardig sterven. Wat dit voor het leven betekent maakt deze mensen niets uit. Welke consequenties het heeft, interesseert hen niet. Of we niet beter over waardig leven zouden moeten spreken, vinden ze een ontkenning van de reëel bestaande wensen.

In mijn hoofd komt een beeld op, een variant op de posters voor ALS-onderzoek. Daar staan mensen op met de tekst: ‘Ik ben inmiddels overleden’ en ‘Ga door met mijn strijd’. In mijn campagne zouden mensen staan die nog leven, met de tekst: ‘Als het aan Alexander Pechtold/Agnes Wolbers had gelegen, was ik nu dood.’ Ik wil niet beweren dat ze mensen willen laten vermoorden. Maar welke boodschap geven we mee aan die vele depressieve mensen in Nederland als we het leven niet meer onaantastbaar vinden? Als we ze niet meer met z’n allen meegeven dat het leven maar één mogelijkheid biedt: leven. Het is een fundament dat de samenleving stut. Niet voor niets zijn we geschokt door een zelfdoding. Het tast onze meest fundamentele waarheid aan: Ieders leven doet ertoe. Waarom mag deze existentiële laag niet worden meegenomen bij de debatten?

Ook in het meer recente donordebat zag je dit terug. Er waren nog wel vragen over grondrechten, maar niet meer over de existentie van iedere mens. Ook in dat debat regeerde de praktijk. Frank de Grave vatte het mooi samen: ‘In de praktijk is de donorwet een betrekkelijk kleine verandering.’ (Trouw 30-01-2018) Maar in het leven? Wat zegt deze wet over hoe we tegen de mens en zijn leven aankijken? Ik heb ook geen antwoord, maar ik wil wel de ‘trage’ vraag kunnen en blijven stellen, zoals Annemarieke van der Woude in haar boeken doet. Zij schrijft over het levenseinde vanuit het perspectief van theologie en zielzorg. Ik heb die vraag dan ook gesteld bij het debat; ik heb het verslag gehaald. Maar meer is nodig: de vraag moet blijven klinken, bij elke discussie. Het debat is te belangrijk om aan ‘praktische’ mensen te worden overgelaten.

Frits Hendriks

Banning Lezing door Lodewijk Asscher

i 26 februari 2018 door

Op woensdag 21 februari, geboortedag van Willem Banning, hield Lodewijk Asscher de eerste Banning Lezing in de Rode Hoed, Amsterdam. De lezing, onder de titel Be a Banning! De nieuwe doorbraak: kom in opstand tegen politici die je tot geloof, kleur of consument reduceren, werd uitgesproken nadat Jet Bussemaker, namens de jury, de Banning Prijs 2018 had uitgereikt aan Twan van Lieshout. De lezing is hier terug te lezen en terug te zien.

De Banning Lezing is een nieuw initiatief van de Banning Vereniging en zal om het jaar – gelijktijdig met de uitreiking van de Banning Prijs – worden uitgesproken in de Rode Hoed te Amsterdam. Met de eerste lezing door Lodewijk Asscher is een nieuwe traditie geboren.

Twan van Lieshout wint Banning Prijs 2018

i 26 februari 2018 door

Op woensdag 21 februari heeft Jet Bussemaker, namens de jury, de Banning Prijs 2018 uitgereikt aan Twan van Lieshout voor zijn essay Weg van het redelijke midden. Twan won 1000 euro en zijn essay wordt voor publicatie voorgedragen bij de reactie van Socialisme en Democratie. De overige genomineerden, Teun Dominicus, Yourik Malet en Naomi Woltring, wonnen elk 250 euro.

De vier essays en het juryrapport zijn uiteraard hier terug te lezen:

De vereniging feliciteert alle genomineerden en de winnaar van harte.

NIET ALLEEN LIEFDE, OOK EEN KEUKENTAFEL

i 2 februari 2018 door

De Banningleergang gaat dit jaar over ‘Wij Burgers’: Wie we zijn, wat we doen en wie er mee mag doen als we ons aanduiden als ‘burger’. Tijdens een dag over burgerschapsonderwijs raadde een onderwijsinspecteur ons aan om het boek Mensen maken. Nieuw licht op opvoeding van filosoof Daan Roovers te lezen. Om meer te weten te komen over hoe het zit met de opvoeding interviewden we Daan Roovers.

Je heet Daan, hebben je ouders je zo genoemd?
Nee, ik heet eigenlijk Danielle, maar iedereen noemde me altijd Daan. Soms is mijn voornaam Daan een voordeel. Ik vermoed bijvoorbeeld dat ik soms meer bereik doordat veel mensen veronderstellen dat ik een man ben. Dat blijkt ook uit onderzoek: vrouwen met een mannennaam worden serieuzer genomen.

Waarom schrijf je als filosoof over opvoeding?
Het boekje is ontstaan doordat de uitgever mij vroeg om me over een oude tekst van Rousseau te buigen. Ik kende Rousseau vooral als een politiek denker. Hij is de filosoof van onder andere het sociaal contract. In het begin van zijn boek Emile, of Over de opvoeding schrijft hij dat je kinderen moet opvoeden tot mens. Rousseau was de eerste die vond dat kinderen niet lastiggevallen moeten worden met de eisen van het volwassen leven. Dat was nieuw halverwege de achttiende eeuw. Grote denkers als Kant, Plato en Hannah Arendt hebben ook geschreven over pedagogische ideeën. Het was vroeger een heel gangbaar filosofen-thema.

In het boek formuleer je het beeld van de ideale opvoeder. Deze opvoeder zorgt voor een ‘geleide vrijheid’. Wat bedoel je daarmee?
Vrijheid wordt vaak gezien als doen waar jezelf zin in hebt. Vrijheid is vooral: je niet met mij bemoeien. Geleide vrijheid betekent dat je kinderen wel laat maar toch contact houdt, dat een kind vrijheid ervaart maar dat je als opvoeder toch in de buurt bent. We zijn heel erg gewend om kinderen medeverantwoordelijk voor iets te maken. Voor het zelf doen slagen van hun pianolessen, voor naar welke middelbare school ze willen, voor gezond eten. Je legt als opvoeder de consequenties van hun keuze bij hen, terwijl ze deze lang niet altijd kunnen overzien. Een extreem voorbeeld daarvan is de zaak waar een jongen van twaalf kon beslissen of hij wel of geen chemokuur kreeg toegediend. Ik begreep die vader die daar een rechtszaak over begon.

Voor de PvdA is één van de belangrijke waarden Verheffing. Is dat hetzelfde als wat jij onder Bildung verstaat?
Verheffing kun je heel goed vertalen naar het filosofische begrip Bildung. Het gaat daarbij om je plaatsbepaling in de wereld, om je morele ontwikkeling. Oordeelsvorming hoort daarbij, kritisch denken en wereldoriëntatie, dat is waar dit ideaal om draait. Van oudsher was dit weggelegd voor de elite. Het werkvolk werkte aan de lopende band. Bildung wordt tegenwoordig gezien als iets wat iedereen moet ontwikkelen. Er is geen klasse meer waar het voldoende voor is om alleen maar bouten en schroeven aan te draaien en de andere klasse die al nadenkend over de hei kan wandelen. We zijn allemaal arbeider en beschouwer geworden en daar moet het onderwijs bij aansluiten. Om de wereld te bezien moet je die wereld wel kennen. Niet alleen de nieuwsitems van het (Jeugd)journaal, maar ook de traditie, cultuur en gemeenschap waar je deel van uitmaakt. Je hebt kennis nodig over de wereld waarin je leeft om je een duidelijke positie toe te eigenen en er een weg in te vinden. De filosoof Von Humboldt zei dat het bij Bildung niet ging om van de kinderen van schoenlappers schoenlappers te maken, maar om van kinderen mensen te maken. En met mensen bedoelde hij burgers.

We zagen bij binnenkomst je naambordje, waarop je je beroep vermeldt: Publieksfilosoof. Wat is dat een publieksfilosoof?
Het is filosofie toepasselijk maken voor mensen die geen filosofie hebben gestudeerd. Ik probeer de geschiedenis van de Wijsbegeerte effectief te maken, vruchtbaar te maken voor een grotere groep mensen. Er is behoefte aan bezinning, zingeving en inspiratie. Vragen over de samenhang van je werk, je persoonlijk leven en de politiek. Het zijn eigenlijk allemaal integriteitsvragen. Iedereen moet voor zichzelf oplossen hoe hij/zij daarmee omgaat. Iedereen zit opgezadeld met zijn eigen levensvragen na het wegvallen van religie en door de ontzuiling. De PvdA heeft minder zeggingskracht gekregen en biedt daardoor minder houvast voor oordeelsvorming. Voor het oplossen van levensvraagstukken is de filosofie één van de vele inspiratiebronnen. Filosofie biedt grotere verhalen en contexten waar iedereen zijn voordeel mee kan doen. We staan op de schouders van reuzen om de wereld iets beter te begrijpen.

In je boek noem je een paar keer het Jeugdjournaal. Hoe kijk je hier tegen aan?
Ik vind het Jeugdjournaal een goed programma, maar het effect van het Jeugdjournaal is dat kinderen zoveel van de wereld zien en weten dat van Rousseau’s idee, de kindertijd een beetje onbekommerd te laten, niet veel meer over is. Het nieuws op het Jeugdjournaal is niet milder dan het nieuws dat volwassenen te zien krijgen. Het nieuws blijft hetzelfde, er zijn evenveel doden. Mijn kinderen van 7 en 9 jaar weten al heel veel over IS, over aanslagen. Wanneer kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan valt de gemeenschappelijke nieuwsbron, die het Jeugdjournaal voor veel kinderen is, weg. Van de jongeren tussen 13 en 18 jaar volgt niemand het nieuws via de publieke omroep. Van die groep gelooft 40% het nieuws niet. Dat is een groot probleem, want dan kun je ze wel willen vertellen hoe de wereld in elkaar zit maar deze jongeren vertrouwen de leraar in de klas niet. Eén van mijn grote ambities voor de komende jaren is hoe je om kan gaan met het wantrouwen van jongeren ten opzichte van het nieuws en de gevestigde media. Wat mij betreft komt er een Jeugdjournaal voor jongeren van het voortgezet onderwijs, zodat er tenminste een gedeeld referentiekader ontstaat. Ik werk regelmatig voor de publieke omroep en ga het daar aan de orde stellen.

In je boek gebruik je de metafoor van de tafel. Wil je daar meer over vertellen?
Bij Hannah Arendt is het dé metafoor voor de publieke ruimte, de ruimte waar vreemden met elkaar kunnen omgaan. De tafel is een plek waar zaken ter sprake komen en verbanden worden gelegd. Daarmee komt de wereld tot stand. Niet alleen die van volwassenen, ook die van kinderen. Daar is een tafel heel nuttig bij, waar je niet bij elkaar op schoot zit, elkaar aankijkt, waar je dingen op tafel kunt leggen. Daar wordt met elkaar gesproken. Het is de verantwoordelijkheid van ouders om kinderen de mogelijkheid te geven zich op de wereld te oriënteren. Voor opvoeding is daarom niet alleen liefde voor je kinderen nodig maar ook een keukentafel.

Daan Roovers (1970) is filosoof en doceert publieksfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt als programmamaker voor omroep Human en als debatvoorzitter in de Rode Hoed. Eerder was ze hoofdredacteur bij Filosofie Magazine. Roovers studeerde geneeskunde en filosofie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Ze spreekt en schrijft over filosofie, politiek, media, opvoeding, onderwijs en feminisme en werkt aan een onderzoek over de ontwikkeling van de publieke opinie. Samen met René Gude schreef ze Kleine geschiedenis van de filosofie (2010). Onlangs verscheen haar essay Mensen maken. Nieuw licht op opvoeding (uitgeverij Ambo 2017).